De laatste klanken van Icarus

Dinsdag, 15 november, 2022

Geschreven door: Arjen van Meijgaard
Artikel door: Marjon Nooij

“Schijnbaar zijn gebeurtenissen die je rond je twintigste levensjaar beleeft het indrukwekkendst”

[Interview] Amsterdam, 22 oktober 2022; we treffen elkaar in de wijnbar van Auberge Jean & Marie in de Albert Cuypstraat. Een sfeervolle, gezellige entourage en veel toepasselijker kan het natuurlijk niet wanneer we spreken over zijn prachtige tweede roman De laatste klanken van Icarus die zich afspeelt in Parijs.

Tijdens het lezen van je roman zag ik berichten van je voorbijkomen op Facebook en kreeg ik het idee dat je uit eigen herinneringen hebt geput. Kun je iets vertellen over het eventuele autobiografische gehalte van je verhaal?

“Inderdaad zijn het decor van het verhaal en een aantal belevenissen van de hoofdpersoon gebaseerd op mijn eigen ervaringen als au pair en straatmuzikant. Na mijn eindexamen in 1992 wilde ik nog niet aan een studie beginnen, bovendien wist ook niet welke dat dan moest zijn. Daarom besloot ik naar het buitenland te vertrekken. Ik had kunnen gaan reizen of druiven plukken, maar ik wilde graag een jaar in een andere stad wonen. Bordeaux leek me wel wat, niet te groot en niet te klein, Franstalig en zuidelijk. De vader van een vriend van mij kende de Nederlandse consul in Bordeaux, die mocht ik bellen. Maar hij kon niets voor me regelen. Toen besloot ik au pair te worden. Niet veel jongens werden dat, dus dat was nog redelijk origineel. Alleen kon het bureau voor au pairs waar ik me had ingeschreven geen gezin vinden voor een jongen in Bordeaux, wel in Parijs, of beter gezegd, vlak buiten Parijs. Ik zou op een jongetje van acht moeten passen.”

“Eenmaal daar viel het oppassen een beetje tegen. Ik was personeel en moest koken, schoenen poetsen en met het jongetje buitenspelen. In Parijs volgde ik een taalcursus en ook in het weekend ging ik vaak naar Parijs. Dwalend door de stad zag ik een hoboïst op straat spelen. Toen kreeg ik het idee, waarom zou ik dat ook niet proberen met mijn viool? En van het een kwam het ander. De hoboïst is in het boek een fagottist geworden en verschillende anekdotes zijn in meer of mindere mate echt gebeurd, zoals de regels rondom het spelen op straat en de expositie bij het Grand Palais.”

Boekenkrant

En de andere personages uit het boek, liepen die ook rond in het Parijs van toen?

“De meeste personages zijn samengesteld uit meerder personen die ik toen ontmoet heb, uiteraard aangevuld met verzonnen uiterlijke en innerlijke kenmerken. Dat is het mooie van schrijven: je creëert, vervormt, versterkt en verdraait personen en situaties zo totdat ze in het verhaal passen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik van sommige dingen niet meer weet of het zo gegaan is of dat ik het bedacht hebt. En dat is uiteindelijk ook waar het verhaal om draait. Wat weten we nog van vroeger, wat is echt zo gegaan en wat is in de loop der tijd aangevuld met fragmenten van anderen of met je fantasie? Ik heb een paar boeken van Douwe Draaisma gelezen. Het is boeiend wat hij schrijft over de werking van het geheugen. Schijnbaar zijn gebeurtenissen die je rond je twintigste levensjaar beleeft het indrukwekkendst. Ook schrijft hij dat een herinnering verandert in de loop van de tijd. En daarmee de gebeurtenis waarnaar de herinnering teruggrijpt dus misschien ook wel.”

Ik vermoed dat het boek niet in een andere stad had kunnen spelen. Het verhaal zit verweven in het stratenplan, in de Parijse sfeer. Kreeg je heimwee naar Parijs, naar de tijd dat je er gewoond had, terwijl je met het boek bezig was?

“Zeker. Vlak na mijn jaar in Parijs wilde ik niet terug omdat ik bang was dat de nieuwe ervaringen zich zouden vermengen met dat ene jaar. Maar goed, dan zou ik er nooit meer heen kunnen. Door erover te gaan schrijven kwamen mijn belevenissen allemaal weer terug, ook details die ik vergeten was. Ik voorkwam dat Parijs steeds verder het verleden in dreef. Ik bevond me wekelijks weer in de stad die zoveel indruk op me gemaakt heeft, dat was mooi om mee te maken, terwijl ik gewoon thuis achter mijn bureau zat.

Het is in zekere zin jammer dat het boek nu af is, want daarmee sluit ik op een bepaalde manier dat jaar in Parijs af, wat ik eigenlijk niet wil. Daar ligt wellicht ook een parallel met de hoofdpersoon. Kun je iets wat voorbij is toch laten voortduren? Ik ben bang van niet.”

Je speelt heel mooi met illusie en laat de lezer in het tweede deel van je roman flink twijfelen over de positie van de personages. Zelfs bij het dichtslaan van het boek zijn er geen pasklare antwoorden en verdient het verhaal het om nog eens flink na te denken over de ontwikkelingen die de personages hebben doorgemaakt. Hoe is dit tot stand gekomen in het schrijfproces? Heb je het hele verhaal al in grote lijnen in je hoofd of ontwikkelt zich dit gaandeweg?

“Toen in Parijs woonde, op negentienjarige leeftijd en daar als straatmuzikant door de stad liep, beleefde ik alles heel intensief. Zeker nadat ik het au pairgezin buiten de stad verruild had voor een gezin met drie kinderen in de stad, waar ik alleen maar van 16.00 – 18.00 hoefde op te passen. Ik kreeg niet betaald, maar wel de beschikking over een eigen kamer een eind verder in de straat. Die tijd was eenzaam, maar ook vol vrijheid. De cursus Frans was afgelopen en in de tijd buiten het oppassen om, dus ook in de weekenden, kon ik doen wat ik wilde. Dat was vooral vioolspelen op straat en met andere muzikanten afspreken. De klarinettist die mij de kneepjes van het vak heeft geleerd, adviseerde me wel om te gaan studeren, anders zou ik voor de rest van mijn leven op straat blijven staan, net als hij. Hij was toen rond de veertig.”

“Eenmaal terug in Nederland en braaf aan de studie kon ik nog lang teren op dat jaar en langzaam groeide het idee om er een verhaal van te maken. Zo’n 15 jaar geleden ben ik losse anekdotes gaan opschrijven en ontstond de eerste versie. Die is nog vele malen aangepast. Andere perspectieven, andere verhaallijnen, maar het decor bleef steeds Parijs en het leven als straatmuzikant. Dat leek me uniek en interessant genoeg voor een verhaal.”

“Mijn eerste boek, We hebben alles bij ons (2017), kwam tussendoor en toen lag het Parijs-verhaal een lange tijd stil. Dat is ook wel goed, dan kon ik er afstand van nemen en er met een frisse blik weer aan beginnen. Ik denk dat toen de uiteindelijke plot pas vorm kreeg, de verwikkelingen van de personages, de obstakels die de hoofdpersoon moet overwinnen om te bereiken waar hij naar op zoek is.”

“In het schrijfproces vind ik het begin het lastigst, die lege bladzijde waar woorden en zinnen op moeten komen die ergens toe leiden. Als er eenmaal iets staat, kan ik veel makkelijker verder, schaven en schuren aan een ruwe opzet werkt voor mij het beste. Maar er moet natuurlijk op een bepaald moment weer een nieuw hoofdstuk geschreven worden, dan ga ik zitten en typen. Met die tekst kan ik dan weer aan de slag.”

Op verschillende vlakken houd je je bezig met literatuur. Naast auteur, redacteur van Eldersliterair, recensent voor Tzum en boekhandel Athenaeum, ben je docent aan de School voor Jong Talent van het Koninklijk Conservatorium. Hoe verhoudt deze baan zich met literatuur?

“De School voor Jong Talent is een kleine school voor havo en vwo, en ik geef daar Nederlands. We zijn onderdeel van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. De leerlingen besteden naast hun schoolvakken veel tijd aan muziek, dans of beeldende kunst, ze gaan bijvoorbeeld ook op zaterdag naar school. Eigenlijk doen ze twee opleidingen tegelijkertijd: het schooltraject en een soort vooropleiding voor het conservatorium of de kunstacademie.

Over het algemeen kun je zeggen dat deze leerlingen wat meer geïnteresseerd zijn in literatuur en poëzie. We nodigen ook af en toe een schrijver uit die muziek of kunst in zijn of haar romans laat terugkomen. Zo heb ik samen met de leerlingen Arthur Japin en Anna Enquist geïnterviewd, dat heeft duidelijk een meerwaarde voor de leesbeleving van leerlingen. Het komt ook voor dat leerlingen meer boeken op hun eindlijst zetten dan de verplichte 12 voor het vwo-eindexamen. Maar ik moet eerlijk zijn, op de andere school waar ik lesgeef, de Vrije School, gebeurt dat ook. De leerlingen daar lezen soms ook meer dan van ze verwacht wordt. Op beide scholen start ik de les vaak met 15 of 20 minuten lezen. Dat werkt goed, het is dan doodstil en iedereen is verzonken in zijn of haar boek.”

“Tijdens de lessen literatuurgeschiedenis laat ik graag beeldfragmenten van schrijvers zien, zodat leerlingen ook de persoon achter de boeken te zien en te horen krijgen. In een interview zegt Harry Mulisch dat je voor het schrijverschap moet gaan. Je kunt het er volgens hem niet ‘bij doen’. Je doet het, of je doet het niet. Misschien heeft hij gelijk, ik heb maar een dag per week om te schrijven en op die manier gaat het in ieder geval veel langzamer. Maar het lesgeven vind ik ontzettend leuk en waardevol. Het contact met leerlingen, hun kijk op de wereld en op het leven zou ik niet willen missen. Ze houden je een spiegel voor en dankzij hen weet ik ook een beetje wat er in hun wereld speelt.”

“Het lesgeven inspireert, ik heb gebeurtenissen, gesprekken en mensen nodig om uit te kunnen putten voor een verhaal. Alleen op een kamertje, vijf dagen per week, is niets voor mij. Ik zal dus moeten bewijzen dat ik, naast het schrijven, er van alles bij kan doen. Maar iets meer tijd zou fijn zijn. Idealiter sta ik drie dagen voor de klas en kan ik twee dagen schrijven. Dat neem ik me alleen al een paar jaar voor…”

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow Magazine

Boeken van deze Auteur: