Echt gebeurd is geen excuus & De Amerikaanse Bril

Vrijdag, 1 juli, 2022

Geschreven door: Heinrich von Kleist
Artikel door: Chris Reinewald

Een Amerikaanse bril in een gewoon rijtuig

[Column] Met zijn bundel Krantenberichten streefde de 18e eeuwse, Pruisische schrijver Heinrich von Kleist ernaar om definitieve versies van merkwaardige geschiedenissen te maken.
Bij Robert Menasse concurreren ingrijpende privé-belevenissen met de grote wereldgebeurtenissen. Jan Hanlo speelde met de rollen van waarheid en waarachtigheid in een tekst.

Bij een mop gaat het net als bij een treurig verhaal. Je moet het volgens een vast stramien vertellen, anders werkt het niet. Met dat doel voor ogen schreef Heinrich von Kleist (1777-1811), militair en (toneel)schrijver in zijn eentje een fictief dagblad, de Berliner Abendblätter (Echt gebeurd is geen excuus) vol.

Met Gerard Reve, van wie de titel komt, deelde Von Kleist de opvatting dat naarmate een verhaal waarheidsgetrouwer is, het aan sjeu verliest. Dat bepaalt ook het schemerige spanningsveld tussen fictie en non-fictie waarin columnisten actief zijn. In Von Kleists dagen bestond dit genre nog niet.

Het dichtst in de buurt kwamen sprookjes(her)vertellers als de gebroeders Grimm en – later – parabel (gelijkenissen) schrijvers als Franz Kafka, Franz Werfel, Stefan Zweig en Robert Musil.

TijdvoorTijdschriften

Gedisciplineerd kortwiekt Von Kleist een anders schmierend romantisch verhaal tot feitelijk verslag, al ligt er een hilarisch feit aan ten grondslag. Von Kleist schreef een andere versie van Goethe’s treurige lijdensverhaal over de jonge Werther. In de roman pleegt hij uit liefdesverdriet zelfmoord, hetgeen toen zelfs aanzette tot navolging.

Bij Von Kleist gaat het anders. (Nog korter samen gevat) Jongeman is in het geheim verliefd op de jongere echtgenote van zijn baas, een oude koopman bij wie hij ook inwoont. Als het echtpaar op reis is, gaat de jongen in hun bed liggen. Ze komen onverwachts terug en vinden hem in hun slaapkamer. De knaap springt beschaamd uit bed, rent naar zijn kamer, schrijft een afscheidsbrief en schiet zich vervolgens door de borst. PANG! Het pistoolschot verschrikt de oude baas, een paar kamers verder, dusdanig dat hij acuut een fatale hartaanval krijgt. Vijf dagen erna is de man begraven. En juist dan ontwaakt de jongen uit zijn coma… in de armen van de jonge weduwe. Het pistoolschot miste doel. Enfin, ze trouwen, krijgen vijftien kinderen en leefden nog lang en gelukkig.

Heb je het al gehoord?
Zulke persoonlijke ongerijmdheden interesseren de hedendaagse Oostenrijkse schrijver Robert Menasse (1954). In zijn bundel De Amerikaanse bril (2021) draait het om wereldgebeurtenissen en de schijnbaar anekdotische impact op gewone mensenlevens.

Menasse komt met twee versies van de Amerikaanse bril. In beide verhalen staat de in 1963 op live-televisie vermoorde Amerikaanse president John F. Kennedy centraal.

We zijn gewend om jaren later aan elkaar te vragen: “Waar was jij toen je Het hoorde?”. Idem bij September Eleven, de aanslagen in Parijs en Brussel. We nemen elkaar – en onszelf – de maat.

We incorporeren de (te) grote gebeurtenis als ijkmoment al was dat moment suprême in óns bestaan bepaald futiel: “Iemand in de kroeg zei: ‘Ze hebben Kennedy vermoord.’ En toen? Nou niks, de jukebox ging uit. ” Of: “Ik was je tante Helga aan het verhuizen. We reden net over de Bos en Lommer toen het op de autoradio gezegd werd.” En toen? ”Helga had ineens helemaal geen zin meer in dat gesjouw. Hebben we de rest de dag erna verhuisd.” Of: “Vrijdagavond gingen we altijd in bad. Toen ook. We zaten met natte haartjes in onze pyjamaatjes voor tv. Opblijven om Bonanza, die cowboyserie, te mogen zien.’ En toen? ”Nou, de omroepster met die bril, eh… die zei dat Bonanza niet doorging.”

Waarheid en anekdote verdragen elkaar moeilijk. In het tweede Amerikaanse bril-verhaal beschrijft Menasse een jong echtpaar dat er jaren later achter komt hoe verschillend zij de dag van de Kennedy-moord beleefden. Zij kon die avond toen over niets anders praten en leek haar miskraam eerder die dag vergeten te hebben. Dat gaf hém juist een gelukkig gevoel.

Exacter taalgebruik
Noem het toeval, maar dan ligt er een hagelnieuw maar verramsjt boek uit 1978: In een gewoon rijtuig door Jan Hanlo. Een bundeling van nogal verschillende teksten. Opsommingen, poëzie, een vertaaloefening, fixaties op taal en wiskunde. Hanlo schreef de bebop-jazzachtige klankgedichten Oote oote boe en De mus (‘Tjielp tjielp’). De Limburgse leraar Engels – die platonisch van jongetjes hield – verkeerde in kringen rond het tijdschrift Barbarber. Je herkent K. Schippers maar ook de gecultiveerde gestoordheden van Bob den Uyl en Maarten Biesheuvel als Hanlo doorzaagt over absurde non-belevenissen in Dublin en Kalundborg – of all places.

In een essay ‘Naar meer soberheid’ pleit Hanlo, de schoolfrik voor exacter taalgebruik. Hij behandelt de “ongemotiveerde universele bewering” van het drinklied En datteme toffe jongens zijn.
Als een Wim Daniëls stelt hij dat het lied meer waarheidsgetrouw moet worden aangepast: “Dat er onder ons, toffe jongens zijn… dat willen wij, dat wil zeggen: de meeste van ons, weten. En daarom komen wij bijna overal, daar waar die meisjes komen want daar is het soms bal.”

Hanlo demonstreert zo treffend hoe nauwkeurig Von Kleist zijn ‘krantenberichten’ schreef zonder de waarheid geweld aan te doen.

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow