El Dorado

Woensdag, 26 januari, 2022

Geschreven door: Robert Lemm
Artikel door: Arnold Heumakers

Werkelijkheid en droom

[Recensie] Weinigen buigen zich tegenwoordig nog over de vraag: waar ligt het aardse paradijs? Niet in de figuurlijke zin van het woord, maar letterlijk, compleet met de boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad. Vroeger was dat anders. Tot in de zeventiende eeuw bestond de overtuiging dat het aardse paradijs de Zondvloed had overleefd en zich dus nog ergens op aarde moest bevinden. In de middeleeuwen gingen sommigen ervan uit dat het op een berg lag die zo hoog was dat de wateren van Gods toorn het niet hadden kunnen bereiken; anderen situeerden het liever aan gene zijde van de oceaan die geacht werd de bewoonde wereld aan alle zijden te omringen.

Over de precieze locatie bleef niettemin de nodige onduidelijkheid bestaan. Aan speculaties geen gebrek. Een drieste theoloog stelde zelfs de Noordpool voor, totdat de meerderheid van zijn vakbroeders het eens werd over MesopotamiĆ« – maar tegen die tijd had men het geloof in het voortbestaan van het aardse paradijs alweer goeddeels prijsgegeven. Zover was het nog niet in 1492, toen Christoffel Columbus – zonder het zelf meteen te beseffen; hij dacht in het oostelijke IndiĆ« te zijn beland – Amerika ontdekte. Voor hem bestond er geen twijfel: het CaraĆÆbische gebied dat hij met zijn schepen was binnengevaren moest vlak in de buurt van het paradijs liggen.

Weliswaar was het aardse paradijs zelf voor mensen ontoegankelijk zonder Gods zeer speciale assistentie. Maar uit de literatuur wist Columbus dat ook de omstreken ervan paradijselijke trekken vertoonden. Wat hij om zich heen zag bevestigde wat hij had gelezen: alleen in een dergelijke ambiance kon de Schepper de eerste mensen hebben laten wonen. Het milde klimaat, het zoete, heldere water van bronnen en rivieren, de weelderige plantengroei met haar felle kleuren en sierlijke vormen lieten geen andere conclusie toe.

Bovendien ontdekte hij ook nog enkele concrete sporen van voor de zondeval, zoals de passievrucht, die zijn naam dankt aan het feit dat Columbus er de appel in meende te herkennen die Eva van de slang had ontvangen, en de papegaai, het enige dier uit het paradijs dat na die fatale gebeurtenis zijn spraakvermogen niet was kwijtgeraakt.

Boekenkrant

En er was goud. De inboorlingen, die Columbus ten onrechte `indios’ noemde, droegen stukjes goud aan hun neus en in hun oren. In hun onschuld (opnieuw een aanwijzing dat het paradijs niet ver weg kon zijn) leken zij de waarde ervan niet te beseffen, want zonder problemen waren zij bereid het goud in te ruilen voor de waardeloze snuisterijen, kralen en spiegeltjes, die hen door de Spanjaarden werden aangeboden. Deze bereidwilligheid luidde een ware goudkoorts in, die Spanjaarden, Portugezen, Hollanders en Engelsen steeds dieper het nieuw ontdekte continent in dreef.

Het geloof in de aanwezigheid van het aardse paradijs verdween daarbij enigszins naar de achtergrond. De verovering van de rijken der Azteken en Inca’s met hun hoogontwikkelde cultuur leerde de westerlingen dat de Nieuwe Wereld niet uitsluitend door onschuldige `paradijsmensen’ werd bevolkt. Een illusie die overigens al eerder was verstoord door de aanwezigheid van bloeddorstige kannibalen, bij wie volgens de `indios’ de grootste hoeveelheden goud konden worden gevonden.

