Bezonken rood

Dinsdag, 21 juni, 2022

Geschreven door: Jeroen Brouwers
Artikel door: Nico van der Sijde

Meedogenloos literair zelfonderzoek, tastend in de mist

[Recensie] Meteen na Het verzonkene, deel 1 van Brouwers’ IndiĆ«-trilogie, las ik Bezonken rood: het 2e deel van die trilogie en Ć©Ć©n van Brouwers’ meest gelauwerde en bekende boeken. Ook wellicht een van zijn schrijnendste: het is een meedogenloos zelfportret van een angstig mens vol walgende zelf- en levenshaat, en een naar de strot grijpende beschrijving van zijn door het Jappenkamp verscheurde jeugd. Waarbij ik niet alleen gegrepen werd door de inhoud van dit boek, maar ook en vooral door de ongelofelijk knappe stijl en compositie ervan.

In Het verzonkene hadden we al kunnen lezen dat Brouwers’ moeder voor hem “de allermooiste moeder” was in zijn prille jeugd, maar dat moeder en zoon daarna geheel van elkaar vervreemd waren geraakt. Bezonken rood werkt dat motief verder uit, via flashbacks die in gang worden gezet door het eenzame sterven van Brouwers’ moeder in een bejaardentehuis. Flashbacks die samengaan met heel indringende zelfbeschrijvingen van de door angst en zelfhaat geteisterde Jeroen Brouwers: “Soms is mijn angst zo erg dat het mij voorkomt dat mijn gezicht op een papperige manier vloeibaar is geworden en bezig is in klodders van mij af te druipen, – na de angstaanval is het of ik een ander gezicht heb gekregen en ik mijn eigen vertrouwde spiegelbeeld niet zal herkennen”. Of: “Ik zag al dat ik uit mijzelf was weggeleid: aan de andere kant van het raam, op minder dan een meter van mij vandaan, stond misschien mijn andere, mijn door angst bevangen ik, – in ieder geval stond daar een naakte vent in de mist, wiens gezicht uit brij-achtige viscositeit bestond die bezig was in klodders van hem af te druipen”. Twee citaten waar de vervreemding, de existentialistische angst en de gespletenheid van af druipen: in beide citaten wordt het ik (de identiteit, de eigen persoonlijkheid) beleefd als vloeibaar, in beide citaten wordt het spiegelbeeld nauwelijks meer herkend, en in het laatste citaat is Brouwers’ in het raam gespiegelde evenbeeld pure viscositeit die vervaagt in de mist. “Viscositeit” lijkt mij een toespeling op “Walging” van Sartre: de betekenisloze, walgelijke, vormloze plakkerigheid van de werkelijkheid, die je ervaart als alle houvast gevende conventies en begrippen wegvallen. Precies dat ziet Brouwers, naar zichzelf kijkend in de spiegel. Precies zo ervaart hij zijn eigen ik. Geen wonder dus dat hij zich in Bezonken rood afvraagt waarom hij zo is, en hoe hij zo is geworden. En precies die vraag dringt zich pregnant aan hem op door het bericht van zijn moeders dood.

