Ambtenaar Belmiro

Auteur(s): Cyro dos Anjos
Taal: Nederlands
1 recensie
Ambtenaar Belmiro
Ambtenaar Belmiro
Ambtenaar Belmiro

Recensie

Aantal recensies: 1

Recensie door: Elisabeth Francet

Dans, kleine man, met het leven

[Recensie] Aan de literatuur heeft Belmiro zijn redding te danken.

Het was de dag voor Kerstmis, 1934, toen Belmiro aantekeningen begon te maken voor zijn memoires. In een kroeg in Belo Horizonte voerde een groep vrienden – intellectuelen, revolutionairen, filosofen en literatoren – een verhitte discussie. Belmiro hield zich zoals gewoonlijk afzijdig. Een faustische onrust woedde in zijn borst. Liever dan kleinburgerlijk en ruggengraatloos wou hij door de anderen ‘opwindend’ worden gevonden.

Met de zopas vertaalde roman Ambtenaar Belmiro schiep de Braziliaanse schrijver en journalist Cyro dos Anjos (1906-1994) een indrukwekkende reflectie over literatuur, schrijverschap en identiteit. Levendig portretteert hij het Braziliaanse stadsleven van de jaren dertig en zet een onvergetelijk personage neer: de gevorderde dertiger Belmiro, een ‘lage ambtenaar’, verstoken van ambitie en toch koortsachtig zoekend. Met brio brengt vertaler Harrie Lemmens dos Anjos’ geestdrift en verfijnde ironie over.

Toen de oude Borba overleed en de fazenda werd verkocht, verhuisde Belmiro samen met zijn twee zussen naar de stad en ging er aan de slag op de dienst Groei en Ontwikkeling. “Ambtenaar!” riep de ouwe bij leven vol minachting uit. Liever zag hij zijn zoon in het landleven aan de slag.

Telkens als Belmiro aan het denken slaat, verdwaalt hij in een labyrint van mogelijkheden. In tegenstelling tot zijn heetgebakerde kameraden twijfelt hij voortdurend. Hij is niet in staat de wereld in mechanische onderdelen of mensen in klassen op te delen. Belmiro probeert zijn passiviteit te doorbreken door alleen op feestdagen te schrijven, wanneer hij kan opgaan in de massa. Maar hij slaagt er niet in contact te krijgen met de wereld van de menigte, zij die in staat zijn gemoedsbewegingen met armen en benen over te brengen. Ambtenaar Belmiro is een dromer, geen doener. In zijn aantekeningen stelt hij zichzelf beschroomd voor als een ingewikkeld man, zowel cynisch als lyrisch.

Wanneer hij schrijft, heeft Belmiro het liever niet over het heden, om de eenvoudige reden dat zijn leven stilstaat. Vanzelf voeren zijn schreden hem naar het verleden, naar het Vila Caraíbas van zijn jeugd, de fazenda en zijn toenmalige liefde Camila. Alleen door vluchtige beelden uit vervlogen tijden na te jagen, zal hij zichzelf kunnen vinden, meent hij. Hij weet nog niet dat het heden hem onverhoeds zal inhalen.

Op een feestdag, tijdens een carnavalsstoet, staat Belmiro met zijn hoge boordje en pince-nez stokstijf te midden van een uitgelaten drom engelen en sprookjesfiguren. Hij wordt meegesleurd en geeft zich alsnog over aan dat mensdom. Als door de bliksem getroffen huppelt hij plots hand in hand met een elfachtig, roomblank wezen. Hij doopt de majestueuze verschijning ‘jonkvrouw Arabela’, verheft haar prompt tot zijn mythische liefde en valt vervolgens flauw.

Daags nadien doet Belmiro een poging een gedicht te schrijven. Alles wijst erop dat hij verliefd is. Zijn kwellingen ten spijt, ontleedt en stileert hij het lijden als een fanatieke estheet. De mythische Arabela blijkt echt te bestaan. Ze heet Carmélia. Om in haar kringen terecht te komen, laat Belmiro zich door een welgestelde collega naar salons meetronen. Terwijl hij afzijdig postvat naast een jasmijn, kleuren Proustiaanse taferelen voortaan zijn avonden.

