Boek van de Maand 'Ik zie je'... Roelant meets Michael Berg

Donderdag, 31 oktober, 2019

Geschreven door: Michael Berg
Artikel door: Roelant De By

Ik zie je van Michael Berg stond de hele maand in de kijker als Boek van de Maand. Naar goede gewoonte sluiten we deze af met een interview. Roelant – onze vliegende reporter – had een toffe, openhartige babbel met Michael.

We ontmoeten elkaar in Michaels nieuwe woning in Zuid-Limburg. Een prachtige, ruime bungalow waar hij en zijn vrouw Hedie sinds kort wonen. Een Yamaha vleugel domineert de huiskamer.

Michael: ‘Ik ben in 2004 met mijn eerste vrouw naar Frankrijk vertrokken. Alles achter ons gelaten, weg van de drukte en hectiek van Nederland. Na het opknappen van het huis, of bouwval moet ik zeggen, ben ik begonnen met het schrijven van boeken. Ik zie je is mijn negende boek. Na een lang ziekbed is mijn vrouw in 2015 overleden in Frankrijk. Ik heb heel veel geluk gehad om een nieuwe liefde te ontmoeten. In het begin nog wat heen en weer gereisd tussen Nederland en Frankrijk. Maar ik begreep al snel dat zij niet het type was om in Frankrijk te gaan wonen. In die negorij gebeurt helemaal niets, absolute stilte. Ideaal voor een schrijver, die nergens door afgeleid wordt, maar voor haar was dat niks. Haar leven, met kinderen en kleinkinderen is hier in Nederland. Ik heb zelf geen kinderen dus kan ik me gemakkelijker aanpassen. We hebben samen iets gezocht om een nieuwe start te maken. Sinds zes weken wonen we in dit huis. Ik was mijn Franse huis gelukkig binnen no-time kwijt. Vanwege de ziekte van mijn vrouw had ik het helemaal verbouwd, vloerverwarming, inloopdouche, slaapkamer op de begane grond, totaal levensloop bestendig. Iemand uit Parijs zocht precies zo’n huis: 300 jaar oud met vloerverwarming. Dat had ik.’

Roelant: ‘Wat mooi dat je zo een nieuwe kans hebt gekregen.’

Michael: ‘Ja, dat is een groot geluk. En daarom geen enkele moeite om weer terug te komen. En hier in Limburg, in mijn geboortestreek, is het ook een beetje Frankrijk. De rust en ruimte die je hier hebt, zijn een groot contrast met de Randstad. Daar zou ik niet meer kunnen wonen. Na een dagje Amsterdam ben ik ontzettend blij om hier terug te komen.’

 width=

Roelant: ‘Je hebt totaal geen Limburgs accent.’

Michael: ‘Ik heb in Amsterdam zes jaar op de Kleinkunst Academie gezeten. Eerst ben ik twee jaar repetitor geweest. Ik begeleide studenten als pianist en gitarist. Toen dacht ik: ik wil eigenlijk zelf wel op die school. Na twee jaar als student op de Academie besefte ik dat ik geen grote ster zou worden. Mijn kracht lag meer in het componeren. De laatste twee jaar op die school heb ik me daar mee bezig gehouden. Tegelijkertijd heb ik Nederlands gestudeerd. Na het afronden van die studie ben ik in 1982 bij de publieke omroep in Hilversum gaan werken. Bij de RVU begonnen, ook nog twee jaar bij de televisie gewerkt. Allerlei programma’s gemaakt, redactie, presentatie, interviews. En toen overgestapt naar de radio. Dat was geweldig. Niet meer dat eindeloze overleggen, dat stroperige van televisie. Heel veel programma’s gemaakt op de radio. Meestal over taal, cultuur en muziek. Uiteindelijk heb ik mij toegelegd op radio documentaire. Dat is een beetje mijn ding geworden. Toen ik daarmee begon was dat een genre waar niet zo veel aandacht meer voor was. Die aandacht heb ik opnieuw teruggebracht in Hilversum. Dat liep allemaal heel goed. Toen werd ik gevraagd om zendercoördinator van Radio 5 te worden. Daar zaten immers de documentaires. Gedurende vier jaar heb ik dat gedaan. Een doorn in mijn oog was dat Radio 5 niet via de FM te beluisteren was. Onbegrijpelijk en té gênant voor woorden dat zo’n rijk land als Nederland niet voldoende FM-frequenties heeft. En wij maakten de duurste programma’s op Radio 5. Ik heb enorme reizen gemaakt, uren materiaal en dan kunnen slechts weinig mensen dat beluisteren, maximaal 50.000. Toen ik begon, op Radio 2, hadden we er 600.000. Een enorm verschil. Gelukkig hebben we tegenwoordig DAB+ en is dat probleem opgelost. Op een gegeven moment werd mijn functie opgeheven en had ik mijn buik vol van Hilversum. Op de eerste de beste vacature die er kwam, buiten Hilversum, heb ik geschreven. Dat was Maastricht. Daar heb ik nog vijf jaar gewerkt als programmaleider bij de radio. Toen moedigde mijn vrouw me aan om de boel te verkopen en naar Frankrijk te emigreren: “Dan kun je dat boek schrijven waar je het altijd over hebt.” Zo is het een beetje begonnen. Ik heb heel veel dingen gedaan, met name op het gebied van muziek en schrijven, toen ik bij de omroep zat. Hoorspelen, muziek, dramatische lijntjes in programma’s. Veel creatieve dingen, lekkere programma’s bouwen. Een boek schrijven zat ergens wel in mijn achterhoofd, maar ik had het gewoon veel te druk. Die laatste negen jaar heb ik wel veel geschreven, maar alleen maar beleidsnota’s! Toen mijn vrouw dat zo voorstelde, dacht ik: ok, ik stop ermee en we zien wel. We hebben geen kinderen en kunnen makkelijk zo’n stap wagen. We hadden uitgerekend dat we net genoeg geld hadden als we alles zouden verkopen om het uit te zingen. Niet heel veel, maar we hadden ook niet veel nodig.’