Toch bleef het pas ontdekte continent nog lange tijd vol wonderbaarlijke beloften. Niet alleen geloofde men dat de reuzen en reuzinnen die op CuraƧao werden gezien de afstammelingen waren van de mythische Titanen en Amazones, ook verwachtte men in de nog niet doorvorste oerwouden fabeldieren als eenhoorns en centauren in levenden lijve te kunnen tegenkomen. In het noordelijke Florida werd naarstig gespeurd naar de Bronnen van de Eeuwige Jeugd en in Zuid-Amerika, ten noordoosten van het Inca-rijk, gingen Spanjaarden, Duitsers en Britten bijna een eeuw lang op zoek naar het derde goudrijk, voorzien van een naam die al bij voorbaat het water in de mond bracht: Eldorado.

Via de Orinoco en de Amazone zou het bereikt kunnen worden. Het beloofde een zo mogelijk nog grotere opbrengst dan het rijk van de Inca’s en dat van de Azteken al hadden opgeleverd. De naam was ontleend aan het initiatieritueel waaraan elke nieuwe koning van dat geheimzinnige rijk zich had te onderwerpen. Bedekt met stofgoud moest hij zich onderdompelen in het koude water van een bergmeer om zo de zegen af te smeken van de godheid die op de bodem huisde.

Het meer van deze `vergulde man’ (El Dorado) werd ten slotte gevonden en zelfs uitgebaggerd – zonder resultaat. Het goud dat zich in de diepten zou hebben opgehoopt, bleek niet meer te achterhalen. Ook het rijk dat men verwacht had aan te treffen bleef, ondanks diverse uitputtende expedities, verborgen in de uitgestrektheid van het Amazonegebied. Voor de zekerheid kreeg wel de Spaanse `provincie’ waaronder het gebied viel de naam El Dorado, maar het goud dat er nadien werd verdiend kwam uit Afrika, aangezien uitgerekend deze provincie zich zou ontwikkelen tot het belangrijkste centrum van de slavenhandel in Midden-Amerika.

Voor het echte Eldorado kon men sindsdien nog alleen in de verbeelding terecht, waar het derde goudrijk een plaatsje kreeg naast het aardse paradijs, dat zich evenmin had laten betreden. Daar begon het een tweede leven, dat voortduurt tot op de dag van vandaag, zoals de Boekenweek van dit jaar mag bewijzen. Want het `Eeuwig El Dorado’ dat nu tot thema is gekozen slaat op de literatuur, in het bijzonder die van Latijns-Amerika, maar meer in het algemeen op alle literatuur, ook die van het oude Europa, waarin de lezers al lang geleden met het legendarische rijk hebben kunnen kennismaken.

Zo laat Voltaire zijn Candide Eldorado aandoen op diens verder weinig fortuinlijke omzwervingen over de aardbol. Het goud blijkt er inderdaad voor het oprapen te liggen, maar veel waarde hechten de bewoners er niet aan. Van de buitenwereld afgesloten door ontoegankelijke rotsen en kloven, hebben zij hun ongereptheid en welzijn weten te bewaren, terwijl de rest van het continent ten prooi viel aan de `roofzucht der Europese volken’. Eldorado zou je Voltaire’s utopie kunnen noemen: een gelukzalige staat, zonder misdaad, zonder afzonderlijke priesterkaste en met een deĆÆstische religie die geen moment tot onverdraagzaamheid of fanatisme inspireert. Het is de wereld zoals zij zou moeten zijn, niet zoals zij is.

Vandaar dat Candide, op zoek naar zijn geliefde Cunegonde, Eldorado ook weer verlaat. Voltaire was geen utopist, maar eerder een verlicht pragmaticus, die geloofde in een geleidelijke verbetering van de samenleving via rationele kritiek, wetenschap en cultuur. De keuze van Amerika als de plek voor zijn utopie was echter geen toeval. Van meet af aan heeft de utopie zich in de Nieuwe Wereld thuis gevoeld – als de seculiere pendant van het aardse paradijs, dat de godsvruchtige Columbus er op het spoor dacht te zijn gekomen.

In zijn boeiende boek Eldorado. Werkelijkheid en droom benadrukt Robert Lemm het belang van de ontdekking van Amerika voor het utopische denken in Europa. De ontdekkingsreizen markeren een omslag van nostalgie (naar het aardse paradijs of het gouden tijdperk) in een op de toekomst gericht verlangen, dat in de achttiende en de negentiende eeuw zal uitmonden in een utopisch geloof in de Vooruitgang. Het is te veel gezegd dat de utopie zonder Amerika ondenkbaar zou zijn geweest, voorbeelden van het genre bestonden immers al in de Oudheid, maar de uitbreiding van de landkaart en de suggestie van onafzienbare ruimte, gevolg van de ontdekkingen door Columbus en Vespucci cum suis, hebben de utopie wel een ongekende impuls gegeven. Wat voordien alleen bestond dankzij religie en fantasie, leek nu opeens ook werkelijkheid te kunnen zijn.

Bij Thomas Morus, wiens Utopia (1516) het genre zijn naam gaf, is daarvan overigens nog geen sprake. Alleen al de titel van het boek wijst op het imaginaire karakter van de ideale samenleving die door een reisgenoot van Vespucci op een eiland in de Nieuwe Wereld zou zijn aangetroffen. De rechtvaardige orde die Morus schetst (geen privƩbezit, weinig wetten, religieuze tolerantie) is uitdrukkelijk bedoeld als kritiek op de wantoestanden in de Oude Wereld en niet als een blauwdruk voor een toekomstige realiteit. Maar bij latere utopisten als Francis Bacon en Tomaso Campanella, die hun ideale staat eveneens op een nog onontdekt eiland situeren, is dat al veel minder vanzelfsprekend.

   In Morus’ tekst is het soms lastig kritiek en satire van elkaar te onderscheiden. In de utopieĆ«n van Bacon en Campanella kan niemand zich vergissen in de ernst van de intenties. Hun lijkt wel degelijk een andere wereld voor ogen te staan, die zij realiseerbaar achten door middel van de – bij Morus ontbrekende – natuurwetenschap, hoe bizar soms ook geformuleerd. Als zodanig vormen zij een voorbode van het wetenschappelijke vertrouwen dat in de achttiende eeuw het Vooruitgangsgeloof van utopisten als Condorcet, Turgot en Saint-Simon zal schragen.

Tussen dit vertrouwen in de wetenschap en het nieuw ontdekte Amerika lijkt een diepe kloof te gapen. Maar overbrugging is mogelijk als we de mythe van de `nobele wilde’ erbij betrekken. Aan de ene kant heeft deze mythe alles te maken met het geloof in de nabijheid van het aardse paradijs; in de `indios’ herkende Columbus een paradijselijke onschuld, die in de rest van de wereld na de zondeval verloren was gegaan. Aan de andere kant leven de indianen nog in een natuurlijke staat, waarvan de bijzondere kwaliteiten wellicht via een regeneratie in de gecultiveerde Europeanen weer tot leven kunnen worden gewekt.

De relatieve onschuld van de bewoners van Amerika had lang geleden ook in Europa bestaan. Door de indianen te bestuderen meende de achttiende-eeuwse vader van de antropologie Jean-FranƧois Lafitau het karakter van de eerste mensen te kunnen achterhalen. En via deze wetenschappelijk bedoelde mythologie van het eerste begin werd onwillekeurig voeding gegeven aan het geloof in de mythe van een nieuw begin. Nog niet of nauwelijks bij Rousseau, die ondanks zijn vertrouwen in de goede natuur van de mens en zijn juridische utopie in Du contrat social uiteindelijk verzonk in roetzwart pessimisme, maar wel bij zijn volgelingen die, aanzienlijk optimistischer gestemd, in 1789 de Franse Revolutie lieten uitbreken en die een paar jaar later zelfs een nieuwe tijdrekening lieten beginnen.

Voor de revolutionaire philosophe Condorcet lag het aardse paradijs of het gouden tijdperk niet langer in het verleden, maar in de – nabije – toekomst. De mensheid was onverbiddelijk op weg naar een aards `Elysium’. De utopisten van de negentiende eeuw hebben het hem geestdriftig nagezegd. Hun utopieĆ«n verlaten het domein van de kritische fictie, om te veranderen in – naar zij zelf meenden – realistische, ja wetenschappelijke programma’s voor een betere en rechtvaardiger toekomst. Iemand als Saint-Simon, die in zijn jeugd nog had meegevochten in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (Amerika is zelden ver weg als het om utopieĆ«n gaat), beschouwde zichzelf als de Newton van de sociale wetenschap. Zoals de grote natuurkundige de wet van de zwaartekracht had gevonden, zo had hij de algemene wet van het maatschappelijke heil ontdekt.

Zijn oplossing voor de bestaande wantoestanden doet nog altijd vertrouwd aan. Het heil verwachtte hij van een groep mensen die hij aanduidde als de `industriĆ«len’. Bedoeld waren onder anderen bankiers, wetenschapsmensen, kunstenaars, ondernemers, groothandelaren. Zij waren het die in de praktijk het welzijn en de welvaart van de samenleving bevorderden, anders dan de politieke machthebbers, wier afwezigheid volgens Saint-Simon door niemand zou worden betreurd. De hele politiek kon in feite worden afgeschaft en vervangen door een bedrijfsmatig bewind, gericht op doelmatigheid en efficiency.

Op zijn sterfbed zou Saint-Simon tot zijn volgelingen hebben gezegd: `De peer is rijp, jullie hoeven hem alleen maar te plukken’. Wie nu om zich heen kijkt, kan het resultaat zien van de oogst, ook al is dat niet alleen aan de ijver der saint-simonisten te danken geweest. De wereld waarin we tegenwoordig leven doet in verregaande mate denken aan de – gerealiseerde – utopie van Saint-Simon. Het enige wat ontbreekt is de associatie met het aardse paradijs of met het gouden tijdperk. Binnen de utopie is de gelukzaligheid onverminderd een object van het verlangen gebleven. Dus dromen we nog altijd van Eldorado, al weten we inmiddels dat het buiten de grenzen van de verbeelding nergens kan worden gevonden.

Afreizen naar Zuid- of Midden-Amerika heeft geen zin meer. De laatste resten utopische illusie, op het Cuba van Fidel Castro waar teleurgestelde westerse intellectuelen dertig jaar geleden hun linkse optimisme kwamen bijtanken, zijn ook daar roemloos ten onder gegaan. Alleen de literatuur biedt nog een uitweg, in de barokke en magisch realistische verbeelding van de schrijvers, die – zoals Robert Lemm schrijft – in de jaren zestig aanleiding gaf tot een nieuwe ontdekking van Amerika.

Toch herleeft het aardse paradijs ook bij hen uitsluitend als herinnering, getuige Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel GarcĆ­a MĆ”rquez waarin van het paradijselijke Macondo voornamelijk het verval wordt beschreven. Op een schitterende, betoverende manier weliswaar, zodat althans in de stijl nog iets bewaard blijft van de volheid van de droom, maar de droom zelf is vervlogen. Julio CortĆ”zar had gelijk toen hij schreef: `Alles wat tegenwoordig geschreven wordt en wat de moeite van het lezen waard is, staat in het teken van de nostalgie (…) ArcadiĆ«-complex, terug naar de baarmoeder, back to Adam, le bon sauvage, het verloren paradijs…het verloren paradijs dat iedereen op de een of andere manier zoekt’.

De utopie is niet langer het object van de verbeelding, de verbeelding is zelf iets utopisch geworden. `Eldorado is een illusie’, luidt de slotzin van Lemm’s boek. Ja, maar dan zoals alle literatuur een `illusie’ kan worden genoemd, niet reĆ«el en toch aanwezig. Daaraan ontleent zij juist haar waarde en betekenis. In de literatuur vinden we een illusie waarin we kunnen geloven zonder te vergeten dat het om een illusie gaat. Zo kan Eldorado misschien toch nog bestaan, als een paradox en bij de gratie van zijn eigen ontkenning.

Eerder verschenen in De Volkskrant en op Arnold Heumakers