Al mijn moeders

Woensdag, 30 maart, 2022

Geschreven door: Anita Terpstra
Artikel door: Marijke Laurense

Een familiegeschiedenis van analfabeten, armen en arbeiders

[Recensie] Stamboomonderzoek, je wortels vinden, jezelf kunnen herkennen in je voorgeslacht – de mensheid is er voorlopig nog niet over uitgeschreven. Journaliste en thrillerauteur Anita Terpstra (1974) schreef een paar jaar terug al Het huis vol, over de onvoorstelbaar grote gezinnen waarin haar ouders in de Friese Wouden waren opgegroeid en de armoede die daarmee gepaard ging, ook in emotioneel opzicht.

Voor haar nieuwe boek, Al mijn moeders, duikt ze nog dieper het verleden in en volgt ze het spoor zeven generaties terug, tot halverwege de achttiende eeuw. Hoe zag het leven van met name al haar (bet/over/groot)moeders eruit, die kinderen kregen met een Evert, Johannes of Hendrik Borger?

Om daar een beeld van te krijgen lijkt onbegonnen werk. Onder Terpstra’s voorouders waren armoe en analfabetisme troef en op een enkele mondharmonica of broodtrommel na viel er nooit wat te vererven – hoe zou iemand in een plaggenhut ooit op de gedachte komen om zoiets chics als een familiearchief aan te leggen? Toch komt ze een heel eind dankzij internet en de hulp van het openluchtmuseum op de hei van Harkema, waar de Borgers rond 1850 uit armoede verzeild waren geraakt.

Terpstra’s wangen gloeien in deze familiegeschiedenis regelmatig van schaamte en verontwaardiging. Want misschien denkt een niet-Fries bij Harkema op z’n hoogst aan de legendarische Boys uit het amateurvoetbal, in het noorden hebben de ‘Harrekieten’ vanouds een barslechte naam als messentrekkers, criminelen en onverbeterlijke asocialen, die geen aanleg zouden hebben voor vast werk, burgerlijke spaarzaamheid en hygiëne.

Scènes

En inderdaad: ook in Terpstra’s voorgeslacht zat pijnlijk vaak iemand (m/v) in de gevangenis voor mishandeling, drankmisbruik en diefstal, bijvoorbeeld van een portie bonen, erwten en een stukje spek of van maar liefst tweeduizend berkenboompjes uit het bos van baron van Heemstra.

Wilden de Harkemase Borgers gewoon niet deugen? Of lag hun ongezeglijkheid toch vooral aan de langdurige en enorme armoede in dit godverlaten afvoerputje van de Friese Wouden, waar grote gezinnen nog tot halverwege de vorige eeuw in zelfgemaakte holen, plaggenhutten (‘spitketen’) en kippenhokken ‘woonden’? In tijden van ziekte en werkloosheid voortdurend moesten bewijzen dat ze die paar gulden in de week van de armenzorg heus nodig hadden voor eten of een paar klompen? Waar kindersterfte, hongersnood en epidemieën nog genadelozer toesloegen dan elders in het land?

Het is Terpstra niet gelukt van elke moeder sinds 1759 een afgerond persoonlijke verhaal te achterhalen, daarvoor zijn de bronnen helaas te schaars. Maar in haar speurtocht heeft ze wel een nog altijd schokkend stuk regionale sociale geschiedenis opgegraven, met ruime aandacht voor het lot van vrouwen. Over hoe de Friese adel en Holland in de Gouden Eeuw rijk werden van het zware en schamel betaalde werk in de turfstekerij, ook van vrouwen en kinderen, over de rechteloosheid van dienstbodes, over de erfelijkheid van armoede en het stigma dat daaraan kleeft.

Terpstra zelf heeft zich mede dankzij haar moeder aan de armoede ontworsteld: anders dan haar voorouders kon en mocht ze ­doorleren. Met nu dan als resultaat een geschiedenis van een familie die alle ellende toch maar wist te overleven. En dat is iets waar ze zich volgens mij echt niet voor hoeft te schamen.

Eerder gepubliceerd in Trouw en op Marijke Laurense