Voor 23:00 besteld, morgen in huis

Gratis verzending vanaf €17,50

Steun de boekensector

Ik ben er niet

Auteur(s): Lize Spit
Taal: Nederlands
0,175/5
3 recensies
Ik ben er niet
Ik ben er niet
Ik ben er niet

Recensie

Aantal recensies: 3

Recensie door: Marnix Verplancke
3/5

Gevangen in het verleden

Bijna vijf jaar dienden we te wachten op Lize Spits opvolger van Het smelt. Was die tweede roman het wachten waard?

[Recensie] Leo en Simon zijn al tien jaar een koppel dat lief en leed deelt wanneer Simon op een avond onaangekondigd na het werk niet thuiskomt. Op Leo’s telefoontjes reageert hij niet en haar sms-en beantwoordt hij afwijzend kort. Wanneer hij in de vroege uurtjes toch het bed in stapt, blijkt hij hoogst opgewonden. Hij heeft een tattoo laten zetten, zegt hij, op de achterkant van zijn oorschelp, daar waar ze hun ‘kaaskwekerij’ hebben, de huidplooitjes die ontstaan zijn nadat in zijn kindertijd de stand van zijn flaporen werd gecorrigeerd en die een beetje zurig ruiken – en smaken wanneer Leo eraan likt.

“Centrale zin: Iemand die stiekem filmde, in de hoop de ander zijn obsessie te bewijzen, leverde vooral bewijs van haar eigen obsessie, haar eigen krankzinnigheid.”

Gek, denkt Leo, over Simons plotse tattoo, maar wat haar daarna overkomt is nog een stuk gekker. Simon zegt niet alleen zijn job als grafisch vormgever op bij een succesvol bureau, hij zet ook zijn eigen firma op. Voortaan wil hij als zelfstandig ontwerper van tattoo’s aan de bak komen. In een manische vlaag, waarbij hij amper nog slaapt en zijn bankrekening leegloopt als een lekke fietsband, begint hij spullen te kopen: duizend balpennen met de firmanaam erop, banners, flyers en zelfs een lot van 3500 Leo’s die bij een productcontrole niet voor de handel geschikt bleken en waarmee hij wilde plannen heeft.

Het is wellicht een uitgesteld rouwproces, probeert Leo zichzelf te troosten, want Simon verloor zijn moeder op jonge leeftijd en is daar nooit helemaal mee in het reine gekomen, iets waar ze trouwens zelf ook mee zit. Zij zijn gevangen van hun verleden, beseft ze, twee wankele pilaren die elkaar rechthouden en wanneer er eentje tegen de grond gaat, kan de andere niet langer alleen verder. En dat is dus wat er gebeurt in Lize Spits tweede roman Ik ben er niet.

Die roman begint net als haar debuut, Het smelt vijf jaar geleden, bijzonder ambitieus. Er wordt vlot geschakeld tussen de periode waarin Leo en Simon elkaar ontmoetten, het heden waarin Simon steeds verder verzinkt in paranoia en de toekomst, wanneer Leo van haar vriendin een paniekerig telefoontje krijgt dat Simon haar baby uit de kinderwagen heeft geroofd en er op de fiets mee op de vlucht is geslagen. Netjes gedoseerd krijg je details uit het leven van de twee hoofdpersonages te lezen, zodat hun plaatje steeds vollediger ingevuld raakt. Lize Spit toont daar dat ze heel veel in haar mars heeft.

Tot op het moment dat Ik ben er niet gaat slepen en je je als lezer afvraagt waarom er zo om de vijftig pagina’s een kort hoofdstuk volgt waarin afgeteld wordt naar het moment dat Leo Simon en de baby zal vinden. Leo fietst zogezegd tien minuten lang door Brussel, van haar werk naar huis en om de dertig seconden krijg je een blik in haar geest, wat vaker een niets- dan een ietszeggende blik is. Zat ook Lize Spit net als haar personages gevangen in het verleden toen ze Ik ben er niet schreef? En wel in het verleden van haar debuut dat eenzelfde structuur heeft als die nieuwe roman? Het lijkt alvast zo, waardoor het boek vaak stroef en langdradig is. Leo zich op pagina 535 laten afvragen of ze wel een toekomst heeft met Simon en of hij te vertrouwen zal zijn met hun kinderen is relevant. Vervolgens een halve pagina uitweiden over wat hij allemaal zou kunnen doen is dat wat minder. We weten dat al, denk je dan. Hij is immers manisch, al honderden pagina’s lang.