Op de dienst Groei en Ontwikkeling liggen de meesten van Belmiro’s collega’s opzichtig dwars. Ze klokken in “met een opstandige geest en misprijzende handen”. Belmiro heeft helemaal geen last van opstandigheid. Dankbaar denkt hij aan het waardige pensioen dat de staat hem in alle oprechtheid belooft. Voor het beschrijven van zijn nieuwe liefde vindt Belmiro inspiratie bij zijn vrienden: de leugenachtige filosoof Silviano, die de dingen beschrijft zoals hij graag zou willen dat ze zich voordoen; Florenció, een rechtlijnig man zonder afgronden; de fanatieke Redelvim; Glicério, niet meer dan een naïef kind, en de wispelturige Jandira. Belmiro’s aantekeningen hebben steeds meer weg van fictie. Verleden valt er in de verste verte niet in te bespeuren.

Op zijn achtendertigste verjaardag bladert Belmiro door zijn aantekeningen en stelt vast dat het heden zijn geest dusdanig in beslag neemt ‘dat het de beelden uit het verleden’ verdreven heeft. In een ultieme poging zijn aantekeningen opnieuw het karakter van memoires te geven, bereist hij andermaal het verleden. Hij keert terug naar Vila Caraíbas, begin jaren 1900. Polka’s in de salon, maanlicht boven de fazenda en de serenade. Zinloos, want de tijd is nu; het heden slokt hem op. Hoe verlangt hij naar het immateriële en het tijdloze! Al schrijvend ontwikkelt Belmiro de gave van de ironie. Schroomvallig opent hij de dans met het leven.

Intussen is het woelig in Belo Horizonte. Er is een communistische revolte aan de gang. Verdachte elementen worden opgepakt, verhoord, gemarteld. Ook Belmiro wordt gearresteerd. De politie komt in het bezit van zijn aantekeningen, die ironisch genoeg zijn redding worden. Uit zijn geschriften blijkt immers dat hij geen enkele dreiging vormt, voor om het even welk regime. Na zijn vrijlating groeit bij Belmiro het besef dat hij een cerebrale hartstocht heeft gecultiveerd, ‘liefde omwille van de liefde’, en dat het bonte gezelschap dat hij zijn vriendenkring noemt, een vat vol tegengestelde krachten is, slechts door hem bijeengehouden. Bestond de vriendenkring, die nu uiteengevallen is, alleen in zijn wensdromen?

Ondanks zijn mislukte pogingen om te worden wie hij wil zijn, heeft Belmiro geleerd hoe hij van zijn problemen een soort ‘innerlijk theater’ op papier kan maken, waarbij een deel van hem op de planken staat en een ander deel in de zaal gaat zitten en toekijkt. Een jaar ‘met een intensiteit die de som van vele levensjaren overstijgt’ is verstreken. Uit zijn aantekeningen rijst een volkomen ander wezen op dan wat hij dacht te belichamen.

Eerder verschenen op Mappalibri en op Geendagzonderboek

Samenvatting

Ambtenaar Belmiro geeft ruwweg vijftien maanden weer uit het leven van Belmiro Borba - een intelligente, goedopgeleide, introverte Braziliaanse staatsambtenaar met literaire ambities, die hij tot uiting brengt in zijn dagboek. In een periode van hevige politieke en sociale onlusten (1935-1936) gaat de verteller gebukt onder het feit dat zijn vrienden en kennissen ruziën en relaties verbreken over ideologieën terwijl hijzelf worstelt met zijn scepsis en schroom. Hij realiseert zich dat hij door zijn vermogen om begrip te hebben en te sympathiseren met beide kanten van een argument zijn verlangen naar een grotere betrokkenheid in het leven ondermijnt, maar toch is hij niet in staat een van de filosofieën of ideologieën die zijn vrienden de weg lijken te wijzen volmondig te accepteren.

Ambtenaar Belmiro geldt als een van de belangrijkste Braziliaanse romans die tot stand zijn gekomen in de turbulente jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw.

Toon meer Toon minder
€ 22,50

Verwachte leverdatum: zaterdag 29 februari


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789492313768
Verschijningsdatum
september 2019
Druk
1
Aantal pagina's
256 pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
302: Vertaalde literaire roman, novelle
Categorieën

Uitgever
Uitgeverij Koppernik BV

Vertaald door
Harrie Lemmens

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden