Berta Isla

Vrijdag, 18 november, 2022

Geschreven door: Javier Marías
Artikel door: Nico van der Sijde

Weer zo’n merkwaardig meanderende Marias

[Recensie] Berta Isla, Marias’ nieuwste roman, heeft alle kenmerken waar zijn fans zo van houden: een minimum aan actie, gecombineerd met een maximum aan wikkende en wegende reflectie, in eindeloos meanderende zinnen vol komma’s en elkaar tegensprekende of nuancerende enerzijds- anderzijds overwegingen of nevenschikkingen van aarzelende alternatieven. Zinnen die uiterst behoedzaam iets omcirkelen wat geheim blijft, of een kern proberen te grijpen die ongrijpbaar blijft. Zinnen ook vol duistere passages, of ambigue citaten uit werk van b.v. Shakespeare, T.S. Eliot of Dickens: passages die de personages als duistere raadsels bespoken. En die bovendien in latere zinnen weer worden herhaald, nu vanuit een iets ander perspectief en vanuit een andere context of vanuit een nieuw voortschrijdend inzicht. Maar door die herhaling worden deze passages eerder duisterder dan helderder: de herhaling maakt voelbaar dat het gaat om “iets” waarmee de personages obsessief worstelen, doch verheldert niet definitief wat dit “iets” is. Reflectie op het geheim, zonder dat dit geheim wordt opgehelderd, en reflectie op wat het betekent om in onopgehelderde raadselen te moeten wonen: dat is naar mijn gevoel waar het bij Marias altijd om gaat. Ook in Berta Isla.

Onvoorspelbaar plot
Deze reflectie is in Berta Isla opgehangen aan een even buitenissige als onvoorspelbare, en- door alle reflectie – uitermate trage plot. Hoofdpersonen zijn Berta Isla en Tomás Nevinson, die in de jaren ’60 met elkaar huwen, maar die grotendeels zonder elkaar moeten leven. Sterker nog: 12 jaar lang, vanaf de Falkland-oorlogen tot ergens in de jaren ’90, is Tomás spoorloos. En als hij, na al die jaren, en na al die jaren dood te zijn gewaand, ineens weer bij Berta terugkeert, herkent zij hem eerst nauwelijks. Wat nog wordt versterkt doordat ze hem voor die tijd ook vaak niet meende te kennen: wegens duistere en voor Berta (en de lezer) geheime werkzaamheden voor de Britse M16, verdwijnt Tomás vaak weken of maanden van de aardbodem, om vervolgens terug te keren in bijna onherkenbare gedaante. Een onherkenbaarheid die nagenoeg structureel is, door Tomás uitzonderlijke talent voor vermommingen, imitaties, talen en dialecten, gedaanteveranderingen en mimicry. Zijn uitzonderlijke talent dus om echt om het even welke identiteit aan te nemen, en op basis van dit rollenspel vervolgens in om het even welk gezelschap te infiltreren. Wat hem geknipt maakt voor zijn functie als spion, infiltrant en geheim agent. Maar wat hem ook tot een veelvormig spook maakt: iemand die ontelbaar veel identiteiten kan voorwenden, maar zelf geen grijpbare identiteit heeft. Een raadsel dus voor Berta Isla, en een kwellend raadsel voor zichzelf.

Raadsel
Precies dat raadsel staat voorop in de hoofdstukken waarin Tomás centraal staat (verteld in de derde persoon), en in de hoofdstukken waarin Berta centraal staat (verteld in de ik-vorm). Het raadsel wordt dus vanuit twee verschillende perspectieven belicht, die elkaar wel aanvullen – de lezer weet bijvoorbeeld hoe Tomás ‘geronseld’ wordt, Berta weet dat niet- maar zonder dat dit een compleet totaalbeeld oplevert. Je kunt als lezer weinig meer doen dan meebewegen met de meanderende reflecties van Tomás en Berta, die het raadsel omcirkelen en verdiepen maar niet oplossen. Fans van Marias, zoals ik, verwachten niet anders en houden hier ook van. Want juist in het omcirkelen is Marias een meester. Voor niet- fans is het echter allemaal veel te wijdlopig en te traag. En ook ik, als fan, vond dit boek toch behoorlijk wat saaier en beduidend minder intrigerend dan de trilogie Mijn gezicht morgen, of De verliefden, of Zo begint het slechte. Ik vond bijvoorbeeld de plot op sommige punten ronduit ongeloofwaardig of geforceerd, met name daar waar onthuld word hoe Tomás is geronseld. Soms vond ik de reflecties en herhalingen bovendien al te uitgesponnen, en de eindeloos herhaalde citaten wat al te geforceerd. Prachtig hoe Tomás lijkt op Henry V. uit het gelijknamige toneelstuk van Shakespeare, die zich in vermomming onder zijn soldaten begeeft, maar dat Berta en Tomás dan pagina’s lang daarover doorpraten door middel van een detailanalyse van Shakespeares toneelstuk……. Nee, dat ging er maar matig bij mij in.

Raadselachtig, onheilspellend
Maar ja, misschien lag dit ook gewoon aan mij: ik las het boek in kleine rukjes, terwijl ik een doe-vakantie deed, en dat is niet de beste manier. Bovendien vond ik veel aan het boek juist ook weer wel intrigerend. Bijvoorbeeld de resonanties in Berta Isla van eerder Marias-werk: Aller zielen en de trilogie Mijn gezicht morgen. Ook in die boeken worden Spanjaarden verleid tot spioneren voor de Britse geheime dienst, o.a. door twee personages die in Berta Isla weer terugkeren: de Oxfordse geleerde Peter Wheeler en de raadselachtige Bertram Tupra. Ik ben niet zo’n devote Marias-fan dat ik alle kruisverwijzingen ga natrekken, maar één ding valt op: Wheeler en vooral Tupra opereren behoorlijk wat boosaardiger dan in de vorige Marias- boeken, en op een nog andere raadselachtige manier dan eerst. Wat beide personages, die in de vorige boeken al zo intrigerend raadselachtig waren, met terugwerkende kracht nog raadselachtiger en intrigerender maakt. En ook onheilspellender, wat achteraf nog wel een laag van onheilspellendheid toevoegt aan Aller zielen en Mijn gezicht morgen. Bovendien bevat Berta Isla ook veel fraai geformuleerd boos protest tegen de misdaden die overal ter wereld door allerlei geheime diensten worden begaan, en veel fraai geformuleerde wanhoop daarover, gecombineerd met doorschemerend treurig besef van een onoplosbare paradox: wat geheime diensten aanrichten is vaak ontoelaatbaar, en tegelijk zijn zij essentieel voor het beschermen van onze veiligheid en rust. Deze problematiek wordt in Berta Isla naar mijn smaak scherper en pregnanter verwoord dan in “Mijn gezicht morgen”, dus voegt Berta Isla iets wezenlijks aan dit toch superieure boek toe. Ook trouwens door onze aandacht te vragen voor de afgronden van ongewisheid en onbekende gewelddadigheid die gapen onder onze ogenschijnlijk stabiele veiligheid en rust.

Balling van het universum
Fascinerend vind ik bovendien de existentiële vragen die Berta Isla oproept. Het ijle, veranderlijke en onbepaalde spookbestaan van Tomás wordt in sommige passages adembenemend voelbaar gemaakt, evenals de verbijstering van Berta over Tomás volkomen fluïde en ongrijpbare identiteit. Prachtig is beschreven hoe beiden, om steeds andere ongrijpbare redenen, zich “ballingen van het universum” voelen: speelballen van het lot, voortgeduwd door onkenbare krachten of invloeden van buitenaf en niet in staat om zelf de loop der dingen te beïnvloeden. Allebei ook gedoemd tot wachten, en wachten, en wachten: Berta op de terugkomst van Tomás, en Tomás op een onvoorspelbaar en ondoorgrondelijk bevel dat weer de start zal zijn van een onvoorspelbaar en ondoorgrondelijk avontuur. Prachtig is ook hoe zowel Berta als Tomás raadsels zijn voor elkaar en zichzelf, en hoe zij allebei steeds meer doordrongen raken van de totale zinloosheid van het bestaan. Maar even prachtig is hoe zij, ondanks dit toenemende zinloosheidbesef, en ondanks het toenemende besef dat zij elkaar en zichzelf niet kennen, en ondanks alle teleurstellingen en verraad, toch vasthouden aan hun relatie, hoe wankel en ongewis en ongedefinieerd deze ook is. Dat alles is des te intrigerender en ontroerender omdat Tomás en Berta, hoe uitzonderlijk ook, toch herkenbaar blijven: wij, lezers, zijn niet zo vol van geheimen en raadselachtige rolverwisselingen als Tomás, en we worden niet zo drastisch met een onkenbare echtgenoot geconfronteerd als Berta Isla, maar ook ons leven en onze relaties zijn van zinloosheid, onbepaaldheid en onkenbaarheid doordesemd. Ook wij zijn “ballingen van het universum”, net als Tomás en Berta, en pure figuranten in een bestaan waarop wij geen enkele fundamentele invloed hebben. Het enige verschil is dat Tomás en Berta dit veel scherper beseffen dan wij, door de uitzonderlijkheid van hun lotgevallen. Maar daardoor zijn zij zich ook scherper bewust van de existentiële vragen die Marias oproept: hoe te leven met de totale onkenbaarheid van jezelf en de ander, hoe om te gaan met het besef dat je een “balling van het universum” bent die geen enkele greep heeft op zijn lot?

Mooi aan Berta Isla vind ik dus hoe Marias deze vragen voelbaar maakt via de meanderende reflecties van Berta en Tomás op hun ondoorgrondelijke lot. En mooi vind ik vooral hoe Marias via die reflecties voorzichtig laat zien dat het, misschien, mogelijk is om dit ondoorgrondelijke lot te accepteren. Dus om gelaten en met droefgeestige berusting en volharding te aanvaarden dat je een balling van het universum bent. Zoals ook Berta Isla en Tomás Nevinson dit in Berta Isla lijken te doen.

Eerder verschenen op Hebban

Dans Magazine