Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Ik vond geen spoken in Achtmaal

Auteur(s): Dean Bowen
Taal: Nederlands
1 recensie
Ik vond geen spoken in Achtmaal
Ik vond geen spoken in Achtmaal
Ik vond geen spoken in Achtmaal

Recensie

Aantal recensies: 1

Recensie door: Dietske Geerlings

Verbinding en respect in een wonderlijke ontmoeting

“Het is onmogelijk jezelf in een dode geschiedenis in te schrijven. Ik wantrouw het mannelijke in mij & oktober nestelt zich in mijn borstkas. Ik werd aangeplant voor tijdelijke voeding in de bodem van De Oude Buisse Heide maar weet deze wortels niet bestand tegen exotisme.”

[Recensie] Zo begint de stadsdichter van Rotterdam zijn kleine bundel Ik vond geen spoken in Achtmaal, die hij schreef op het landgoed De Oude Buisse Heide, op zoek naar de geest van Henriette Roland Holst. Daarmee zet hij op poëtische wijze de toon, van een bundel die een wonderlijke ontmoeting beschrijft tussen de twee dichters.

Het is Dean Bowen kennelijk niet te doen om daadwerkelijk de geschiedenis van deze socialistische dichteres uit het begin van de twintigste eeuw in te duiken en hij weet bij voorbaat al dat hij op deze plek niet geworteld zal zijn. Het is geraffineerd hoe hij hier alle hoge verwachtingen die de lezer zou kunnen koesteren van de bijzondere ontmoeting tussen de moderne, stadse dichter en de overleden, welgestelde, van het platteland afkomstige dichteres, vakkundig om zeep helpt. Wat overblijft is een ongekende vrijheid, want zonder verwachtingen kan het nog alle kanten opgaan.

Niet alleen wat betreft zijn verhouding tot de dichteres zet hij de toon, ook in stilistisch opzicht. De eerste keer dat ik de bundel las, voelde ik wat weerstand tegen de ongecontroleerde zinsbouw en het merkwaardige gebruik van het &-teken, de tweede keer had ik de wonderlijke ervaring dat ik de poëzie in mijn hoofd begon te ‘horen’, heel logisch eigenlijk, want Bowen is een performer, een man van ‘spoken word’. Dan krijgt ook het opsommingsteken een andere betekenis. Normaalgesproken wordt het gebruikt tussen twee zelfstandige naamwoorden die aan elkaar gekoppeld worden, maar hij gebruikt het tussen zinnen, waardoor in eerste instantie een zekere vervreemding ontstaat, maar na verloop van tijd krijgen de zinnen een bepaald ritme, een beat, zou ik het haast noemen. Bij “mij & oktober” denk ik onwillekeurig “mei & oktober”, zozeer ben ik gewend aan het koppelen van twee gelijkwaardige zelfstandige naamwoorden. Door die associatie komt er een wonderlijke laag bij, want ‘mei’ is de maand van de lente, het nieuwe leven, oktober die van het najaar, het begin van het sterven, waardoor ook de relatie tussen moderne dichter en overleden dichteres in een bijzonder daglicht wordt geplaatst. Verderop zegt hij ook “ik hoop op lente/voor de bloei”. Mijn associatie gaat nog verder, namelijk naar Mei van Gorter, een tijdgenoot van Roland Holst, een klassieker uit de Nederlandse literatuur. Ook die associatie is betekenisvol, omdat hij verderop zegt “ik bouw mijzelf op een breuklijn”, met andere woorden, hij zoekt weliswaar de verbinding, maar realiseert zich dat zijn ‘mij’ een andere is dan die van haar en dat tussen die twee altijd een breuk zal zijn, omdat deze tijd niet strookt met die van haar. Hij komt uit een andere wereld. Gorters Mei begint met de gevleugelde regel “Een nieuwe lente en een nieuw geluid”.

Die breuklijn is in de hele bundel voelbaar, want zijn overrompelende poëzie vol breuken, rafels, en opeenstapeling van klank en beeld is totaal anders dan de klassieke sonnetten van haar. Haast elke poging tot toenadering mislukt. Zo vinden we een brief van Dean aan Henriette, waarvan alle tekst, inclusief ondertekening is doorgestreept, behalve haar naam. De dichter probeert zich weg te cijferen voor haar, benadert haar respectvol, maar schept geen valse verwachtingen: “ik heb een zwaar hart uit mijzelf gesneden/om het aan je voeten te leggen.” Hij doet een offer, want:

“Er is iets traags buiten het bereik van het stadse crescendo. Er zijn machines nodig om mij hier te brengen & en weer vandaan te krijgen. Ik bezit geen van deze machines & voel mij klemgezet. Er ontbreekt een ziel. Er ontbreekt theater. Een koninkrijk voor het klein verzet. De arme man.”