Lize Spit (1988)

Behaalde een master scenarioschrijven aan het Brusselse RITCS. Won in 2013 de Nederlands-Vlaamse schrijfwedstrijd Write Now! Debuteerde in 2016 met de Het smelt, waarvan inmiddels 210.000 exemplaren zijn verkocht, dat vertalingen kreeg in het Duits en het Frans, en binnenkort ook het Engels, en bekroond werd met de Bronzen Uil voor het beste romandebuut.

Eerder verschenen op Knack

Recensie door: Roeland Dobbelaer
4/5

Oververhit. Over wanen en psychosen

[Column] We leven in bijzondere tijden. Tijden waarin wat we altijd voor waar hielden, zoals inzichten uit de wetenschap, steeds vaker wordt betwist. Dat kan om redenen van macht en geldelijk gewin gebeuren, zoals Joe Biden, de nieuwe president van de Verenigde Staten, afgelopen dinsdag in zijn inauguratiespeech zei. Maar niet alleen daarom. Dat aanvallen van de waarheid gebeurt ook met de beste bedoelingen van de wereld omdat mensen elkaar, de politiek, de wetenschap, etc. niet langer vertrouwen. Er is tegenwoordig zoveel informatie en desinformatie voorhanden dat mensen snel hun eigen waarheden ontwerpen. Daarbij zijn steeds minder mensen lid van een gemeenschap, zoals kerk, vakbonden en vereniging, waardoor het corrigerende vermogen uit een groep voor veel mensen ontbreekt. En dan zitten steeds meer mensen alleen thuis, zeker nu de met het opgelegde regels door de corona…

Ik kan me niet herinneren dat er eerder zoveel complottheorieën tegelijk bestonden over zoveel verschillende zaken. Op twitter was er zelfs afgelopen maanden een verkiezing van de grootste complotdenker van 2020. Willem Engel van Viruswaarheid, voorheen Viruswaanzin, won met afstand. Alle zogenaamde redelijke mensen vermaakten zich met de verkiezing, lachen om al die wappies.

Hoe gaat dat, hoe kunnen mensen die eerst redelijk functioneren en redelijk redeneren langzaamaan denkbeelden omarmen waar je niet bij kunt? Hoe kan het dat er mensen zijn die denken dat je laten inenten tegen het virus betekent dat je een chip ingespoten krijgt en dat daarmee je een willoze robot wordt? Die daarom nu achter elke verpleegkundige of arts een handlanger van de machtigen der aarde zien die ons willen onderdrukken? Vroeger dachten mensen dat ze Napoleon of Jezus waren, nu denken mensen dat Mark Rutte en de Koning kinderbloed drinken. En het gaat niet om een eenzame zonderling, nee het zijn honderden mensen die met dergelijke ideeën rondlopen, een heel Museumplein vol.

Twee weken geleden schreef Karl van Heister in de rubriek Waarom lezen? in Bazarow Magazine dat literatuur de vakliteratuur van het leven is. Hij heeft volkomen gelijk. Ik lees momenteel Ik ben er niet, de nieuwe roman van Lize Spit. Het verhaal is kort samen te vatten. Simon en de vertellende ik-persoon Leo wonen samen in Brussel. Hij is grafisch ontwerper, zij is schrijver en werkt omdat ze nog geen betaalde schrijfklussen heeft in een kledingwinkel voor zwangere dames. Ze hebben allebei de nodige klappen gehad in hun jeugd en zitten met onverwerkte trauma’s, beiden verloren ze al vroeg hun moeder, beiden hebben ze een vader die zich niet al te zeer om hun kind bekommert. Ze vinden elkaar en hebben steun aan elkaar: “Wij waren de twee scheefgezakte pilaren die, zodra je ze tegen elkaar aan deed leunen, steviger zouden staan dan één ongeschonden, op zichzelf staande pilaar ooit kon.”

Op een gegeven moment begint Simon zich anders te gedragen, en dan ontspint het verhaal zich. Simon wordt manisch, wordt langzaam gek zouden we zeggen, krijgt wanen en denkt dat iedereen tegen hem samenspant. Vanaf dan loopt het volkomen uit de hand. Hij belandt in een psychose. Een van de behandelde artsen zegt dat Simon “zijn hersenen zo onder druk heeft gezet, dat die oververhit zijn geraakt.”

Sommige critici schrijven dat Ik ben er niet, niet zo’n goede roman is  als Spits eersteling Het Smelt. Dat boek had veel meer verhaallijnen, veel meer karakters, veel meer lagen. Akkoord, maar toch is Ik ben er niet een belangrijke roman en levert het boek net als Het Smelt een buitengewone leeservaring op. Door Ik ben er niet maak je als lezer mee hoe iemand in de kracht van zijn leven een omslag meemaakt en uiteindelijk belandt in het duistere rijk van de waanvoorstellingen. Spit gebruikt bijna 600 pagina’s om deze werdegang te beschrijven. De eerste 100 pagina’s ervoer ik als traag en langdradig, maar daarna snapte ik pas wat Spit aan het doen is. Juist door het tempo in de roman, waarin ze elk detail, elke seconde haast beschrijft, maak dat je als lezer heel dichtbij komt, heel dicht bij wat iemand meemaakt die in deze situatie terechtkomt. Minuut voor minuut zie je hoe het zich voltrekt, een akelig proces van afglijden. We stonden erbij en we keken ernaar, zou je kunnen zeggen.  

Wat leert me deze roman? Wat is de les voor het leven? Als je Ik ben er niet leest, zo ervaar ik het, kun je niet anders dan milder gaan nadenken over al die mensen die met al die vreemde ideeën rondlopen. Ik weet niet of Spit wil zeggen dat het iedereen kan overkomen, maar het is een proces dat je niemand gunt. Wat kun je doen, hoe kun je iemand helpen? Ik zou zeggen: blijf met ze praten, ga het gesprek aan. En zorg, zoals Leo probeert, dat er professionele hulp komt. Compassie tonen is in ieder geval meer op zijn plaats dan deze mensen voortdurend belachelijk maken op sociale media, zoals nu voortdurend gebeurt. 

Eerder verschenen in Bazarow Magazine

Recensie door: Dietske Geerlings

Een huis waarvan de constructie zichtbaar is 

[Recensie] Ooit las ik een boek dat ik niet weg wilde leggen, terwijl de net geplante kruidenbloemen met hun lange dunne stelen in mijn tuin echt water nodig hadden. Ik stond van mezelf te kijken, toen ik met het dikke boek in mijn ene hand en de tuinslang in de andere door de tuin liep. Het boek was Het smelt, het debuut van Lize Spit. Natuurlijk wilde ik weten wat er ging gebeuren met het blok ijs achter in de auto, maar veel liever nog wilde ik in het boek blijven en niet ophouden met lezen over het zusje van de hoofdpersoon dat alleen de kamer kon betreden als ze eerst allerlei dwanghandelingen had verricht en hoe aandoenlijk de hoofdpersoon het codesysteem van haar jongere zusje probeerde te kraken van de letters die het zusje op het toetsenbord intypte, zonder dat de computer aanstond. Het greep me naar de keel en ik heb beide hoofdpersonen in mijn hart gesloten. Ik vond het verschrikkelijk toen ik het uit had. Nu heeft Lize Spit een nieuwe roman geschreven, Ik ben er niet en toen ik voor het eerst de titel hoorde, dacht ik: dit moet een schrijver voelen als hij na een overweldigend debuut net een tweede roman heeft geschreven. Ik ben er even niet, jongens, want wat gaan ze straks allemaal van mijn tweede boek zeggen?

De constructie van het boek lijkt heel erg op dat van Het smelt, waarin twee verhaallijnen elkaar afwisselen. In een van de twee wordt afgeteld van 11 minuten, waarin de hoofdpersoon Leo, een jonge vrouw, net afgestudeerd aan de filmschool, naar een plek fietst waar haar vriend Simon, een grafisch vormgever, waarschijnlijk een groot onheil heeft aangericht. In de andere verhaallijn lees je de voorgeschiedenis van Leo en Simon, vanaf het moment dat Simon een opmerkelijke tatoeage heeft laten zetten achter zijn oor. Tot die tijd waren Leo en Simon elkaars steun en toeverlaat. Leo heeft haar moeder veel te vroeg verloren en Simon is altijd gepest om zijn flaporen.

Vanaf het moment dat Simon de tatoeage heeft gezet, gaat het mis in hun relatie. Simon is ervan overtuigd dat hij zijn eigen bedrijf moet beginnen met het ontwerpen van tatoeages met een bijzonder verhaal erachter. Hij zet het hele huis op de kop om een eigen kantoortje in te richten, hij gaat visitekaartjes maken en allerlei ander promotiemateriaal, die in het kleine kamertje worden opgestapeld. Hij doet mij wat denken aan Frans Laarmans die in Kaas van Elsschot een kaashandel wil opzetten, terwijl hij allesbehalve een handelaar is. Dagen is hij bezig met het inrichten van zijn kantoor. Je voelt al meteen dat dit niet goed kan gaan. Leo bekijkt alles met argusogen en herkent haar ‘Spruitje’ niet meer. Simon krijgt steeds meer last van paranoia en denkt dat iedereen eropuit is om hem onderuit te halen.

Omdat Spit in het eerste hoofdstuk al meteen een filmtechniek beschrijft waarbij het publiek op het puntje van zijn stoel zit, heeft de lezer direct door dat Spit zelf deze techniek toepast in haar eigen boek. Daardoor krijgt het boek iets als een huis waarin opzettelijk de constructie zichtbaar is gelaten. Dat geeft een huis een transparante, industriële, robuuste uitstraling. Werkt dat ook zo in een boek? Tijdens het lezen betrapte ik mijzelf erop dat ik steeds tegen mijzelf zei: het is de bedoeling dat de constructie zo hinderlijk aanwezig is. Dat is juist de schoonheid. Halverwege dacht ik: het kan niet de bedoeling zijn dat ik dit steeds tegen mezelf moet zeggen, alsof ik mijzelf hiervan moet overtuigen. Het bóek moet mij overtuigen.

Gek genoeg beïnvloedt dit tweede boek ook mijn kijk op het eerste. Ik herken de constructie, terwijl die mij toen niet zo was opgevallen. Het zet mij aan het denken: wat is nu eigenlijk beter? Als een schrijver je overdondert, zonder dat je in eerste instantie doorhebt, hoe hij dat voor mekaar heeft gekregen, of als hij dat openlijk doet? Ik weet er geen antwoord op. Misschien ben ik teveel beïnvloed door auteurs als Nijhoff die zeiden dat je aan het gedicht niet mag zien dat eraan gewerkt is. Het gedicht of de dichter moet niet huilen, de lézer moet huilen. We zijn nu een eeuw verder. Literatuur en literatuuropvattingen mogen veranderen. Het kan zijn dat ik nog met een been in die vorige eeuw sta en mij niet helemaal kan overgeven aan zo’n opzichtig geconstrueerd boek? Ik weet wel dat ik Het smelt schitterend vond, niet alleen vanwege dat prachtige beeld van het smeltende blok ijs, maar ook vanwege de overtuigingskracht van de personages. Dat mis ik in Ik ben er niet. In dat opzicht is de titel veelzeggend: alsof ook van de personages alleen de constructie te zien is en ze er niet echt zijn. Dat is vreemd, omdat je als lezer wel een paar honderd bladzijden lang de gedachten leest van Leo. Uiteindelijk blijkt dat Simon een bipolaire stoornis heeft, maar die wordt zo onwaarschijnlijk uitvergroot, dat hij eigenlijk geen mens van vlees en bloed meer is. Leo kan daar met al haar gedachten ook niet veel meer aan veranderen.

