De politiek van het kleinste kwaad

Woensdag, 13 juli, 2022

Geschreven door: Bart van der Boom
Artikel door: Evert van der Veen

Genuanceerd oordeel over pijnlijke geschiedenis

[Recensie] De Joodse Raad functioneerde van 1941 – 1943 en was “… een gezelschap Joodse notabelen, geleid door diamantair Abraham Asscher en hoogleraar David Cohen, met onder zich een apparaat van duizenden functionarissen. De Joodse Raad bestuurde een parallelle maatschappij, inclusief scholen, ziekenhuizen, belastingheffing, armenzorg, concerten en lezingen en een eigen weekblad” (p. 9).

Lang was de scherpe veroordeling van Jacques Presser in zijn boek Ondergang maatgevend voor onze kijk op de Joodse Raad: “Gij zijt de werktuigen geweest van onze doodsvijanden. Gij hebt aan onze wegvoering medegewerkt”.

De politiek van het kleinste kwaad is gebaseerd op een keur aan schriftelijke bronnen uit de jaren 1941 – 1943 waarbij Van der Boom tot een geheel ander en meer genuanceerd oordeel komt namelijk dat men destijds het goede zocht binnen de beperkte mogelijkheden van de bezetter en zo iets dacht te kunnen betekenen voor de Joodse bevolkingsgroep in ons land.

Van der Boom typeert de personen Asscher en Cohen en schetst dat de doodsberichten uit Mauthausen en Buchenwald al spoedig voor de nodige angst en onzekerheid zorgen maar toch lijkt men niet door te hebben dat Joden hier hun dood tegemoet gaan.

TijdvoorTijdschriften

Steeds worden de Joodse Raad nieuwe maatregelen opgelegd waarbij de grenzen worden verschoven zoals het ‘Judenrein‘ maken van steden en wijken met gedwongen verhuizingen als gevolg. Ook is er opgelegde emigratie met een grote bureaucratie en als bizarre uitkomst dat geen van de 13.000 aanvragen wordt gehonoreerd. Grensoverschrijdende maatregelen zijn de Jodenster die tegen betaling in viervoud moet worden aangeschaft en de tewerkstelling in kampen die de Joodse Raad voor gewetensvragen plaatst maar men denkt ook hier invloed te kunnen uitoefenen.

26 juni 1942 wordt de deportatie naar Westerbork een feit. Wanneer de opkomst laag is, beginnen de Duitsers met razzia’s. Ook kwetsbare mensen zijn niet langer veilig waarvan de ontruiming van het psychiatrisch ziekenhuis Het Apeldoornse Bos in januari 1943 een aangrijpend voorbeeld is.

Recht doen aan geschiedenis
Van der Boom constateert: “Terwijl het lot van de Joden met het begin van de deportaties dramatisch veranderde, veranderde het beleid van de Joodse Raad eigenlijk niet: hij bleef meewerken” (p. 156). De leidende gedachte was dat men het lot van Joden toch enigszins ten goed kon beïnvloeden en men voelde zich verplicht om voor de Joden te zorgen.

In de zomer van 1943 werd de Joodse Raad door de Duitsers opgeheven. Na de oorlog oordeelden Jacques Presser in zijn boek Ondergang en Louis de Jong in zijn standaardwerk over Nederland in de Tweede Wereldoorlog negatief over het functioneren van de Joodse Raad.

Van der Boom stelt dat het niet gaat om wat destijds juist wás maar juist léék. Men handelde naar de beperkte kennis van die tijd. Wij weten nu aanzienlijk meer en hebben een omvattender en duidelijker beeld van wat er zich werkelijk heeft afgespeeld dan de mensen toen. Daarom is een te kritisch oordeel achteraf te gemakkelijk en doet dit aan de situatie van de Joodse Raad destijds geen recht.

Van der Boom weet de omstandigheden gedurende de jaren dat de Joodse Raad functioneerde goed neer te zetten, juist door betrokkenen zelf uit bronnen aan het woord te laten. Het blijft natuurlijk een pijnlijke geschiedenis dat de Joodse Raad een weerloos instrument van de bezetter was maar betrokkenen meenden toch binnen hun beperkte mogelijkheden iets voor hun bevolkingsgroep te kunnen en te moeten doen.

Bart van der Boom is docent geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Van hem verscheen eerder Wij weten niets van hun lot: gewone Nederlanders en de Holocaust dat in 2019 de Libris Geschiedenis Prijs won.

Voor het eerst verschenen op Bazarow