Gerechtigheid voor dieren

Zondag, 12 maart, 2023

Geschreven door: Martha C. Nussbaum
Artikel door: Jan Koster

Interessante denkrichting, met enkele beperkingen

[Recensie] De laatste tijd is er toenemende aandacht voor de omgang met en hoe de mens zich zou moeten verhouden tot andere dieren. In het onlangs verschenen Gerechtigheid voor dieren doet Martha Nussbaum een dappere poging om lijnen uit te zetten en kaders aan te geven die zouden moeten resulteren in een betere wereld voor wezens met bewustzijn.

De mens als norm
Haar betoog, zo mag dat wel genoemd worden, in Gerechtigheid voor dieren is opgebouwd uit twaalf hoofdstukken. Het begint met de huidige situatie waarin dieren worden uitgebuit, verwaarloosd en waaraan op allerlei manieren schade wordt berokkend. Ze kijkt verder dan de gemakzuchtige voorbeelden zoals de bio-industrie en het gebruik van dieren ter vermaak. Nussbaum noemt voorbeelden zoals een walvis waarvan de maag zo vol plastic zit dat er geen ruimte meer was voor voedsel en daardoor stierf, of een vink die sterft aan de gevolgen van luchtverontreiniging. Het spreekt tot de verbeelding en de toon is daarmee gezet.

Van daaruit onderzoekt Nussbaum hoe het zover heeft kunnen komen. Zij richt zich met name op de westerse wereld en de daarin overheersende religieuze en filosofische gedachten. Dit is mede omdat religies als hindoeïsme en boeddhisme aan dieren meer rechten toekennen. Al in de Griekse en Romeinse tijd achtte men de mens superieur aan andere dieren. Dat gedachtengoed komt ook tot uiting, misschien wel in nog sterkere mate, in de joods-christelijke traditie.

Langzaam is er de laatste eeuwen een kleine kentering in gekomen. Ten opzichte van dieren waarvan men dacht dat die over een mate van bewustzijn beschikken, die iets wegheeft van menselijk bewustzijn, werd de houding genuanceerder. Het is de ‘zoals-wij’ benadering. Dit denken heeft zich voortgezet en heeft geresulteerd in de ‘scala naturae’, zeg maar een hiërarchische indeling van alle diersoorten op basis van de mate van bewustzijn. De mens staat daarin uiteraard (althans volgens de toenmalige denkbeelden, die voor velen nog steeds leidend zijn) bovenaan. De gedachte is van zichzelf al discutabel, dat geldt evenzeer voor de daarin aangebrachte ‘rangorde’.

Schrijven Magazine

Denkrichting
Onder invloed van filosofen als Jeremy Bentham en John Stuart Mill die het denken op gang brachten, beweegt zij verder naar recentere denkers als Peter Singer en Christine Korsgaard. Hun gedachten acht Nussbaum waardevol, maar nog steeds ontoereikend. Zij werkt toe naar omgang met dieren volgens de capabiliteitsbenadering. Dieren moeten niet slechts worden gezien als gebruiks- en vermaaksartikelen, maar als wezens met een doel op zich. Een dier is van zichzelf niet bedoeld om de mens in welke vorm dan ook te dienen en moet een omgeving hebben waarin het kan leven op een wijze die recht doet aan de intrinsieke mogelijkheden.

Dat wil niet zeggen, dat bevestigt Nussbaum ook in Gerechtigheid voor dieren, dat het een veilige omgeving zal zijn. Ook de dierenwereld is wreed en is voor vele wezens onveilig. Het betekent wel dat de rol van de mens als bepalende en verstorende factor afwezig, of dan toch zo minimaal mogelijk, zou moeten zijn.

Grenzen en beperkingen
De richting is hiermee wel bepaald. Nu de grenzen en de beperkingen, want Nussbaum erkent dat er niet voor alles een oplossing zal kunnen bestaan. Een van de moeilijk bepaalbare grenzen is wat dieren zijn. Met name de dunne grens tussen dieren en planten, denk aan anemonen, maakt dit een lastige kwestie. En hoe lastig is het om je houding te bepalen ten opzichte van gedomesticeerde dieren?

