Boek van de Maand - Roelant meets ... Jolien Janzing

Donderdag, 29 oktober, 2020

Geschreven door: Jolien Janzing
Artikel door: Roelant De By

 

Historische romans kunnen zich afspelen waar dan ook in het verleden. Romans van ontdekkingsreizigers spreken altijd tot de verbeelding omdat je meegenomen wordt op een tot nog toe onbegaan pad. Wanneer je deze weg vol gevaren op de lezer kunt overbrengen alsof deze het zelf meemaakt, kun je spreken van een bijzonder boek. Het tij hoog, de maan blauw van Jolien Janzing is zo’n boek. We ontmoeten elkaar, nog net voor de lockdown, in een lunchroom te Antwerpen, vlakbij haar woning. Jolien is een mooie vrouw met een heerlijk Vlaams accent en dito woordkeuze.

Roelant: ‘Wat een prachtig boek hebt u geschreven, Jolien. Het leuke van het onderwerp, de Zuidpoolexpeditie, is dat ik op de lagere school met de klas naar de bioscoop ben geweest en we daar een film over Scott zagen die in de race was met Amundsen om de Zuidpool als eerste mens te bereiken. Dat heeft destijds een grote indruk op mij gemaakt en een blijvende interesse in die gebieden gegeven.’

Jolien: ‘Echt waar? Wat leuk. Die film heb ik nooit gezien. Een fictiefilm was het?’

Roelant: ‘Documentaire-achtig, gebaseerd op de dagboeken van Scott die gevonden waren toen zijn lijk, tijden later, in het ijs ontdekt werd. Dit genre, historische roman, vereist een enorme research.’

Jolien: ‘Klopt, maar dat vind ik geweldig om te doen. Ik dompel mij onder in die tijd. Veel mensen hebben het verhaal over de expedities naar Antarctica wel eens gehoord. Mij hebben ze altijd geboeid. Ik vind mentale kracht zoiets belangrijks. Daarom hebben figuren als Amundsen of De Gerlache me altijd gefascineerd. Hoe doe je dat? Hoe zet je je over die angst heen? En over die fysieke uitputting? En dan toch doorgaan.’

Roelant: ‘Spannend hoe u beschrijft dat ze op hun tocht “van de kaart af” varen. Op plekken komen waar nog nooit iemand is geweest.’

Jolien: ‘Ja , dat is vreselijk eng. Maar tegelijkertijd erg boeiend.’

Roelant: ‘Roald Amundsen speelt een belangrijke rol in uw verhaal. U beschrijft hem als een sterke en krachtige kerel met een bijzonder goed fysiek. Maar over vrouwen in zijn leven staat er bijna niets.’

Jolien: ‘In Antwerpen heeft hij enige tijd een maîtresse gehad.’

Roelant: ‘Maar enige tijd voor hij mee op expeditie ging heeft hij haar zonder enige consideratie gedumpt.’

Jolien: ‘Ja, de arme jonge vrouw heeft toen zelfmoord gepleegd. Aan boord hadden ze wel een soort schoonheidswedstrijd.’

Roelant: ‘Met plaatjes en knipsels! Een soort pin-ups.’

Jolien: ‘Dat is allemaal gebeurd. Ik had veel fantastisch materiaal. Allereerst beschikte ik over de dagboeken. Die waren niet alleen accuraat maar ook goed geschreven. Met name Adrien de Gerlache en dokter Cook waren begaafde schrijvers die bijvoorbeeld de landschappen schitterend hebben beschreven. Ik heb daar veel inspiratie uitgehaald. Roald Amundsen was meer praktisch, to the point. Hoeveel zeehonden hebben we gevangen? Hoe dik is de vetlaag? Hoe maak ik deze slaapzak warmer? Deze expeditie is zijn leerreis geweest voor later. Hij was nog erg jong, begin in de twintig. In zijn dagboeken zie je schetsen van slaapzakken, visnetten enzovoorts. Hij was ook maniakaal wat zijn gezondheid en uiterlijk betrof. Op latere leeftijd moest hij een bril dragen, maar hij wilde niet dat dit bekend raakte. Het heeft heel lang geduurd voordat hij in het
openbaar met die bril op verscheen. Hij wilde een soort übermensch zijn.’

 width=

Roelant: ‘Dit is uw derde boek?’

Jolien: ‘Eigenlijk is het mijn zesde boek, maar mijn derde roman die een breder publiek heeft gevonden.’

Roelant: ‘U woont in België maar komt uit Breda, Nederland?’

Jolien: ‘Ik ben geboren in Veenendaal, mijn vader moest daar voor twee jaar voor zijn werk zijn, maar mijn ouders komen uit Breda.’

Roelant: ‘Van het Protestantse Veenendaal naar het Katholieke Breda!’

Jolien: [lachend] ‘Ja, ja, ja, ja. Ik zal dat geloof er maar niet bijhalen. Maar dat was in die jaren best een hele aanpassing voor mijn ouders. Mijn mama was protestant, mijn papa katholiek. Ik ben protestants opgevoed. We zijn naar hier [België] gekomen toen ik drie jaar was. Eerst naar Lokeren. Mijn papa was ingenieur en hielp daar een nieuwe fabriek opzetten. Ik woon pas sinds twee jaar met mijn man in Antwerpen. Een erg gezellige stad. Ik leer hier meer mensen kennen in een week dan vroeger in een jaar. Iedereen babbelt zo makkelijk.’

Roelant: ‘U woont hier ook op een fantastische plek, zo vlak bij de rivier in een schitterend gerestaureerde wijk.’

Jolien: ‘Het is hier heerlijk. Je zit overal vlakbij en het is toch rustig. Zit ik nog dichtbij genoeg voor de opnameapparatuur? Ik ben vroeger journalist geweest, toen nog met cassettes, dus ik ben me bewust van het probleem.’

Roelant: ‘Ja, dat gaat prima, maar vertel. U bent hier in België opgegroeid, naar school gegaan, leren schrijven…’

Jolien: ‘Ik ben vroeg met schrijven begonnen. Mijn mama volgde een cursus dactylo, en kocht daarvoor een kleine, plastic typemachine. Daarop ben ik begonnen. Toen was ik zes, zeven jaar. Mijn eerste verhalen, met tekeningen erbij. Dat zit er gewoon in en dat blijft ook. Onlangs was ik zó moe. Ik heb drie jaar lang hard aan dit boek gewerkt. Ik dacht even: ik stop ermee. Maar dat kan ik niet. Ik ben nu alweer nieuwe plannen aan het maken. Een ware schrijver kan niet stoppen. Het is een drang die niet te bedwingen valt.’’

Roelant: ‘Het is natuurlijk goed om even bij te komen. Even een pauze inlassen.’

Jolien : ‘Vooral terug onder de mensen komen is fijn. Dat is wel moeilijk met corona. Ik heb gelukkig een mooie boekvoorstelling gehad. Ik was superblij. Geen van de aanwezigen is ziek geworden.’

Roelant: ‘Gelukkig! Even terug naar de middelbare school. Hoe is die verlopen, wat hebt u toen gedaan?’

Jolien: ‘Op school volgde ik Grieks en Latijn.’

Roelant: ‘Die klassieke talen zijn ontzettend goed voor je taalgevoel.’

Jolien: ‘Dat is zeker zo. Je hoort wel eens mensen zeggen dat je daar niks mee kunt doen, het zijn dode talen enzovoorts. Maar ik ben er een groot voorstander van. Als ik aan die lessen terugdenk, ben ik ook een beetje ontroerd. Al die prachtige verhalen die we gelezen hebben. We zaten maar met z’n drieën in de Griekse les. Gezellig, en dan die prachtige teksten. Schoonheid is zo belangrijk. Later ben ik voor tijdschriften gaan schrijven. Mijn laatste tien jaar als journalist waren vooral voor het blad HUMO. Ik schreef coverstukken die zo nu en dan ook werden gepubliceerd in Nederlandse bladen zoals HP/De Tijd en Nieuwe Revu. Ik ben een auteur in hart en nieren. Wat ik ook toen deed was verhalen vertellen.’

Roelant: ‘Maar een artikel schrijven of een heel boek schrijven zijn wel geheel verschillende dingen.’

Jolien: ‘Ja, maar zowel aan reportages als aan historische romans komt heel wat detectivewerk te pas.’

Roelant: ‘Research.’

Jolien: ‘Precies. Zo heb ik ooit weken gezocht naar de vader van Dutroux. Die had zich teruggetrokken in een appartement in een Vlaamse stad, maar ik heb hem uiteindelijk gevonden. Hij gaf me een uitgebreid interview. Dat detectivewerk heb ik altijd met veel plezier gedaan en doe ik nog steeds. Ik was ook graag archeoloog geworden. Zoeken, ontrafelen, puzzelen. Enorm boeiend. Ik schrijf historische romans, maar als ik iets hedendaags zou schrijven, zou ik nog steeds research doen. Een stuk van de charme van het schrijven is het vertoeven in een andere leefwereld. Het is een vorm van reizen.’

Roelant: ‘In uw boek waan je je direct in een andere tijd. Prachtig hoe u de leefwereld, de gebruiken van alledag beschrijft. Je kunt helemaal meeleven. Je leert er ook dingen van, dat is ook zo leuk.’

Jolien: ‘Dat vind ik zelf ook zo leuk. En hoe ik het doe? Ik lees heel veel over het onderwerp. En dan fantasie. Fantasie is een spier. Een spier die je sterker kunt maken, die je kunt trainen. Wat ik nú doe, kon ik vroeger niet. Ik ga liggen in bed, voordat ik ga slapen, en ik bén er. Ik ben daar op dat schip.’

Roelant: ‘Maar dan kan je toch niet meer inslapen!’

Jolien: [lachend] ‘Ja, inderdaad. Het klinkt een beetje geschift misschien, maar ik kan er echt zijn, en het voelen. Dat is een gewaarwording die ik vroeger niet had. Een grote verrijking. Vandaar dat ik geloof dat fantasie een soort spier is die je traint. Een geestelijke spier. Van mijn, twee romans geleden, boek De Meester over Charlotte Brontë zijn de filmrechten verkocht. Die optie wordt steeds vernieuwd en vernieuwd. Het duurt zo lang allemaal. Het is een Britse producer, David Kelly, die volgende maand weer op bezoek komt om daarover te praten. Hij is nu in gesprek met een beroemde actrice die graag de regie van De Meester wil gaan doen.’

 width=
Jolien Janzing

Roelant: ‘Films van en over vrouwen staan wel in de belangstelling momenteel. Dat is gunstig.’

Jolien: ‘Hebt u die indruk? Ik ben ook een nuchtere Nederlander. Ik hoop er heel erg op, maar ik lig er niet wakker van. Die belangstelling uit de filmwereld is er gekomen door het Berlijns filmfestival. Daar hebben ze één dag ingeruimd voor het boek en dat heet Books at Berlinale. Dan kijken ze naar boeken die verfilmd kunnen worden. Mijn boek De Meester was toen nog niet uitgegeven, maar de uitgeverij had wel een aantal fragmenten gestuurd. En het werd geselecteerd! Het lovende commentaar was dat het zo filmisch beschreven was. Dat hoor ik wel vaker en dat vind ik een groot compliment.’

Roelant: ‘Dat kan ik me voorstellen. Door uw beschrijvingen zie je de beelden voor je. In uw nieuwe boek Het tij hoog, de maan blauw zie je Antarctica in de winter, in het donker, slechts verlicht door de maan, helemaal voor je.’

Jolien: ‘Dat moet vreselijk zijn geweest, die duisternis. Daarom wilde ik een bevreemdende titel. Ik denk dat je in die donkere winter op Antarctica als je naar buiten kwam, heel vreemde dingen zag. En ervaarde.’

Roelant: ‘Beetje hallucinerend. En ook niet goed voor de gezondheid.’