Dit brengt mij bij een essay van Hermans over antipathieke romanpersonages in zijn Sadistisch universum. Hij schrijft daar dat personages juist mythisch uitvergroot moeten worden, om de waarheid van het boek tot uitdrukking te brengen. Het grote publiek wil mensen van vlees en bloed, maar het gaat niet om die ‘journalistieke geloofwaardigheid’. Een schrijver heeft een andere missie. Tegelijkertijd verweet hij Reve in een brief dat Frits van Egters uit De avonden meer aan overtuigingskracht had kunnen winnen als Frits pogingen had gedaan aan zijn miserabele situatie te ontkomen, terwijl Frits van Egters mij nu bij uitstek een mythisch uitvergroot personage lijkt dat de waarheid van het boek ontegenzeggelijk tot uitdrukking brengt.

Goed, nu heb ik vier grote schrijvers genoemd, Elsschot, Nijhoff, Hermans, Reve. Lize Spit hoort bij een heel nieuwe generatie en ik wil niet krampachtig vasthouden aan alles wat geweest is. Daarom bekijk ik haar werk met grote belangstelling: wat gebeurt hier nu precies? Ook bij Elsschot en Hermans miste ik vaak iets tijdens het lezen, hoezeer ik ook onder de indruk was. Maar wat is dat precies? Zit ik er helemaal naast als ik het hartstocht noem, of liefde, die ik wel voelde bij Nescio, Elsschots tijdgenoot, en Wolkers, Hermans’ tijdgenoot? Toch heb ik die wel gevoeld in Het smelt, zij het beschadigd en vervreemdend.

Gelukkig ligt er nu een dikke laag sneeuw en hoef ik niet naar buiten. Dan weet ik ook niet of ik Ik ben er niet ook mee naar de tuin had genomen. Ik houd niet van wedstrijdjes, al helemaal niet waar het om boeken gaat, zeker in deze tijd waar de ene ranglijst de andere opvolgt en deze gekte bijna bepaalt wat we zouden moeten lezen. Ik heb deze tweede roman van Lize Spit met belangstelling gelezen en ook al griezel ik een beetje van de twee personages, het boek zet me wel aan het denken over de constructie in dit boek en constructies in het algemeen.

Eerder verschenen op Met de neus in de boeken

Samenvatting

‘Wij waren de twee scheefgezakte pilaren die, zodra je ze tegen elkaar aan deed leunen, steviger zouden staan dan één ongeschonden, op zichzelf staande pilaar ooit kon. Het zou goed komen met ons, zolang we samen bleven.’

De Brusselse Leo is tien jaar samen met haar vriend Simon. Verbonden door een moeizame jeugd, heeft het koppel weinig anders nodig dan elkaar. Tot alles kantelt: Simon komt midden in de nacht thuis en lijkt vanaf dat moment iemand anders. Langzaam valt Leo's minutieus opgebouwde bestaan uiteen, tot het punt waarop het gevaarlijk wordt.

Ik ben er niet is een verhaal over toewijding en verraad, over twee mensen die op hun eigen manier gemankeerd zijn, maar die hun uiterste best doen opgemerkt te worden, lief te hebben en te leven.

Lize Spit (1988) debuteerde in 2016 met Het smelt. Ze werd genomineerd voor vele prijzen, waaronder de Libris Literatuur Prijs en ze won o.a. de Boekhandelsprijs en de Bronzen Uil. Ook in het buitenland oogstte Het smelt veel succes. Ik ben er niet is haar tweede roman.

Toon meer Toon minder
€ 25,99

Verwachte leverdatum: dinsdag 09 maart


Taal
Nederlands
Bindwijze
Paperback
ISBN
9789493168718
Verschijningsdatum
december 2020
Druk
1
Aantal pagina's
pagina's
Illustraties
Ja
Nurcode
301: Literaire roman, novelle
Categorieën

Auteur
Uitgever
Das Mag Uitgeverij B.V.

Service & contact

Heb je ons nodig? Onze klantenservice helpt je graag verder

Klantenservice

Gratis bezorging

vanaf € 17,50

Retourneren

retourneer je artikel

Op werkdagen voor 23:00 besteld

morgen in huis

Stevig verpakt

bezorgd door PostNL

Veilig en snel winkelen

Betaalmogelijkheden