Ook de mate van bewustzijn is lastig te bepalen en is daardoor niet stevig als grondslag voor een rangorde. Je begeeft je dan op ethisch moeilijk terrein als je de mens zonder nadenken bovenaan de ladder neerzet. Van wezens als kwallen en garnalen is moeilijk aannemelijk te maken dat die over bewustzijn beschikken. Maar geldt datzelfde misschien niet evenzeer voor een mens in permanent comateuze toestand? Je kunt het niet beoordelen en dat maakt het lastig. Hebben dieren, als je goed onderzoek zou plegen, misschien zelfs meer bewustzijn dan pasgeboren mensen? Het lijkt niet ondenkbeeldig. Vanwaar dan het onderscheid in behandeling als de mate van bewustzijn bepalend is? De grens wordt bij mensen verder opgerekt dan bij andere dieren. Begrijpelijk, maar toch.

Waar ik een groter probleem mee heb is een andere afgrenzing. Nussbaum komt tot de vergaande conclusie dat alle dieren een bewustzijn hebben, hoe minimaal ook, en dat zij daarom het recht hebben om te mogen leven volgens de capabiliteitsbenadering. Flora zou daar niet over beschikken en je kunt daarom als mens probleemloos planten en bomen gebruiken, binnen zekere grenzen. Zonder bewustzijn geen pijn.

Ze gaat er te gemakkelijk aan voorbij dat steeds duidelijker wordt dat ook flora een vorm van bewustzijn moet hebben. Hoe valt het anders te verklaren dat bomen in staat zijn om, indien nodig, elkaar te helpen waarbij schimmels als “communicatiemiddel” fungeren? Er zijn meer onderzoeken van vrij recente datum waaruit kan worden geconcludeerd dat ook niet-dierlijke levensvormen over een mate van bewustzijn beschikken, hoe minimaal dat misschien ook is. Ik wil maar zeggen, inzake het trekken van dergelijke grenzen is altijd discussie mogelijk.

Consequentie
Vanwaar die nadruk op bewustzijn? De gedachte erachter is dat dieren (alle levensvormen?) pijn kunnen ervaren en dus over bewustzijn beschikken. Het is aan de mens als belangrijke veroorzaker van pijn en andere schade om deze te beperken en ervoor te zorgen dat dieren zo goed mogelijk kunnen existeren op een wijze die aansluit bij hun natuur, hun capabiliteit. Zij verdienen bescherming. De mens zou in die optiek de plicht moeten hebben om dat te bieden. Dat is nou eenmaal de consequentie als je bovenaan die ladder wilt staan.

Dieren en andere levensvormen zouden het recht moeten hebben om dat te kunnen. Dat recht zou zelfs afdwingbaar moeten zijn. De toestand van de rechtssystemen in de wereld noemt Nussbaum primitief en daar zit wel wat in. Toch zijn er al landen die aan levensvormen afdwingbare rechten hebben toegekend, maar om nou te verwachten dat het op korte termijn gemeengoed zal worden, is een illusie.

Maakt dat het dat Gerechtigheid voor dieren daarom dan vooral een theoretische exercitie en geen praktische gids? Zeker niet. Soms moet je de stip op de horizon verder weg plaatsen, onder voorwaarde dat deze wel zichtbaar blijft. Dat is wat Nussbaum hiermee lijkt te beogen en daar is zij wat mij betreft goed in geslaagd.

Slotopmerking. Gerechtigheid voor dieren kent nogal wat filosofische passages en verwijzingen naar denkers van vroeger en hun gedachtengoed. Kennis daarvan is een pré, maar is niet noodzakelijk. Nussbaum legt het waar nodig goed uit, in heldere taal en daarmee is dit belangrijke boek ook toegankelijk voor lezers met een beperkte filosofische achtergrond.

Eerder verschenen op JKleest.nl