Jolien: ‘Zeker niet goed voor de gezondheid! Het eten van het rauwe vlees van pinguïn en zeehond bleek uiteindelijk hun redding. Dat is ook hoe die zuidelijke Indianen zich in leven hielden. Die hebben geen verse groente of fruit. Er groeit niets in die ijselijke kou. Het eten werd een probleem op het schip. Ze hadden voldoende conservenblikken mee, maar die waren van matige kwaliteit. Het was in het begin van groenten in blik. Dikwijls kapot gekookt en haast zonder vitaminen. Dat je met pinguïn en zeehond ook in leven kunt blijven, vind ik ook heel boeiend. Het was dankzij de ideeën van Frederick Cook, de dokter, dat de bemanning die winter op Antarctica heeft overleefd. Later heeft hij een discutabele naam gekregen. Maar tijdens die expeditie heeft hij het fantastisch gedaan. Samen met de jonge Roald Amundsen, die het voortouw nam bij de vangst van zeehonden en pinguïns. Hij hakte gaten in het ijs en hing er netten in die hij steeds maar aangepaste en verbeterde. Dat zie je terug in de aantekeningen die hij in zijn dagboek gemaakt heeft. Het volgende probleem was dat je ervoor moest zorgen dat de bemanning die dieren ging eten. Dat ging niet zonder slag of stoot. De commandant hield dat maandenlang tegen, hij vond het vies, en dat maakte dat de rest van de bemanning het ook niet wilde. Ze hadden heel veel bij zich, ook aan steenkool, maar omdat je continu moest stoken om het enigszins warm te houden, werd dat toch moeilijk. Omdat het gebrek aan zonlicht een groot tekort aan vitamine D gaf zette Dokter Cook de mannen voor de kachel.’

Roelant: ‘Warmtetherapie avant la lettre.’

Jolien: ‘Ja, stralingswarmte. En toen ze de mannen konden overhalen om de vangsten van Amundsen te eten, knapten ze op. Op een enkeling na. Er zit veel vitamine D en omega 3 in het pinguïn- en zeehondenvlees.’

Roelant: ‘Het zijn allemaal historische feiten.’

Jolien: ‘Klopt. De Gazet van Antwerpen heeft een geweldig archief dat teruggaat tot 1891, net een paar jaar vóór de expeditie. Dat was van grote waarde voor me. Toen de Belgica uitvoer, deed een schip met belangrijke mensen en journalisten hen uitgeleide. De reportage in de krant van de volgende dag bood me een schat van informatie.’

 width=
Jolien & Roelant

Roelant: ‘Hoe kwam u op het idee om de Antarctica reis van de Belgica als onderwerp te nemen voor uw boek?’

Jolien: ‘Dat kwam eigenlijk door mijn man. Hij had een bedrijf, inmiddels verkocht, in houtbewerkingsmachines. Het bedrijf sponsorde De Steenschuit, een scheepswerf die werk biedt aan mensen die elders geen baan meer kunnen vinden. Er wordt een replica van de Belgica op ware grootte gebouwd, net als toen in hout. De immense romp staat in een hangar, impressionant, en daar heeft mijn boekpresentatie plaats gevonden. Zo hoorde ik het verhaal over de expeditie. Een prachtig verhaal dat ik graag wilde vertellen, maar ik miste de vrouwelijke touch. Tot ik het bestaan ontdekte van Léonie Osterrieth, de vrouwelijke mecenas. Zij kreeg een belangrijke rol in mijn verhaal.’

Roelant: ‘Als weduwe beschrijft u haar als aantrekkelijk in mooie kleren met diep decolleté. Ze slaapt naakt. Dat was niet gewoon in die tijd.’

Jolien: ‘Zij was een zelfstandige vrouw, die haar eigen wetten maakte. Haar rijkdom maakte haar onafhankelijk. Ze had duidelijk een zwak voor Adrien de Gerlache, maar het had niets seksueels.’

Roelant: ‘U wisselt de scènes op deze manier mooi af tussen de expeditie en het thuisfront. Dat zorgt voor een prachtig, evenwichtig verhaal.

Dank u wel voor dit bijzonder interessante gesprek.’

Roelant
Perfecte buren

Eerder verschenen op Perfecte Buren.