Steeds opnieuw botst hij tegen haar wereld op: “Ik heb op iedere hoek haar naam gefluisterd, maar ik vond geen spoken in Achtmaal.” Speelt de dichter hier ook met ‘spoken’ in de Engelse betekenis van ‘gesproken’, want Roland Holst spreekt inderdaad niet meer, het gesproken woord is op haar landgoed en ook in haar poëzie nergens te vinden.

Hij bekent dat hij zich niet grondig heeft verdiept in haar leven en in haar poëzie, maar wat hij wel heeft ontdekt is dat zij misschien toch raakvlakken hebben:

“Ik schrijf wezenlijk anders dan jij deed, maar het gevoel bekruipt me dat ook jij wellicht slachtoffer geweest bent van een vergelijkbaar onbegrip. Wat te doen, als de receptie van je werk gepaard gaat met een fundamentele misvatting van de intentie die het werk ondersteunt.”

Deze zin komt uit de doorgestreepte brief van Dean aan Henriette. Juist in deze brief lijkt hij haar dicht op de huid te zitten. Veelbetekenend is het dat de brief vervolgens is doorgestreept.

Er is een bladzijde in de bundel waarop alleen de woorden “Ik Verwyt je niks” staan. Ook hier klinkt door dat hij haar respecteert, maar dat zij elkaar nooit heel dicht zullen naderen. Het staat er niet, maar je denkt na deze uitspraak meteen ‘… maar…’. Bijzonder vind ik ook hier de spelling. Het lijkt of hij haar in de ouderwetse spelling probeert te naderen, door van de gewone ‘ij’ een ‘y’ te maken, maar waarom gebruikt hij de hoofdletter? Hierdoor denk ik onwillekeurig aan een andere tijdgenoot van Roland Holst, namelijk Albert Verwey. Ik kan mij niet onttrekken aan de indruk dat Bowen hier toch de spoken uit haar wereld probeert op te roepen: Gorter, Verwey, Roland Holst zelf.

Na deze bladzijde komt een poëtische explosie, waarvan ik de eerste twee strofen citeer:

“ik stem jij vers terzinen woelt
poëzie tot niets accentrijk nood
spreek waar de tijd of medestem
die kader noemt als exponent
gebreken niet afwijking zijn
moment gezien wie zoeken naar
een frisse norm en aangezien
zichzelf daarmee goed heersen duidt. 

royaal ik jou het woordgeslacht
door iedereen verschuiven kan
ontdek wie revolutie geest
alleen naar voren dienstbaar is
want politiek werd echter zwaar
de studie van het Kapital
opwek de ziel op eerst’n mei
vertaal zij socialistisch zijn”

Hier komt de taal in een wervelwind terecht, woorden verschuiven en er ontstaat een ware revolutie in de taal, waardoor de betekenis wel erg lastig te achterhalen is. Ook hier wordt ‘mei’ genoemd, maar dan de eerste mei, namelijk de dag van de arbeid. Hoe mooi is het “ik stem jij vers terzinen woelt” als samensmelting van Bowen en Roland Holst, want hij is de stem en zij schreef ‘verzen’ en ‘terzinen’; ‘woelt’ is waarschijnlijk weer Bowen die alles overhoophaalt. Hij laat zien hoe zij vertegenwoordigster was, ‘exponent’, van de socialistische beweging, maar vervolgens verwordt deze beweging tot bekende kreten en symbolen.

Aan het slot keert hij terug tot naar “waar we eerder waren” en probeert weer te beseffen waarom hij daar kwam: “er is een bijeenkomst in het bos/littekens als bewijs/ontrafel ze tot kronkelpaden”. Zie hier de bundel waar Dean Bowen en Henriette Roland Holst voor even samenkwamen in een, laat ik het ‘ontsporing’ noemen. Hij heeft zich voor haar ingehouden: “ik herinner haar aan/een afgewende mannelijkheid”, want ook al aan het begin wantrouwde hij “het mannelijke in mij”. Heel even lijkt het of er toch nog wat rondspookt: “er is iets wat bromt/& er is iets wat opdoemt.” Misschien kan het bundeltje leiden tot herlezing van Roland Holst: “Henriette wordt herontdekt.” Tenslotte wandelt de ik weg uit de bundel, terwijl hij zich verwondert. Het is een bundeltje dat zich leent om steeds weer even te pakken en er nieuwe schatten in te vinden, het bevat een wonderlijke, wat willekeurige ontmoeting tussen twee totaal verschillende dichters, die daardoor juist ‘verbinding’ en ‘respect’ oproept, en dat zijn zeker geen spoken.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

Samenvatting

In 'Ik vond geen spoken in Achtmaal' beschrijft een naamloze figuur middels dagboeknotities, gedichten en rituelen de zoektocht naar wat er overblijft van een mens, lang nadat zij gestorven zijn.

€ 7,50

Verwachte leverdatum: vrijdag 05 maart


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789491921834
Verschijningsdatum
september 2020
Druk
1
Aantal pagina's
pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
306: Poezie
Categorieën

Auteur
Uitgever
Vrije Uitgevers, De

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden