Een honger

Maandag, 6 juli, 2015

Geschreven door: Jamal Ouariachi
Artikel door: Carmen Meuffels

Terugblik op een turbulente (liefdes)geschiedenis

Twee jaar na de vorige geslaagde en gedenkwaardige roman van Jamal Ouariachi, De vertedering, is nu Een honger verschenen. Een roman met een veelbelovende, smeuïge verhaallijn: een samenloop van omstandigheden zorgt ervoor dat Aurélie Lindeboom weer in contact komt met Alexander Laszlo, de beroemde ontwikkelingswerker met wie zij als studente een intense liefdesrelatie had, waar een einde aan kwam toen hij van kindermisbruik beschuldigd werd. En bekende. Een verhaal met potentie, door een auteur met potentie.

Met Een honger werd ik op mijn wenken bediend: het is een dikke pil, en een spannende plot. Tien jaar geleden ontmoetten Aurélie, destijds een jong meisje van begin twintig, en de ruim vijftien jaar oudere Laszlo elkaar in Ethiopië. Beiden waren daar om, elk op hun eigen manier en met hun eigen redenen, ontwikkelingswerk te doen. Onverwachts (zowel voor de lezer als voor henzelf) bloeit er iets op, totdat Laszlo van pedofilie beschuldigd wordt. Nu, tien jaar later, helpt Aurélie Laszlo om zijn autobiografie te schrijven.

De nauw betrokken, nieuwsgierige en kritische Aurélie is weliswaar niet de betrouwbaarste verteller (zo deinst zij er niet voor terug zich Laszlo’s woorden eigen te maken), maar door te schrijven vanuit haar perspectief grijpt Ouariachi wel de mogelijkheid aan om heel veelzijdig te zijn: Aurélie weidt uit over de geschiedenis van Ethiopië, reflecteert dikwijls op het nut van ontwikkelingswerk en verwerkt daarnaast aan de hand van herinneringen het pijnlijke liefdesverdriet dat na al die jaren nog in haar nestelt.

Djqkx dov rmix, gdq xsgl

Anders dan in De vertedering is Ouariachi in zijn nieuwste roman aan het experimenteren geslagen. Met genres (de roman bevat ook gedichten), lettertypes, fonetisch gespelde passages, zelfs met een soort geheimschrift. Deze experimenten verlagen het verteltempo weliswaar, maar zijn tegelijkertijd een gedurfde keuze die voor een – meestal – prettige afwisseling zorgt. Al gaat een paraaf getiteld ‘Djqkx dov rmix, gdq xsgl’, die ontcijferd kan worden met behulp van een voetnoot pagina’s verderop, mij te ver.

Geschiedenis Magazine

Dit gepuzzel wordt gelukkig gecompenseerd door mooie metaforen, zoals de onderstaande over een representant van de VN:

‘Hij was kalend, hevig kalend, alsof zijn haardos een afspiegeling was van de schaarste waar hij al jaren over waakte, zoals hondenbezitters na verloop van tijd via een ondoorgrondelijk morfologisch proces op hun hond plegen te gaan lijken.’

Zulke vergelijkingen zijn humoristisch en goed gevonden, al rijst de vraag of ze allemaal ontsproten zijn aan Ouariachi’s eigen, creatieve pen.

Het gemak van een literaire gehaktmolen

Tot zover voornamelijk lof. De tegenvaller kwam, stuitend op een analogie waarin Ouariachi liefde vergelijkt met massamoord en fabrieksarbeid. Hij noemt ze alle drie ‘een vorm van discipline’. Bij een Grunbergliefhebber (en –kenner) zoals ikzelf, deed dit onmiddellijk een belletje rinkelen. Laatstgenoemde auteur schrijft in De asielzoeker namelijk: ‘Liefde is je reinste discipline, net als massamoord en fabrieksarbeid, zij is niet toegeven aan je emoties maar juist ertegen vechten.’ Een prachtige, memorabele zin.

Mijn verbazing was groot, en werd alleen nog maar groter toen ik op de volgende pagina een passage vond die zonder twijfel uit Grunbergs Huid en haar was overgenomen. Vergelijk:

‘Roland Oberstein is gelukkig, zou hijzelf verklaren, omdat hij niets wil wat hij niet kan krijgen. Wat hij wil kan hij krijgen. Wat hij niet kan krijgen, wil hij niet. Zo eenvoudig is het recept voor geluk.’

(Grunberg)

en

‘En dus was ze gelukkig uit overtuiging, althans, dat zou ze zelf verklaren, omdat ze niets wilde wat ze niet kon krijgen. Wat ze wilde kon ze krijgen. Wat ze niet kon krijgen, wilde ze niet. Zo eenvoudig was het recept voor geluk.’

(Ouariachi)

Dit kon geen toeval zijn. Gelukkig komt Ouariachi in de verantwoording zelf met een toelichting: ‘In de 2003-hoofdstukken staan veel passages die afkomstig zijn uit wat ik noem mijn Literaire Gehaktmolen. Het gaat om het gebruik van fragmenten uit werk van andere auteurs […] in de vorm van een collage, een parodie, een pastiche, of een eerbetoon.’

Een smet op de leeservaring

Hoewel de auteur hierin zelf ook de twee boeken van Grunberg noemt, blijft er iets wringen. De lezer bekruipt het onaangename gevoel dat bepaalde hoofdstukken wellicht wel bol staan van passages uit zijn Literaire Gehaktmolen, die mij alleen maar zijn ontschoten omdat de originele werken niet in mijn geheugen gegrift staan.

Waar houdt bronnen raadplegen op en begint plagiëren? Is het verkondigen dat je bepaalde passages gebruikt in de vorm van collage, parodie, pastiche of eerbetoon (waarbij het aan de lezer is vast te stellen om welke het gaat) niet een excuus om die passages ongestraft (vrijwel) letterlijk over te nemen? Ik vind van wel. Het op deze manier gebruiken van bronnen maakt mij wantrouwend, maar ondanks dit alles is en blijft Ouariachi’s nieuwste roman een veelzijdige en gedurfde roman. Hoewel het verhaal van Aurélie en Alexander vrij abrupt eindigt – hoe zal ik niet verklappen -, blijven ze je nog lang bij.


Eerder verschenen op Recensieweb


Laat hier je reactie achter:

0 0 stemmen
Article Rating
Abonneer
Laat het weten als er
0 Commentaren
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties