Gelittekende harten 

Vrijdag, 15 juli, 2022

Geschreven door: Max Blecher
Artikel door: Nico van der Sijde

De verrottende leegheid der dingen

[Recensie] De Roemeense schrijver Max Blecher (1909- 1938) is weinig bekend, maar werd geroemd door onder meer Ionesco en Herta Mueller. Zijn leven werd sterk belemmerd en bekort door ruggemergtuberculose, een zeer naargeestige en toen nog ongeneeslijke ziekte die hem zijn ruggenwervels en zijn leven kostte. Maar in zijn korte leven produceerde hij drie autobiografische romans die vergeleken zijn met Kafka en Bruno Schulz, en met Der Zauberberg van Thomas Mann. Veel mensen zien Blecher ook als voorloper van het existentialisme, omdat hij de walging vanwege de absurde leegheid der dingen zeker zo pregnant zou hebben beschreven als Sartre en Camus. Vijf jaar geleden werd in 8weekly Blechers eerste roman, Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid , door Miriam Rasch bejubeld, en als “literatuur van de hoogste orde” omschreven. Haar motivatie: “Blecher weet via de taal de ervaring van allerdiepste wanhoop over te brengen en die ook nog van een filosofische grond te voorzien. Tussen de toppen van literaire schoonheid gaapt de bodemloze afgrond van angst waarboven Blecher je laat bungelen”. Zelf vond ik dat inderdaad eveneens een bijzonder imponerend boek, om precies dezelfde redenen, en ik ben erg blij dat nu Blechers tweede roman Gelittekende harten ook is vertaald. Want ook dit boek vind ik volkomen overrompelend: Blechers stijl is naar mijn smaak van een ongehoord poëtische en groteske pracht, en door die stijl geeft hij een zeer intens en invoelbaar beeld van de absurde leegte van de wereld.

Autobiografisch
Gelittekende harten heeft een autobiografische kern: hoofdpersoon Emanuel wordt net als Blecher zelf getroffen door ruggemergtuberculose (ook bekend als ‘ziekte van Pott’), zodat hij evenals Blecher moet kuren in het vrij bizarre sanatorium Berk, en maandenlang in een korset van gips moet leven, zich moet voortbewegen ruggelings liggend op een speciaal paardenkarretje (eigenlijk een brancard op wielen met een paard ervoor), en moet dealen met walging voor zijn eigen zieke, etterende en ongewassen lichaam en de al even zieke en etterende lichamen van zijn medepatiënten. Dit ook in het besef dat deze ziekte meestal niet geneest en tot een naargeestige dood lijdt. Dat autografische gehalte is al intrigerend genoeg: kennissen van Blecher waren verbijsterd over zijn luciditeit onder deze barre omstandigheden, en een soortgelijke verbijstering en bewondering kun je ook voelen als lezer van zijn romans. Niettemin, Gelittekende harten is naar mijn smaak vooral te bewonderen als roman: als een ontdekkingsreis in het bestaan, waarin nog onbekende aspecten van dit bestaan worden onderzocht. Want het gaat in dit boek niet ‘alleen maar’ over ziekte, hoe pregnant die ziekte ook wordt beschreven: het gaat vooral om de perspectieven die deze ziekten opent op het bestaan. En dan vooral op hoe dit bestaan, vanuit het perspectief van de zieke, zich als absurde leegte ontvouwt waarin alle dingen hun ‘normale’ zin en belang totaal hebben verloren. Een lang en naar mijn smaak prachtig citaat ter illustratie:

“En toch leek alles droeviger en onverschilliger…. Er liep nu een zieke Emanuel door die wereld, een man met een aangevreten wervel, een ongelukkige voor wie de huizen verschrikt weken. Hij stapte slap over het trottoir, alsof hij dreef op het asfalt. In de tussentijd dat hij in het dokterskabinet was geweest, had de wereld zich merkwaardigerwijs verfijnd. De contouren van de dingen bestonden nog wel, maar enkel als dunne lijntjes die, zoals in een tekening, een huis omlijnen om er een huis van te maken of die het profiel van een mens vastleggen. Die contouren omsloten dingen en mensen, bomen en honden, terwijl ze amper de kracht hadden om de enorme hoeveelheid materie, die op de rand van verval stond, te bedwingen binnen de grenzen ervan. Het had volstaan dat iemand dat dunne lijntje aan de rand van de dingen lospeuterde en die imposante huizen, opeens beroofd van hun contouren, hadden zich in een homogene materie van slib en as opgelost. […] Emanuel zelf was niet meer dan een massa vlees en beenderen, ondersteund door de rigiditeit van een profiel.”