Roelant: ‘Dat was 2004. Je had nog geen boek geschreven, geen inkomen.’

Michael: ‘Ik had niks, zonder enig inkomen vertrokken. Stel dat het niet lukt, dan kom ik nog wel een keer terug naar Hilversum of waar dan ook, dacht ik. Ik heb altijd wel het nieuws bijgehouden en dergelijke. Dat is nog steeds een afwijking. Alsof ik ieder moment moet kunnen aanschuiven en [knipt met zijn vingers] ok, jongens, morgen show, wat gaan we doen? Dat je weet wie er uitgenodigd moet worden.’

 width=
Roelant:’Jinek en Pauw bleef je volgen?’

Michael: ‘Natuurlijk, sterker nog, ik kan ’s ochtends al aanwijzen wie ze die avond in hun programma hebben staan. Maar goed, aangekomen in Frankrijk ben ik na een jaar of twee begonnen met schrijven. Dat was in 2006. Bij mijn eerste boek dacht ik, nou ja, ik weet wel ongeveer hoe het zit; ik heb veel gelezen, de hele Nederlandse literaire schrijverswereld had ik wel een keer voor de microfoon gehad. Ik dacht: ik zal niet verrast worden. Maar ik wist er geen fuck van. Ik wist echt helemaal niks en maakte alle fouten die je maar kon maken. Gelukkig waren er mensen die meelazen en kwam er uiteindelijk toch een bruikbaar manuscript uit.’

Roelant: ‘Had je toen meteen contact met House of Books, de uitgever van al je boeken?’

Michael: ‘Mijn oudste vriendin was directeur van een andere uitgeverij, Luitingh Sijthoff. Die las mee, maar wilde niet bepalen of ik wel of niet in hun fonds ging komen. Dat moest iemand anders beslissen omdat wij bevriend zijn. Prima de luxe. Maar zij regelde wel dat ik bij alle uitgevers bovenaan de stapel kwam. Zoiets heb je nodig als debuterend schrijver. Twee Zomers was mijn eerste boek. Dat gaat over een jonge vrouw, een journaliste, Chantal Zwart heb ik haar genoemd, die verhuist van Parijs naar de campagne en daar allerlei dingen meemaakt. De ene redacteur zei, ja leuk, maar dat lijkt wel heel erg op wat die blonde vrouwen allemaal schrijven. Waarom schrijf je niet een boek over een man van jouw leeftijd? Ja natuurlijk, dacht ik, dat had ik ook eigenlijk moeten doen! Welnu, ik aan het schrijven over een man die vijftig wordt, een vriendschapsthriller. Vrij goed boek, is later Hotel du Lac geworden. Kom ik bij de House of Books, zegt de redacteur daar: een man van vijftig, véél te oud! We willen juist een boek over een jonge vrouw. Ook goed, dacht ik, dat had ik ook nog liggen! Was een beetje een bizarre start. Hotel du Lac is daardoor als vierde boek van mij uitgegeven. Dat is wel mijn doorbraak geworden. Genomineerd voor de Diamanten Kogel, serieuze recensies in landelijke dagbladen enz. Nu gaat het beginnen, dacht ik. Het werd nog niet goed verkocht, maar ik kreeg wel de waardering.’

Roelant: ‘Je hebt weinig contact met het Nederlandse schrijverswereldje als je in Frankrijk zit.’

Michael: ‘Niks. Je zit in je eentje in Frankrijk te prutsen, je weet niet wat er gebeurt. Maar via die nominatie voor de Diamanten Kogel heb ik voor het eerst collega’s ontmoet. En dat was heel leuk. Opeens zit je naast mensen als Elvin Post, Esther Verhoef en Toni Coppers. Dat zijn mensen met wie ik nog steeds contact heb. Gewoon leuk, prettig en echt collegiaal op een fijne manier. Daarna kwam Nacht in Parijs. Daar won ik de Gouden Strop mee. Toen begon het balletje echt te lopen. Het boek dat ik daarna schreef, Heller, was een moeilijk boek voor mijn uitgever. Die verzuchtte dat ik gewoon met Chantal Zwart door had moeten gaan. Daar had ik net de Gouden Strop mee gewonnen! Waarom nu weer iets heel anders? Heller, wat ik nog steeds een fantastisch boek vind, was minder een thriller, meer een roman. Verkoop zeer matig; ze konden het, denk ik, niet plaatsen.’

Roelant: ‘Het is ook niet zo’n goede titel ook, Heller.’

Michael: ‘Heller? Dat was wel precies wat het was. Ik ben ook heel eigenwijs, hoor. Wat is er mis mee?’

Roelant: ‘Het lijkt op Helter Skelter. Er zit Hel (en Verdoemenis) in. Dat zijn geen prettige associaties. Een titel heeft altijd associaties. Voor mij is een positieve klank belangrijk. Ik zie je vind ik een erg goede titel. Prachtige cover, hoewel ik het jammer vind dat het meisje op de voorkant een bikini aanheeft, terwijl je in het boek duidelijk maakt dat de vrouw die bespied wordt naakt zwemt. Maar dit terzijde.’

Michael: ‘Maar goed, door die prijs hadden we bij Heller wel een budget voor marketing. Na de tegenvallende verkoopcijfers van dat boek kreeg ik dat niet meer voor mijn volgende boek, Het Meisje op de Weg. Dat was met Harold [de Croon] als redacteur. Ik voelde me weer terug bij af. Zonder enige middelen hebben we toen door quotes wat bekendheid voor het boek weten te genereren. Erg veel boeken van verkocht. Toen was ik weer back-in business. Hetzelfde is gebeurd met mijn volgende boek, Broertje. Een stevig verhaal, ik denk ook interessant en origineel, dat heel veel waardering heeft gekregen. En dan nu mijn negende boek, Ik zie je. Ik had een verhaal in gedachten en was aan het puzzelen op welke manier ik dat zou gaan vertellen.’

Roelant: ‘Jouw boek begint als een hommage aan die film van Hitchcock, Rear Window, waarin de bedlegerige James Steward uit verveling de buren in de flat aan de overkant gaat bespieden en prompt getuige wordt van een moord.’

Michael: ‘Precies. Het verhaal gaat de constructie van het boek bepalen, hoe loopt het en waar ga ik de camera’s neerzetten. Dat is een beetje hoe ik werk: heel intuïtief. Ik besloot om alles bij mijn hoofdpersoon, Carol, te zetten. Alles vanuit háár perspectief. Tijdens het schrijven merkte ik dat daar een bezwaar bij kwam kijken. Ze was alleen, er was geen dialoog. Toen bedacht ik me: ik laat haar in therapie gaan. Dan krijg je terugblikken van haar gesprekken met de psychiater waardoor steeds stukjes van haar verleden boven komen. Toen had ik mijn constructie te pakken en kon ik het huis van mijn boek gaan bouwen.’

Roelant: ‘Dat werkt erg goed! Maar waarom heb je opnieuw voor een vrouwelijke hoofdpersoon gekozen?’

Michael: ‘In mijn negen boeken speelt zeven keer een vrouw de hoofdrol, dus zo vreemd was dat niet. Maar ik moet toegeven dat ik in het begin aan een mannelijk hoofdpersonage gedacht had. Maar omdat mijn hoofdpersoon met een telescoop de buurvrouw gaat bespieden die naakt aan het zwemmen is, vond ik dat zo ranzig worden als om een man zou gaan. Dat wilde ik niet, want daar ging het niet over. Carol is schrijfster en er gebeurt niet veel in haar leventje. Ze mantelzorgt voor moeder en schrijft boeken, een kortstondige bevlieging met Simon daargelaten. Vervolgens krijgt ze dat schrijversblok en vlucht naar Frankrijk. En dan gebeurt het. Dan overkomen haar allerlei dingen. Door de medicijnen die ze slikt is haar verhaal niet altijd even betrouwbaar en is ze af en toe overmoedig waardoor er nog meer in gang gezet wordt.’

 width=

Roelant: ‘En dat verhaal heb je prachtig opgeschreven, Michael. Dank je wel voor dit bijzonder boeiende gesprek.’

Roelant
Vliegende reporter voor Perfecte Buren

Lees HIER de recensie van ‘Ik zie je’

Eerder verschenen op Perfecte Buren.