De cultuur van de paradox

Donderdag, 26 mei, 2016

Geschreven door: Carel Peeters
Artikel door: Arnold Heumakers

[Recensie] Wanneer iemand mij opbelt en vraagt of hij stoort, antwoord ik wel eens: `Integendeel, ik was aan het werk’. Lang niet iedereen herkent het citaat, maar criticus en essayist Carel Peeters vast wel. Menno ter Braak (uit wiens Van oude en nieuwe christenen het afkomstig is) was een van zijn geestelijke vaders. Ter Braaks invloed blijkt nog steeds aanwezig, getuige de titel van Peeters’ nieuwe boek: De cultuur van de paradox. Bij Ter Braak wemelt het van de paradoxen als de bovengeciteerde, die door hem een `bedenkelijke paradox’ wordt genoemd. Peeters onderscheidt er nog veel meer: goedgehumeurde, existentiële, esthetische, retorische, metafysische, pedagogische, sociologische, amoureuze en ongetwijfeld sla ik er nu een paar over. Als je Peeters mag geloven, is de paradox overal.

Met het begrip bedoelt hij de `denk- en stijlfiguur (…) waarin de werkelijkheid op de meest dynamische en vruchtbare manier samenkomt. De paradox toont de werkelijkheid in haar meest toegespitste staat, wanneer het erop aankomt haar zo dicht mogelijk te benaderen’. Ik weet niet zeker of ik helemaal begrijp wat hier staat, maar onmiskenbaar is Peeters’ waardering voor de paradox. Niets doet de complexiteit van de werkelijkheid meer recht, lijkt hij te zeggen.

Complexiteit betekent voor Peeters iets positiefs; in de samenleving garandeert zij een maximale diversiteit, in de mens een maximale rijkdom aan gedachten en gevoelens. Het alternatief heet eenduidigheid: een verarming, al beseft Peeters ook wel dat soms ondubbelzinnig moet worden gekozen. Viel hij niet ooit het postmodernisme aan, de ideologie van `mannen en vrouwen zonder eigenschappen’, uit naam van het `karakter’?

Zien we hem nu de paradox verdedigen, dan lijkt Peeters een eind in postmoderne richting te zijn opgeschoven. Maar dat is te snel geconcludeerd, want niet elke paradox krijgt zijn instemming. En waarom moeten karakters altijd uit één stuk zijn? Volgens het woordenboek is een paradox een schijnbare tegenstelling – bij Peeters lijkt de paradox vooral bedoeld om een maximale contradictie binnen een en hetzelfde geheel (samenleving, persoonlijkheid, gedachtegoed) mogelijk te maken.

Wordt Vervolgd

Dat gaat gepaard met de nodige ruimhartigheid. Een semantische scherpslijper blijkt Peeters allerminst, met als gevolg dat de grenzen tussen paradox, ambiguïteit, ironie of dialectiek nergens streng worden getrokken. Dat leidt enerzijds tot een verminderde precisie, anderzijds tot een breedte die het hem mogelijk maakt om van de paradox een complete cultuur te maken.

`Met paradoxen kan de wereld begrijpelijk worden gemaakt’, schrijft Peeters. Hierna zou je een vermelding van Harry Mulisch verwachten, die in De compositie van de wereld met behulp van de paradox het wereldraadsel oploste. Maar net als Ter Braak komt Mulisch in dit boek amper voor, waarschijnlijk omdat Peeters elders al genoeg over hen heeft geschreven. Anderen mogen ditmaal de wereld langs paradoxale weg begrijpelijk maken, dat wil zeggen: conflicten en tegenstellingen blootleggen, `zonder dat er direct partij hoeft te worden gekozen’. Begrijpelijk maken wil dus niet zozeer zeggen dat tegenstellingen worden opgelost als wel dat ze zichtbaar worden gemaakt, dat de complexiteit der dingen niet wordt weggemoffeld. Pas dan ontstaat er `ruimte om na te denken, je te verbazen, te delibereren, om mogelijkheden te overwegen, om tanden te knarsen…’

Zo wordt ook meteen duidelijk bij wie we Peeters’ cultuur van de paradox allereerst zullen aantreffen: niet bij de doeners (die juist baat hebben bij een zekere blikvernauwing), maar bij de denkers en dichters. En bij de intellectuelen. Op gepaste afstand van het actieve leven kunnen zij het zich permitteren om een beslissende keuze – tijdelijk – op te schorten en de zaak in kwestie van alle kanten te bekijken. Wel laat Peeters er geen twijfel over bestaan dat deze intellectuele houding in onze westerse democratieën, met hun inherente pluriformiteit, ook een praktische politieke pendant vindt. Vandaar dat hedendaagse saloncommunisten als Alain Badiou en Slavoj Zizek, hoe paradoxaal ze ook mogen zijn, in zijn ogen geen genade vinden.

De meeste andere denkers en schrijvers die in De cultuur van de paradox voorbijkomen, worden met instemming en niet zelden bewondering gepresenteerd. Dat gebeurt volgens de `ideografische’ methode die Peeters sinds jaar en dag hanteert en die ook nu weer tot een reeks boeiende intellectuele portretten leidt, met als rode draad de bij iedereen in meer of minder mate aanwezige paradoxen.

Zo komen we bij Isaiah Berlin, de filosoof van het `pluralisme’ (de opvatting dat het menselijk leven verschillende, tegenstrijdige doelen en waarheden kent), de `goedgehumeurde’ paradox tegen. Het paradoxale van Du Perron, de boezemvriend van Ter Braak, zit daarentegen in diens `geëngageerde individualisme’, dat hij in de jaren dertig van de vorige eeuw inzette tegen de collectivistische heilsverwachtingen van fascisten en communisten. Bij Amartya Sen belicht Peeters hoe in diens verzet tegen het neoliberalisme het liberale samengaat met het sociale. Susan Sontag, op haar beurt, is tegelijkertijd zelfverzekerd en vol van twijfels. Bas Heijne slaagt er volgens Peeters in de `glamourloze gematigdheid’ van enige `allure’ te voorzien. Bij Joost Zwagerman blijkt een intern doodsverlangen de keerzijde te zijn van zijn externe levensdrift, terwijl Patricia de Martelaere `een zo gewoon mogelijk ongewoon iemand’ probeerde te zijn, waardoor zij tenslotte bij het `volle Niets’ van de Oosterse wijsheid terechtkwam. Verder is er aandacht voor onder anderen Erasmus, Spinoza, Tocqueville, Rousseau, Martha Nussbaum en John Gray. In twee meer algemene essays gaat Peeters nader in op het radicalisme als `zegen en ramp’ en uiteraard ontbreekt ook de Romantiek niet, die samen met de Verlichting de paradoxale basis vormt van de moderne westerse cultuur.

Lang niet overal graaft Peeters even diep en het blijft een wonder hoe erin slaagt in niet meer dan twee bladzijden van Badiou’s `cynische idealisme’ via de verlichte maar zo nodig ook hardvochtige Romeinse keizer Hadrianus te belanden bij Wim de Bie’s pleidooi voor verlegenheid – dat alles via het slappe koord van de paradox. Daar staat tegenover dat Peeters soms heel gevat uit de hoek komt, bijvoorbeeld wanneer hij de naar spektakel hunkerende Zizek typeert als een filosofische `hooligan’. En over Badiou lezen we: `Als een schaamteloze platonist staat hij met een Groot Ideaal op zak van een afstand handenwrijvend toe te kijken, wetend dat de werkelijkheid met geen mogelijkheid aan dat ideaal kan voldoen’. Dat is tweemaal de spijker op de kop.

Misschien is het niet toevallig dat dit juist gebeurt bij twee denkers die hij afwijst. Paradoxen drijven de werkelijkheid `op de spits’, schrijft Peeters. Ze blazen leven in de geest, door tegenspraak en tegenstelling toe te laten. Hier wordt even merkbaar hoezeer zijn geliefde cultuur van de paradox ook zelf op een polemisch fundament berust.

Eerder verschenen in Ons Erfdeel  en op www.arnoldheumakers.nl