De flashbacks geven geen sluitend antwoord op die vraag: om te beginnen door hun heterogene karakter, waardoor ze geen lineair en sluitend verhaal vormen, maar ook door de onbeschrijflijke inhoud ervan. Brouwers herinnert zich flarden en tekent deze op, maar vaak zonder goed te kunnen duiden wat hij heeft opgetekend. Een van die herinneringen beschrijft hij als: “Tot op de huidige dag onthouden en hier uiteindelijk dan maar neergeschreven met de bedoeling om te laten staan en niet straks weer onleesbaar te maken, – in afwachting van het tijdstip waarop misschien de ontraadseling van alle dingen plaatsvindt”. Oftewel: ooit worden die raadsels misschien ontraadseld, maar in Bezonken rood zijn ze dat nog niet. En over zijn gestorven moeder schrijft hij: “Al is ze nu dood, misschien tĆ²ch vind ik haar, ooit, ergens, in een of andere mist, misschien in mijn eigen geschriften”. Of ook: “Weliswaar was zij mijn moeder, weliswaar was zij mijn moeder niet. Zij was in mijn leven zoals de wind: soms mij aanrakend, maar overigens niet aanwezig”. Dat betekent voor mij dat hij haar ook in Bezonken rood niet heeft gevonden, dat zij voor hem altijd ongrijpbaar is gebleven, en dat de naar haar tastende flashbacks deels tasten in de mist en daardoor ook getuigen van dat gemis. En ook, in mijn beleving, van het gevoel dat hij de vervreemding die tussen haar en hem is opgetreden zelfs achteraf niet sluitend kan verklaren. Zoals er eigenlijk niets verklaard wordt in Bezonken rood: raadsels worden in mijn beleving als raadsels getoond, of zelfs nog verder uitvergroot, maar nooit ontraadseld. “Ooit zou ik opschrijven dat ik daar liep, onder mijn hoed, in dat kamp, en dat ik daar de dingen zag die onbeschrijfelijk zijn en niettemin door mij moeten worden beschreven”, schrijft Brouwers. In die beschrijvingen wordt de onbeschrijfelijkheid volgens mij juist bewaard, of zelfs benadrukt: elke beeldspraak en beschrijving in Bezonken rood frappeert mij door zijn raadselachtigheid, elke flashback omcirkelt volgens mij “iets” wat verhuld blijft en vaak verdwijnt in de mist.

Wel bevat Bezonken rood al vrij vroeg een pregnante oerscĆØne, die in iets andere vorm ook in Het verzonkene stond: de scĆØne waarin de jonge Brouwers wordt afgeleverd bij een pensionaat, en zich volkomen verraden voelt door zijn moeder. Die zeker vanaf toen dus niet langer zijn “mooiste moeder” is. Die scĆØne gaat als volgt: “Als ik bij het pensionaat word afgeleverd draagt mijn moeder een grijze sombrero- achtige hoed met een voile, die de hele tijd op de rand van die hoed heeft gelegen, maar die voor haar gezicht valt als zij zich naar mij overbuigt om mij een afscheidszoen op mijn mond te geven, – dit ‘voorval’ is tekenend voor de rest van mijn leven: wij kussen elkaar door een traliewerk van spinnenweb. Het traliewerk tussen mij en het verraderlijke vrouwendom is nooit meer opgetrokken, – mijn haat jegens moeders siert sedertdien mijn ‘levensbesef'”. Wat hem vooral raakt is hoe anders deze moeder is dan de moeder die hem vijf jaar tevoren nog beschermde, in het Jappenkamp. Daarom zegt hij, in totale woede, ook: “Wel begrijp ik het verschil tussen deze moeder en de moeder van amper vijf jaar geleden: DEZE moeder verraadt mij, – waarom heeft men haar in het Jappenkamp niet doodgeslagen?”. Maar die woede is in mijn beleving vooral onmacht: hij begrijpt wel het verschil tussen de beide moeders, maar niet het waarom ervan; hij begrijpt ook achteraf niet waarom zijn ooit zo beschermende moeder hem nu verraadt. Precies dat niet – begrijpen, en de machteloze woede daarover, maakt Brouwers naar mijn gevoel prachtig voelbaar.

Bovendien, het raadsel blijkt nog dieper te liggen, en al in het Jappenkamp te beginnen. In het Japanse kamp waar de nog piepjonge Brouwers samen met zijn moeder in geĆÆnterneerd was, tijdens WO II. Brouwers vertelt erg indringend over de verschrikkingen van dat kamp. Bijvoorbeeld in puur registrerende zinnen, die juist door hun ogenschijnlijke emotieloosheid hard bij de lezer binnen komen. Emotieloosheid die ook te maken heeft met de niet- begrijpende en niets voelende blik van Brouwers als kind. En wellicht ook met de nog steeds niet begrijpende en met gevoelsambivalenties kampende blik van de volwassen Brouwers. Maar ook heel treffend zijn de barokke beelden, zoals alleen Brouwers die in huis heeft. Zoals “Ik heb in dat kamp rode vliegen gezien, boven mij of om mij heen lasso’s trekkend door de lucht terwijl het bloed van hun vleugels droop”. Een beeld dat extra geladen is door de vele passages ervoor en erna waarin dode of zieke kampgevangenen worden omzwermd door honderden vliegen. Of: “De dood is een monumentale bloedrode kikker. Hij zit vraatzuchtig aan de over van een brede stroom, die de stroom van zielen is. Als een harpoen werpt hij zijn tong uit, bedaard laat hij zijn kaken malen, waartussen het ritselt voordat hij slikt, – dan richt hij zijn harpoen opnieuw. Waar hij zit klinkt een gekwaak van tal van nagesynchroniseerde talen, uitgestoten door zijn knechten. Waar hij zit is geen zonsopgang meer, de zon staat eeuwig rood in het centrum van een of ander heelal, eeuwigdurend in de mist”. Die laatste passage heeft wel een heel hoge poĆ«tische concentratie, zoals vaker bij Brouwers, en ook een rijke waaier aan associaties met eerdere en latere motieven in deze roman. De “nagesynchroniseerde talen” doen bijvoorbeeld denken aan een eerdere passage waarin Brouwers, verward gestemd, kijkt naar een Japanse verfilming van Macbeth die in het Duits nagesynchroniseerd is. Zodat de talen van beide in WO II verbonden As-mogendheden zich op unheimliche wijze vermengen. De “bloedrode” kikker roept bovendien associaties op met het “kikkeren” van de kampgevangenen: die moesten soms urenlang kikkersprongen maken, “kwaak kwaak” roepend, soms met de dood of pijnlijk letsel tot gevolg. Dat “kikkeren” wordt door Brouwers in diverse eerdere passages indringend opgeroepen, en op allerlei onbewaakte momenten roept hij “kwaak, kwaak”: zo diep zit het kikkeren (en de bloedrode kikker) dus in de haarvaten van zijn brein. De bloedrode kikker eet, zo neem ik aan, muggen en vliegen: dat geeft weer associaties met het net genoemde vliegenmotief. Voorts zijn er associaties met Japan als “het land van de rijzende zon”, en de Japanse vlag die wit is met in het centrum een bloedrode zon. Wat Brouwers dan weer associeert met de mist, die in veel van zijn herinneringen alles omhult. Ik word nogal geraakt door dat motief van de mist, door de poĆ«tische meerduidigheid van de scĆØne als geheel, en door wijze waarop het “bloedrood” – en daarmee de totale bloederigheid – ons in verschillende associaties tegemoet komt. Want voor mij benadrukt dat alles hoe onbeschrijfelijk en ongrijpbaar deze herinneringen aan het kamp voor Brouwers waren. Zo ongrijpbaar dat hij ze ook als raadsels wilde tonen, en dus in meerduidig associatieve beelden wilde vatten.

Dat wordt nog versterkt door Brouwers’ zinnen over de littekens die deze ervaringen in hem achterlieten. Daarbij gaat het om een onoplosbare wroeging: als kleuter keek hij alleen met open ogen naar alle verschrikkingen, begreep hij het verschrikkelijke ervan niet, voelde hij er niets bij en moest hij er vaak zelfs om lachen, en nu ACHTERAF haat hij de gretig alles in zich opnemende kleuter die hij toen was. Maar bovendien begint in het kamp ook de verwijdering van zijn “mooiste moeder”, omdat zij totaal wordt afgetuigd, en haar schoonheid daarmee wordt vernietigd. “Geboekstaafd is: ‘Mijn moeder was de mooiste moeder, op dat moment hield ik op van haar te houden'”. aldus Brouwers. En ook: “Vanaf dat moment ben ik verdwaald. Mijn afkeer van het leven en mijn verlangen om er niet te zijn. Vanaf dat moment weet ik dat ik verder, voortaan, altijd het liefst alleen zou wensen te zijn, zonder mij aan iemand of iets te hoeven binden, want ik wil niet zien hoe mijn liefde en de schoonheid die ik koester worden verwoest of beschadigd. Ik dacht op dat moment: nu wil ik een andere moeder, want deze is kapot,- zoals ik decenniĆ«n later, staande bij de tafel waar men bezig was de beschadigingen aan het lichaam van mijn lieve vrouw met een sikkelvormige draad te herstellen, dacht: nu wil ik een andere vrouw”.

Sommige lezers zullen dit als een psychologische verklaring lezen. Zo van: dat kamptrauma, de aanblik van zijn in elkaar geslagen moeder, en later het trauma dat hij in een pensionaat wordt opgenomen, DAT verklaart allemaal waarom die Brouwers zo aan het leven is gaan lijden. Maar ik lees die trauma’s vooral als pijnlijk onoplosbare raadsels, waar Brouwers (in Bezonken rood althans) nog steeds mee worstelt, en die zijn wanhopige kwellingen niet verklaren maar verdiepen. Temeer omdat de hierboven aangehaalde passages niet samengaan met een “Aha!”- gevoel of met zelfacceptatie, maar met onrustige nachtmerries, fantasieĆ«n en dromen. Een fantasie bijvoorbeeld waarin Brouwers verdwaald in een mistig bos, wachtend op een onthulling, en wat er onthuld wordt is: niets. Of een droom waarin Brouwers zich helemaal identificeert met de Japanse kampcommandant die Brouwers moeder in elkaar trapt, waarbij die moeder weer versmelt met een geliefde van vroeger. Of nog een andere droom, waarin Brouwers zichzelf juist met zijn moeder identificeert terwijl ze in elkaar wordt getrapt. Ja, al die flashbacks over het kamp en over zijn moeder werden aangezwengeld door de prangende vraag: wie ben ik, hoe komt het dat ik ben zoals ik ben? Maar die vraag wordt nooit beantwoord: het raadsel wordt alleen verder vergroot, en met barokke dromen versterkt.

Ik bewonder Bezonken rood dus vooral als een literair zelfonderzoek. Daarbij vind ik het extra spannend dat ik nooit helemaal kan zien in hoeverre het boek letterlijk “waar gebeurd” en “autobiografisch” is. Ja, de hoofdpersoon heet Jeroen Brouwers, noemt enkele boeken die de ons bekende schrijver Jeroen Brouwers inderdaad schreef, en ja, Jeroen Brouwers heeft in een Jappenkamp gezeten en een ongemakkelijke verhouding met zijn moeder gehad. Maar in Bezonken rood heeft hij, ook naar eigen zeggen, zijn herinneringen vaak uitvergroot of vervormd met zijn verbeelding, en sommige van zijn kampervaringen heeft hij niet ontleend aan eigen ervaringen maar uit boeken over andere kampen. Kortom: veel in dit boek is verzonnen of vervormd. Sommige critici hebben Brouwers om die reden onwaarachtigheid verweten, hem zelfs voor charlatan uitgemaakt. Wat hun goed recht is, misschien zelfs verdedigbaar is. Maar ik opper een andere interpretatie: misschien stootte Brouwers, bij het onderzoeken van zijn eigen ervaringen en zijn eigen ik, op de ontroereikendheid van “normale” autobiografische en psychologiserende antwoorden, en misschien koos hij daarom voor fictie vol vervreemdende beelden. Of, anders gezegd: misschien had hij de instrumenten van de romancier – vervreemdende beelden, ambigue associaties, passages die uitmonden in dubbelzinnige mist- nodig om de verbijstering te laten zien die hem trof als autobiograaf. En voor mij als lezer is het juist extra opwindend: ik sta paf omdat ik zo meeleef met een schrijver die paf staat bij het raadsel van zijn eigen autobiografie, en mijn eigen paf staan wordt dan zelfs nog versterkt omdat de grenzen tussen fictie en autobiografie voor mij vervagen. Zodat ik vaak niet eens weet of het gaat om nauwelijks te bevatten herinneringen of om nauwelijks te bevatten dromen of fantasiebeelden. En zodat ik er extra van word doordrongen dat droom en werkelijkheid soms onderscheidbaar zijn in Brouwers’ geplaagde brein.

Ik was heel ingenomen met Het verzonkene, en ben dat nu dus ook met Bezonken rood. Een zekere mate van Brouwers-verslaafdheid heeft zich kortom van mij meester gemaakt. Dus ga ik nu vol verwachting verder met het laatste deel van de Indische trilogie: De zondvloed, het boek dat Brouwers een tijd lang zag als afsluiting van zijn oeuvre.

Eeerder verschenen op Hebban

Foodlog