Ethiek en veiligheid

Woensdag, 1 juli, 2015

Geschreven door: Gerben Bakker
Artikel door: Marnix Verplancke

“Big Brother is vervangen door vele Little Sisters”

Onze veiligheid waarborgen door repressie lukt niet, aldus de Nederlandse veiligheidsfilosoof Gerben Bakker. Het is makkelijk om het leger de straat op te sturen, maar werkelijk iets doen aan het maatschappelijk onbehagen dat we voor angst houden, is een zaak van lange adem.

Wie de criminelen van morgen wil aanpakken kan best met de kinderen van vandaag beginnen. Dat zou je het idee kunnen noemen achter het Nederlandse Politiekids-project. Daarbij worden kinderen uit probleemwijken geïntroduceerd in de politie. Samen met reguliere agenten waarschuwen ze tegen zakenrollers, voeren ze verkeerscontroles uit of geven ze voorlichting aan buurtbewoners. En dat allemaal omdat ze een voorbeeld zouden nemen aan de arm der wet in plaats van aan de adolescente boefjes die hun buurt onveilig maken. Fantastisch initiatief, denk u wellicht, maar niet zo Gerben Bakker, ethicus en auteur van het boek Ethiek en veiligheid. ‘In plaats van iets te doen aan de werkelijke oorzaak van het onveiligheidsgevoel, zet men kinderen in om de sociale controle te vergroten of respect te kweken voor de politie,’ zegt hij. ‘Op zich heb ik daar niets op tegen, maar wanneer men van deze kinderen “de ogen en oren van de wijk” wil maken, zoals burgemeester Van Zanen zei, dreigen zij geïnstrumentaliseerd te worden.’

Menig psycholoog zal het u zeggen: veiligheid is een van onze basisbehoeften, en toch is het begrip in feite pas sinds de Koude Oorlog centraal komen te staan. Daarvoor dacht men bij veiligheid voornamelijk aan het onderscheid tussen oorlog en vrede. Bovendien was het concept veiligheid vroeger ook veel smaller dan vandaag. Naarmate de maakbaarheid van de mens en zijn wereld groter zijn geworden, is ook het concept veiligheid gegroeid. ‘Vroeger kon de mens de wereld veel minder manipuleren,’ aldus Bakker, ‘Wanneer er iets gebeurde, was dit het noodlot. Je werd ziek en je stierf, terwijl wij vandaag geneesmiddelen hebben, om maar een voorbeeld te geven. We hebben het dus steeds moeilijker om het noodlot te aanvaarden. Veiligheid gaat dus al lang niet meer over het beschermen van het vege lijf tegen andere mensen. Daar zijn bijvoorbeeld voeding en milieu bijgekomen. Veiligheid is alles geworden waar risico’s aan kleven. En wie een veiligheidsbeleid wil voeren, moet dus aan risicobeheersing doen.’

Waar komt die risicobeheersingsmentaliteit vandaan?

Scènes

Gerben Bakker: ‘Risicobeheersing zit heel diep verankerd in onze westerse rationele traditie. Op een georganiseerde manier ontstaat risicobeheersing in de zeventiende eeuw, wanneer de grote imperialistische handelsondernemingen zoals de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Britse Oost-Indische Compagnie de wereldzeeën begonnen te bevaren. Er doken toen underwriters op, mensen die informatie over de schepen verzamelden en premies vroegen voor het afdekken van de lading. Alles ging daarbij heel rationeel in zijn werk. Thomas More schreef zijn Utopia een eeuw eerder. Wanneer men het over dat boek heeft, haalt men over het algemeen zijn sociaal vooruitstrevende ideeën aan. Mij viel echter iets anders op: de plaats waar Utopia gesticht is. Dat is een landpunt die op een bepaald moment is afgesneden van het vasteland door een breed kanaal te graven. Utopia wordt dus afgescheiden van de rest van het land. Bovendien is het eiland omringd door een natuurlijke bergketen, en is er maar een ingang: een smalle zee-engte die bewaakt wordt door een hoge toren. Dit is de eerste grote westerse utopie, en meteen ook de eerste beschrijving van een gated community. Enerzijds geloofde men dus heel erg in de maakbaarheid van de wereld en de mens, wat een grote openheid veronderstelde. Maar anderzijds wou men hetgeen men had ook heel erg beschermen tegen eventueel verlies. In die spagaat zitten wij nog steeds. Francis Fukuyama zei dat de westerling van nu een soort laatste mens is. Hij leeft in een comfortbubbel waarin hij bereid is een verregaande beteugeling te accepteren in ruil voor het behoud van bezit en levensstandaard.’

Dus ook zijn privacy en zijn recht op vrijheid?

Bakker: ‘Daar wringt inderdaad het schoentje. De keerzijde van veiligheid is meestal vrijheid. Wanneer de eerste groter wordt, verkleint de tweede. Wanneer onze veiligheid in het spel is, lijkt veel aanvaardbaar te zijn, en stapje voor stapje wordt onze vrijheid ingeperkt. Een van de pittigste dilemma’s van onze tijd is hoe de politiek op de terreurdreiging dient te reageren. Het is evident dat je iets moet doen wanneer er een aanslag plaatsvindt. Ook symboolpolitiek kan dan geruststellen. Tot op zekere hoogte moet de politiek luisteren naar de morele emoties die spelen, en dus worden er militairen de straat op gestuurd. De vraag is of dit geen nieuw gevoel van onveiligheid creëert omdat je zo de openheid en de vanzelfsprekendheid van de publieke ruimte inperkt. Iedereen met wat gezond verstand zal inderdaad zeggen dat militairen op straat niet de oplossing zijn, maar wellicht zullen ze er ook aan toevoegen dat wanneer die militairen er staan, de terroristen wel ergens anders hun bommen tot ontploffing zullen brengen.’

Maar zij nemen het gevaar toch niet echt weg?

Bakker: ’Ons waardendenken bevat in feite drie richtingen. Wanneer je het kwaad – een aanslag bijvoorbeeld – wil voorkomen, maak je dat dit niet kan gebeuren. Je beveiligt alles en scherpt de waakzaamheid aan. Dat is de doelrationele component. Je handelt om negatieve gevolgen te minimaliseren. Daarnaast zou je minder aan de maatschappelijke gevolgen kunnen denken en het vooral het accent leggen op je plichten. Zo kun je ook stellen dat iemand doden te allen tijde principieel verboden is. Dat noemt men plichtenethiek. En tenslotte is er het idee dat veiligheid een kwestie van geborgenheid en sociale participatie is. Dan kun je deze bevorderen om het kwaad in de toekomst tegen te gaan: de deugdenethiek. De overheid reageert volgens mij heel doelrationeel. Zij kijkt naar de gevolgen, meet die en formuleert specifieke doelstellingen: we hebben dit en dit gedaan om dat en dat te beperken. Dat zijn zaken die je direct kan doen, wat belangrijk is voor de perceptie: politici die direct ingrijpen zijn immers goed bezig. De vraag is echter of het onbehagen ook in die hoek te zoeken is. Zijn die para’s op straat de oplossing voor de terreur? Volgens mij moeten we de oplossing voor onze veiligheid op lange termijn eerder zoeken in de richting van de deugdenethiek: het herstel en het overbrengen van bepaalde waarden van betrokkenheid. Alleen is dat een kwestie van lange termijn natuurlijk. Die kun je niet van de ene op de andere dag invoeren.’

De kans dat we in België of Nederland omkomen bij een terroristische aanslag is bijzonder klein. Waarom zijn we er dan zo bang voor?

Bakker: ‘Ik denk dat we twee zaken goed uit elkaar moeten houden: dat mensen zich zorgen maken over terreur en dat ze er bang voor zijn. Mensen maken zich zorgen over moreel verval. Ze weten wel dat ze niet echt veel gevaar lopen om te sterven bij een aanslag. Dat zag je ook in Parijs. De eerst reactie was: we moeten ons niet laten kisten en doorgaan met het leven. Dat is veerkracht. Niemand wil een repressieve samenleving. In de criminologie maakt men onderscheid tussen positieve en negatieve veiligheid. Negatieve is repressief, terwijl positieve erop gericht is de geborgenheid van mensen te verhogen. We moeten beide nastreven, denk ik.’

Hoe bereik je positieve veiligheid?

Bakker: ‘Door sociale cohesie te bevorderen, en projecten op te zetten waardoor mensen zich weer een gemeenschap gaan voelen. En dat kunnen ook minder voor de hand liggende zaken zijn, zoals de aanleg van een mooi plein waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Zoiets vergroot de veerkracht van een kleine gemeenschap. Iets anders waar je aan kunt denken is inspraak. In hoeverre is onze samenleving democratisch? Zo kom je bij elementaire zaken uit waarvan je niet meteen zou verwachten dat ze met veiligheid te maken hebben, maar die wel de geborgenheid scheppen die je als samenleving het liefst wil handhaven.’

Onze angst voor onveiligheid berust dus op onbehagen?

Bakker: ‘Precies. Wij zijn niet bang voor terreur, maar voelen een moreel onbehagen. Wij zijn bezorgd over de zaken die in het thema van veerkracht zitten: dat je op de tram niet afgefakkeld wordt door de conducteur, dat je een goede babbel kunt doen met je buren en dat er rond de glascontainer geen hopen afval liggen. Dat zijn de zaken waar je bij onbehagen aan moet denken. Het veiligheidsverlangen dat uit dit onbehagen voortvloeit wordt door de politiek niet begrepen.’

Reduceer je op die manier niet ieder maatschappelijk probleem tot een veiligheidskwestie?

Bakker: ‘Het gevaar bestaat dat veiligheid op die manier inderdaad een containerbegrip wordt. Als wij onder veiligheid ook gemeenschapszin gaan verstaan, dan wordt ook dat weer een onderwerp van maakbaarheid en management. Maar wil je dat? Ik denk dat we daar voorzichtig mee moeten zijn en niet alles in het teken van de veiligheid moeten plaatsen. Als je veiligheid heel breed gaat interpreteren vallen ook gezondheidszorg en klimaatpolitiek eronder. Alles wat erop gericht is de toekomst van onze samenleving veilig te stellen, behoort er dan toe. Het meest in het oog springende is op dit moment de noodzaak aan burgerparticipatie. Wanneer je deze echter inschakelt in een veiligheidsbeleid, dreig je haar te organiseren op verkeerde gronden. Politiekids is daar een mooi voorbeeld van. De kinderen worden de ogen en oren van onze toekomstige veiligheid, zegt de commissaris. Maar dan is hij instrumenteel aan het denken, terwijl veiligheid een vanzelfsprekend deel zou moeten zijn van het menselijk leven.’

Wanneer je vandaag de media bekijkt krijg je eerder de indruk dat onveiligheid een vanzelfsprekend deel is van het menselijk leven.

Bakker: ‘We verwarren vaak wat in de media aan bod komt met wat de psyche van de mensen werkelijk beheerst. Zij schrijven ons niet voor waarover wij denken, maar ze bepalen wel waarover wij met elkaar praten. Ik denk dus niet dat het zo is dat mensen meer veiligheid eisen omdat ze terreur zien in de media, maar eerder dat ze de terreur zien als een symptoom van moreel verval en zich gaan afvragen of ze nog wel vooruit kunnen of de toekomst er daarentegen zwart en onzeker uitziet. De media nemen elkaar mee in een bepaalde richting. En daar zijn meerdere redenen voor. Enerzijds zie je steeds minder variatie in het beeldmateriaal omdat de budgetten krimpen en het goedkoper is om beeldmateriaal aan te kopen dan er zelf een cameraploeg op uit te sturen. We worden daardoor geleid door steeds minder, dominante beelden. Maar er is meer. Vlak na 9/11 maakte ik samen met een paar vrienden een reis naar Istanbul. We liepen door de stad toen er opeens een ontploffing was en we een schokgolf voelden. Alle mensen om ons heen vluchtten onmiddellijk naar de locatie van de ontploffing toe, terwijl wij, angstig als we waren door alle berichtgeving over de aanslagen in New York, precies keihard de andere kant op renden. Daar was iets heel bijzonders aan de hand, dacht ik toen. Die Turken beschikten blijkbaar over een heel andere mindset dan wij. Maar dat was nog niet alles. We waren toen toch wel nieuwsgierig geworden naar wat er gebeurd was, dus keerden we al gauw op onze stappen terug om de ware toedracht te weten te komen. Blijkbaar was in een restaurant een gasfles ontploft. Er was dus helemaal geen sprake van terreur. Wat verscheen er in de Nederlandse media? “Aanslag PKK in Istanbul”. De dagen nadien heb ik nagegaan of dit rechtgezet werd, en dat was niet zo. Ons beeld van de wereld, wordt dus bepaald door de media en wat zij melden klopt niet steeds met de realiteit. Dat geldt voor ons, maar ook voor de mensen in Molenbeek die hele dagen via de satelliet naar zenders uit het Midden-Oosten kijken en ingelepeld krijgen welke gruwelijkheden de westerse bombardementen op IS wel niet veroorzaken. De permanente media-aandacht voor de terreur creëert een soort permanente noodtoestand. Stilaan krijgen we het idee dat de wereld aan het vergaan is. We hebben een grote welvaart bereikt en vanaf hier kan het alleen nog maar neerwaarts gaan. De klimaatcatastrofe komt op ons af, net als de volgende financiële crisis. We worden overspoeld door vluchtelingen en overal liggen terroristen op de loer. Dat maakt dat we de term risico vandaag alleen nog maar zien in een negatieve context en ons afvragen hoe we dat risico kunnen begrenzen.’

Moeten burgemeesters een lijst krijgen van jongeren die in hun gemeente aan het radicaliseren zijn?

Bakker: ‘Hoe ga je dat bepalen? Zet je daar iedereen op met een baard of een djellaba? Ethisch gezien kan dat soort profilering niet door de beugel. Maar we mogen ook niet vergeten dat ethiek altijd een afwegingsproces is waarbij ook doelrationele argumenten meewegen. Je kunt wel vasthouden aan het principe dat je mensen niet mag vermoorden, maar er toch akkoord mee gaan dat collateral damage optreedt bij bombardementen. Die doden wegen dan kennelijk voor ons niet op tegen de onthoofdingen van IS. Vandaag denken we op dezelfde manier over preventie: daar wordt onrecht bij gedaan en mensen gestigmatiseerd, maar we zijn bereid dat er bij te nemen. Het radicaliseringsvraagstuk ligt in deze heel moeilijk. Je zit met mensen die de hoogste morele autoriteit aan god toeschrijven en die zich geplaatst zien tegenover de multiculturele burger die daar helemaal niet mee akkoord gaat. Hoe reageer je als school wanneer een ouder zegt dat hij niet wil dat zijn dochter met jongetjes speelt? Ik las onlangs een handreiking over omgaan met radicalisering in de klas voor docenten in het secundair onderwijs. Daar werd de raad gegeven altijd waardenvrij te communiceren. Het idee is dat dit deëscalerend werkt: iedereen heeft zijn woord en iedereen mag er zijn. Dan zijn we one happy family. Waardenvrij communiceren is echter niet aanbevelenswaardig omdat je zo in het midden laat waar je als maatschappij voor staat.’

Mag je iemand arresteren of uitschakelen omdat hij een aanslag beraamt?

Bakker: ‘Wij zijn geneigd steeds meer monitoringinstrumenten te gaan installeren om een preventief veiligheidsbeleid te voeren. Dat staat natuurlijk op gespannen voet met waarden waar we met zijn allen voor getekend hebben en die gebaseerd zijn op liberale beginselen. Een daarvan is het schadebeginsel van John Stuart Mill, en op basis daarvan kun je niemand oppakken die nog geen fysieke of psychische schade heeft aangericht. Maar toch doen we dat omwille van instrumentele overwegingen. En dat gaat ver. Scholen moeten vandaag hun kinderen monitoren. Daarbij moet uitgekeken worden naar verdachte kenmerken, waarna die gerapporteerd dienen te worden. Waar gaat dat naartoe?’

George Orwell zou wellicht denken dat het nog veel erger is dan hij het zich ingebeeld had: we staan onze rechten af en we zijn er nog blij om ook.

Bakker: ‘Big Brother is inderdaad vervangen door vele Little Sisters. We leven in een maatschappij waarin vanuit een preventief oogmerk steeds meer databestanden aan elkaar worden gekoppeld. Wij zien dus blijkbaar niet dat we zo onze fundamenteelste waarden aan het ondergraven zijn. Ik denk dat we op zoek moeten naar een ander politiek bestel. Wanneer we veerkracht willen organiseren en politiek eigenaarschap nieuw leven inblazen, moeten we nadenken over een nieuwe politieke structuur in de richting van een deliberatieve democratie, waarbij het politieke initiatief in komt te liggen van geïnformeerde burgers en deze hun macht niet afstaan aan volksvertegenwoordigers. Hannah Arendt zei dat het menselijk leven pas echt zin krijgt wanneer je een realistische politieke stem hebt en op een directe, lichamelijke manier deelneemt aan de polis. Wat hier is, is ook van mij; wat hier gebeurt, ben ik en wat de staat doet, doet hij bij monde van mij. Daar moeten we naartoe.’

Eerder verschenen in Knack


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.