Leegte zonder omtrek
Zo doen de dingen en levende wezens zich dus aan Emanuel voor: als absurde leegtes zonder omtrek, vol zinloos verrottende materie. Als vergankelijke materie zonder zingevende vorm. Zo ziet Emanuel bovendien ook zichzelf: niet voor niets vergelijkt hij later zijn ziel met een dode kwal, “een enorme brok gelatineus, doorzichtig vlees, met de scherpe reuk van vis en jodium” en “die walgelijke, inerte brok leven”. En niet voor niets wordt ook gezegd dat genezing net zo meedogenloos is als ziekte, want deze ervaring waarin de leegte van de wereld (en van de eigen ziel) zich zo pregnant voordoet raakt de zieke ook na zijn genezing niet kwijt. Sterker nog, een van de personages overtuigt Emanuel ervan dat je voor zo’n ervaring niet eens ziekte nodig hebt: het volstaat om even afstand van het leven te nemen, om even de tijd te nemen voor EEN enkele diepgaande vraag over de zin van het bestaan. Dat is al voldoende om een ervaring op te doen van de leegte der dingen, en die ervaring raak je nooit meer kwijt. Welnu, exact dat soort ervaringen weet Blecher pagina na pagina op te roepen, in ongehoord intense en meeslepende bewoordingen. Extatische ervaringen waarin Emanuel boven de leegte bungelt en verbijsterd raakt door wat hij dan ziet, voelt, denkt, droomt en ervaart. Zoals bijvoorbeeld in de volgende geweldige groteske beschrijving van de vrijpartij in de duinen van Emanuel, waarbij hij dus in gips is gehuld.

“Ondertussen had hij zich aan zijn korset gewend en was hij in staat bewegingen uit te voeren, die hij voordoen niet voor mogelijk had gehouden […]. Hier en daar drong het gips in haar dijen en ze voelde de pijn en de roes van de liefdesdaad, de bittere werkelijkheid van hun rauwe hartstocht, volbracht in de onmetelijke lucht van de duinen, omgeven door de onbegrensde wildernis van de plek. Toen rolde Emanuel zich weer op zijn rug, uitgeput, met opengesperde ogen, starend in de ondoordringbare witte hemel als in een betekenisloze helderheid […] Het was een moment van een adembenemende grootsheid. De zon verdween langzaam achter de horizon en vergoot haar laatste stralen bloed. De hele hemel werd plotseling donker, als een oplossing die opeens neersloeg, en in het diepe blauw ervan werd het glinsterende netwerk even subtiel en even precies als een stalen constructie die zich tot in de verte uitstrekte als een enorm en bizar metalen vlak. […] Emanuel en Solange gingen van de plek vandaan met een door schoonheid uitgeputte ziel”.

Pf


Bodemloze zinloosheid
Gelittekende harten wordt zoals gezegd wel met Der Zauberberg vergeleken, dus met Manns meesterwerk dat eveneens in een sanatorium speelt. Maar waar Mann de setting van het sanatorium gebruikt voor (overigens geniale) filosofische uitweidingen over ziekte, gezondheid, cultuur en de vele mogelijke perspectieven op de zin van het bestaan, daar peilt Blecher juist de bodemloze zinloosheid van het bestaan en de wijze waarop ziekte elke “zin” uitholt. Ook doet Gelittekende harten wel denken aan “Walging”, waarin ook heel pregnante passages staan over de leegte der dingen en de walging die dat oproept. Maar waar Sartre die ervaring gebruikt voor (overigens intrigerende) filosofische gevolgtrekkingen, gaat Blecher juist veel dieper in op de verschillende aspecten van die ervaring, in een taal bovendien die aardig wat hallucinanter, grotesker, intenser en surrealistischer is dan die van Sartre. Want bij Blecher draait het vooral om “het bizarre avontuur mens te zijn”, een avontuur dat bij hem alle trekken heeft van een intense nachtmerrieachtige droom, of van een groteske extase die ook de lezer behoorlijk uitgeput achterlaat.

Naargeestig, maar waardevol
Waarom vind ik dit boek met al zijn naargeestige inhoud nou zo prachtig en waardevol? Een belangrijke reden is de naar mijn smaak werkelijk geweldige stijl ervan, die mij helemaal euforisch maakt ondanks alle door die stijl zo pregnant opgeroepen absurdistische zinledigheid en verrotting. Maar een minstens zo belangrijke reden is toch ook dat die ervaring van zinledigheid en verrotting zo pregnant wordt opgeroepen. Dit soort proza ontneemt een mens veel illusies, maar ik vind dat niet per se slecht: verlies van illusies is ook verlies van ballast. Natuurlijk is zwelgen in zinloosheid ook niet heel bevorderlijk: iemand die ziek is moet uiteraard geholpen worden, iemand die geen zin meer in het leven ziet eveneens. Maar aan de andere kant blijft niemand van ons gespaard voor terminale ziekte of voor andere ervaringen waarin het leven zijn zin verliest, en is het ook verstandig dat te erkennen en om toch een soort verhouding tot die zinloosheid te zoeken, hoe zwaar en moeilijk dat ook is. En het naar mijn smaak prachtige proza van Blecher kan daar volgens mij bij helpen. Niet zoals een doe-boek dat doet, dus niet door allerlei praktische raadgevingen. Maar wel door een ontdekkingsreis te ondernemen in de absurditeit, en de lezer uit te nodigen om die ontdekkingsreis deels samen te voltrekken.

Mooi dus dat Gelittekende harten nu ook is uitgegeven. Er staan wat storende spelfouten en grammaticale fouten in de tekst, maar toch vind ik de vertaling van Jan Mysjkin helemaal geweldig, en zijn voorwoord trouwens ook. Binnenkort herlees ik De avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid, want ook daar heb ik zo’n vijf jaar geleden zeer van genoten, en ik hoop dat ook de derde roman van Blecher binnenkort in vertaling uitkomt. Prachtig kortom dat Blecher nu ook in Nederland herontdekt is en wordt. Blij dat ik nu twee boeken van hem heb gelezen.

Eerder verschenen op Hebban