Architectuur en al het andere

Donderdag, 10 november, 2016

Geschreven door: Adolf Loos
Artikel door: Christian Jongeneel

De vermakelijke pedanterie van Adolf Loos

[Recensie] “De Papoea tatoeëert zijn huid, zijn boot, zijn peddel, kortom alles binnen handbereik. Hij is geen misdadiger. De moderne mens die zich tatoeëert is een misdadiger of een gedegenereerde. In sommige gevangenissen heeft tachtig procent van de gedetineerden een tatoeage. De getatoeëerden die niet in het gevang zitten, zijn latente misdadigers of gedegenereerde aristocraten. Als een getatoeëerde in vrijheid sterft, dan is hij toevallig een paar jaar voor hij een moord zou begaan gestorven.”

Al aan het begin van een van zijn beroemdste teksten Ornament en misdaad brengt Adolf Loos de stemming er lekker in. Architecten die ornamenten aanbrengen zijn crimineel. De argumentatie daarvoor wordt niet veel sterker dan dat ornamenten iets zijn voor achterlijke Papoea’s waar de moderne mens zich ver boven zou moeten verheffen.

Wie zo hier en daar eens wat leest in de onlangs verschenen bundeling van Loos’ columns, Architectuur en al het andere, begrijpt onmiddellijk waarom hij niet zo heel geliefd was bij zijn tijdgenoten van de Art Nouveau. Al zijn drie vrouwen waren hem binnen een paar jaar zat. In 1928 werd hij veroordeeld wegens seksuele handelingen met hele jonge meisjes. Kortom, niet zo’n aangename man.

Modderput

Awater

Maar goed, W.F. Hermans was ook een pedant kereltje, en die heeft evengoed vermakelijke en rake boutades geschreven. Want vermakelijk is het werk van Adolf Loos zeker, al houdt hij in zijn taalgebruik juist weer wel van uitweidingen en tierelantijnen. Hij beledigt er een eind op los, waarbij duidelijk wordt dat zijn vaderland Oostenrijk een soort achterlijke modderput in het hart van Europa is, dat oneindig ver achterloopt bij de Amerikanen, die in hun ontwerpen absolute voorrang geven aan functionaliteit. Zelfs in een ontroerende necrologie van een vriend lukt het hem niet zijn boosheid op alles en iedereen te verbergen.

Toch zou het verkeerd zijn om de bundel alleen om zijn vermaakswaarde te lezen. Aan de stukken ligt wel degelijk een visie ten grondslag waarin Loos zijn tijd ver vooruit was, namelijk dat architectuur en kunst twee gescheiden werelden dienen te zijn. In de architectuur draait het om de bruikbaarheid van het gebouw, in de kunst om de individuele expressie van de maker. Ornamenten zijn in die visie een vervuiling van de architectuur met kunst.

Nu kun je beweren dat die opinie een kwestie van smaak is, maar dan ben je dus een postmodernist, waarmee de modernisten het al enkele decennia aan de stok hebben. Dergelijke relativering is aan modernistische architecten namelijk niet besteed. En dat lees je dus in vele toonaarden in deze bundel.

Eerder verschenen in Delta


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.