De nachten van de pest

Vrijdag, 18 november, 2022

Geschreven door: Orhan Pamuk
Artikel door: Chris Reinewald

Pandemie en politiek op een bedacht eiland

[Recensie] Schreef de Turkse Nobelprijswinnaar (2006) Orhan Pamuk (1952) met Veba Geceleri (letterlijk vertaald ‘Pestnachten’) de definitieve corona-roman? Dat lijkt misschien zo, maar hij pikte het thema pandemie al voor de Covid 19 uitbraak op. Tussen onze pandemie en de ook waar gebeurde Derde Pestepidemie in 1901 bestaan grote overeenkomsten. Vooral hoe de bevolking reageert: van verrassing, ongeloof, negeren, apathie, protest, verzet, politieke onrust ontaardend in maatschappelijke ontwrichting.

Ofschoon de pest echt plaatsvond gaat deze roman over Minger, een niet-bestaand Ottomaans eilandje met eigen taal, midden tussen de (echte) Griekse eilanden Rhodos en Kreta. Minger lijkt op de negen Prinseneilanden in de Zee van Marmara, zuidelijk van Istanboel. Op één ervan woont Pamuk waar hij dit boek in corona-tijd schreef.

De kroniekschrijver is daarentegen niet hij maar Mîna Mingerli, een eveneens niet-bestaand personage die het grote verhaal vertelt.

Tijdens de meer dan 700 pagina’s moet je haar inleiding in je achterhoofd houden. Pamuks pseudo-ghostwriter stelt daarin: “De romankunst stoelt op het vermogen om de verhalen die we zelf hebben meegemaakt te beschrijven als ware het die van anderen, en de verhalen van anderen als hadden wíj die meegemaakt.”

Dans Magazine

Daarmee verspreidt Pamuk, uiteraard de enig echte schrijver (ook genoemd door Mingerli overigens) een rookgordijn: Pas op, we gaan een historisch relaas lezen van een literair matig talent. Mingerli erkent dat ze schrijfwetten negeert. Zo hanteert ze geen gezichtspunt van één persoon en mengt ze zich zelf geregeld in de dwarrelende vertelling om te waarschuwen van wat nog komt. Emotionele momenten verpest (..) Mingerli met zakelijke informatie. Dit boek is vooraleerst een geschiedenis, gebaseerd op de brieven die een hoofdpersoon aan haar zuster schreef.

Pamuk paste zo’n dubbele bodem ook toe in ‘Museum van de Onschuld’ toe. Is dat daarom nu niet een beetje een cliché ?

Sherlock Holmes
Moeten we het Mingerli/Pamuk euvel duiden dat het boek tot ongeveer de helft maar wat voortkabbelt? Het is een opsomming in compacte 10 pagina-hoofdstukken van gebeurtenissen en belevenissen van een tiental personages, waar je je als lezer maar niet aan kan binden.

Voor het overzicht had daarom in deze 19de eeuws aandoende vertelling een lijst met personages niet misstaan. Pamuk voegde immers wel een verklarende stadsplattegrond toe.

Van de blinde (doods)angst bij onze eerste corona-verschijnselen is geen sprake. Een arts met zijn vrouw, een in gevangenschap opgegroeide sultansdochter, zetten voet op het eiland waar een oudere arts al de vreemde ziekteverschijnselen onderzoekt. Het eerste slachtoffer is een gevangenisbewaarder met een mooie dochter op punt van trouwen.

Maar voor het zover is bezwijkt hij als een ziek dier teruggetrokken in de gevangenis.

Dan wordt de oude arts bij een stadswandeling vermoord aangetroffen. In plaats van verdachten voor een bekentenis te martelen, zoals men altijd placht te doen, lijkt het de Ottomaanse machthebber aardig om volgens de Sherlock Holmes-methode de moordenaar op te speuren.

Pamuk beschrijft met leesbaar genoegen de gemoedelijke provinciale sfeer op het eiland waar Grieken, Ottomanen ondanks verschillende godsdiensten en culturen samenleven. De Mingerse taal bindt ze.

Chaos
Door het uitbreken van de builenpest, overgebracht door ratten, legt de Mingerse regering de dagelijkse vaarten van en naar het Turkse en Griekse vasteland stop. Vluchten kan niet meer. De bevolking trekt zich weinig van de opgelegde quarantaine aan. Het kantelmoment breekt aan wanneer de gouverneur door de Ottomaanse machthebbers vervangen wordt. Hij slaagde er niet in om de pest te stoppen. Moskeeën en kerken moeten sluiten. Koppige gelovigen wanen zich immuun met uitgeschreven gebeden van de imam.

Voor de gemoedsrust haalt men de doden ’s nachts weg, bestrooit ze met ongebluste kalk en begraaft ze. Hun besmette bezittingen knetteren in het vuur. Wezen zwerven op straat. Huizen van overledenen worden gekraakt. Rampspoed, maar wonderwel blijven bijna alle artsen gespaard.

Net nadat de nieuwe gouverneur op Minger arriveert wordt hij dood geschoten.

Het eiland verkeert in chaos, zoals (later) bij de Russische revolutie.

Terug in functie roept de eerste gouverneur de onafhankelijkheid uit.

Een nieuwe elite dient zich aan. Ondanks de voortdurende pandemie ontstaat er zowaar een blij nationaliteitsgevoel.

Dan velt de pest ook het romantische droompaar – twee “mede-hoofdpersonen” – die ook het land kort leidden. Uiteindelijk wordt de sultansdochter met haar arts-echtgenoot tot koningin uitgeroepen, al beheerst zij de Mingerse taal niet. Natuurlijk raakt de pest bedwongen. Maar dan is Minger inmiddels een kolonie van Italië.

Nawoord
Door de indirecte vertelvorm kan Pamuk kritiek spuien op de nu verheerlijkte Ottomaanse nadagen voordat Turkije zijn huidige vorm kreeg. In een nawoord keert de kroniekschrijver Mîna Mingerli terug om haar ware identiteit en relatie tot de hoofdrolspelers te onthullen.

Pamuk zet haar neer als een academica die verward raakte tussen haar eigen familiegeschiedenis en nostalgie naar het eiland. Jammer genoeg leest deze korte epiloog aanzienlijk pittiger dan het toch wel looiige opus dat eraan voorafging.

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow

Boeken van deze Auteur:

Het museum van de onschuld

De nachten van de pest

Dat vreemde in mijn hoofd

De vrouw met het rode haar

De vrouw met het rode haar

Het huis van de stilte