De snelfotograaf, een geschiedenis van het moderne portret

Woensdag, 6 juli, 2022

Geschreven door: Róman Kienjet
Artikel door: Chris Reinewald

Zonder valse schijn

[Recensie] Een snelfoto-portret kostte niet meer dan een kwartje en een paar minuten. Daarom bleven er ook zoveel foto’s bewaard van grotendeels onbekenden. Een eeuw terug wipten ze even bij een snelfotograaf naar binnen. Een paar uur later en de foto – eigenlijk een set identieke fotootjes – was klaar. Tot nu negeerden kunsthistorici het fenomeen snelfoto: te onartistiek, stereotiep, commercieel. Rijksmuseum-fotoconservator* Róman Kienjet ontdekte de familiefotootjes in het depot en ging op onderzoek uit, wat resulteerde in een inzichtelijk en passend vlot geschreven boek.

Om de sensatie van toen op te roepen zijn enkele foto’s met een extra laklaag glimmend gemaakt. Halverwege begint een beeldkatern met aandoenlijke portretjes van Jan met de pet, Tante Mien met haar wollen muts op, van de kroostrijke familie de Vries, kunstenaars in hun vrije tijd. Dit zijn mensen zonder veel valse schijn, zoals Lou Bandy zong in Mag ik van u een foto? (“Mag ik van U een foto/ ’t Is maar een kleine vraag/ Zo’n eerbiedwaardig kapsel/Zie ik altijd zo graag/ ’t Doet mij aan mensen denken/ Zonder veel valse schijn”)

Ster-portretten
Rond 1900 werkten de eerste, artistieke beroepsfotografen met en voor een hoger publiek. Men liet als visitekaartje een fotoportretje maken om te presenteren bij een bezoek.

(In zijn romancyclus Op zoek naar de verloren tijd beschrijft Marcel Proust hoe de hoofdfiguur ongegeneerd bij een bevriende gravin om zo’n foto bedelt.)

Yoga Magazine

De fameuze, beeldschone danseres Cléo de Mérode drapeerde zich in verschillende bevallige standen. Nadat de foto’s officieel waren afgedrukt verkocht de maker de negatieven aan handelaars die het portret in massa-oplages reproduceerden. Deze ster-portretten werden voor een grijpstuiver als ansichtkaart verkocht of in klein formaat bij sigarettenpakjes bijgesloten. De Mérode verwierf door de vele afbeeldingen die van haar circuleerden als eerste een media-sterstatus vergelijkbaar met die van Marilyn Monroe later.   

Vaak stuwen technische ontwikkelingen de fotografie verder, zonder tijd voor inhoudelijke reflectie. Maar waarom zou je ook?

Meer dan over de gefotografeerden beschrijft Kienjet de technieken en de uitvoerders, aanvankelijk kermisgasten, later gisse middenstanders zonder noemenswaardige fotografische scholing of ambitie. Professionele fotografen ergerden zich aan de matige vakkundigheid, terwijl ze eigenlijk het geheim van de snelle techniek wilden achterhalen. Zo gauw zij erachter kwamen dat het vooral een kwestie van voor-bewerkt, kilometerslang reproductiepapier was verloren ze hun interesse. Productiewerk was hun eer te na. Anders dan de eerdere studiofotografen met luxe ateliers en decorstukken werkten de snelfotografen zoals pasfotografen nu. Een kleine studio met belichting en stoeltjes. In de camera kijken: klaar. Meestal werd je met hoofd en schouders vastgelegd.

Leren poseren
Amerikaanse en Duitse fotopapierbedrijven ontwikkelden nieuwe mogelijkheden zoals een klevende, zwarte achterkant om de foto vast te kunnen plakken. Bovenaan voorop prijkte een adresstrook van de fotograaf. Niet mooi maar commercieel handig en inmiddels nu praktisch om een foto(graaf) te lokaliseren. Hienjet ontdekte in verschillende archieven ene Pieter Smit die vaak naar de fotograaf ging. We zien hem als “vrije jongen” met pet, kantoorman met/zonder hoed, onder de wapenen in uniform en in een groepje met zes gelijkgestemde kerels. Allemaal een pet op, een onaangestoken sigaret tussen de lippen en een geknoopte halsdoek om. Socialisten?

De ‘Amerikaanse automatische fotografie’ leidde tot een wildgroei aan fotostudio’s. Vaak runde een drogist of zelfs een grenswachter een studio naast zijn dagelijks werk. In het begin werd er op kermissen gefotografeerd en ook kon je daar ook naar films kijken. Later doken fotostudiootjes op in of bij bioscopen. Dat had een onverwacht bijeffect. Wie naar zwijgende films keek raakte gewend aan de overdreven poses van de acteurs.

Bij de fotograaf hoefde je inmiddels niet meer krampachtig te kijken maar mocht je spontaner poseren. Dus hielp het als de snelfotograaf niet alleen technisch ingesteld was maar meer dat hij goedlachs met klanten kon omgaan. Hienjet beschrijft een snelfotograafstudio die tijdelijk gerund werd door de 15-jarige zoon van de eigenaar.

Vijf keer twaalf foto’s
Treffend is een geciteerde column uit de Haagsche Courant (1912) over een gezinnetje uit de provincie dat zich tijdens een dagje Den Haag laat verleiden om zich te laten fotograferen. Ze mogen zelfs eigenhandig de knop indrukken. “Ik zal er best opstaan, ‘k heb hem een opstopper gegeven van wat-ben-je-me, beweerde vader. “ De drie kinderen deden blijkbaar iets fouts, want bij het ophalen bleken ze er raar op te staan: “…twaalf keer het vinnige gelaat van Mietje, twaalf keer het muizensnuitje van Greetje, twaalf keer de eigenwijze tronie van Keesje.”

Zien we Keesje terug op pagina 133? Ouwelijk geklede puber. Sproeten, pet scheef, slordig geknoopte stropdas. Zijn blik van “heb-ik-soms-wat-van-je-an” is tijdloos.

Voor het eerst verschenen op Bazarow en Alleroogen

*Van twee andere Rijksmuseum-fotoconservatoren verschenen ook lezenswaardige boeken. Mattie Boom Everyone A Photographer en New Realities – Bazarow, Hans Rooseboom: Lichtjaren.
Anneke van Veen (Stadsarchief Amsterdam) schreef Modern Perspectives.