Geschiedenis van de MCC

Woensdag, 26 september, 2018

Geschreven door: Ruud Paesie
Artikel door: Karin de Leeuw

Tot aanqueek van de Zeeuwse koophandel en zeevaard

[Recensie] “Tot aanqueek van de (Zeeuwse) koophandel en zeevaarden” werd in 1720 te Middelburg een Compagnie van Commercie (MCC) opgericht. Handel, vooral die buiten Europa, was in de zeventiende eeuw zo kapitaalintensief geworden dat alleen door samenwerking tussen kooplieden en financiers nog projecten konden worden gerealiseerd. Naast de VOC en de Westindische Compagnie (WIC) werden op allerlei plaatsen andere samenwerkingsverbanden gesticht. Gemakkelijk was dit niet altijd, want de VOC en WIC hadden voor grote delen van de wereld een handelsmonopolie. Toen echter de slavenhandel werd vrijgegeven, lag daar een kans voor de MCC.

Maritiem historicus Ruud Paesie heeft de geschiedenis van de MCC opgetekend voor de Walburg Pers, die daarmee weer een deel toegevoegd aan een reeks van boeken over de Nederlandse Compagniën. Al deze werken zijn een lust voor het oog, rijk geïllustreerd en zeer informatief.

Voor het schrijven van dit boek kon Paesie terugvallen op een uniek archief. Terwijl veel Zeeuwse archieven tijdens de bombardementsbrand van mei 1940 verloren zijn gegaan, is dat van de MCC bijna volledig bewaard gebleven. Dit archief heeft zelfs de status van werelderfgoed. Het is opgenomen in het Memory of the World Register van de Unesco, omdat het een van de meest volledige archieven is van een onderneming die een tijdlang zijn profijt haalde uit de slavenhandel.

Toch was de slavenhandel niet het enige gebied waarop de MCC actief was. In de achttiende eeuw werd ook de walvisvaart gepraktiseerd en bleef de kaapvaart, van oudsher een beroemde bron van inkomsten in Zeeland, onderdeel van de bedrijvigheid van de compagnie. Zelfs werd een keer een ambitieuze Zuidzee-expeditie opgezet. Het bracht de MCC aan de rand van de afgrond. Winst of ander profijt bleef uit.

Hereditas Nexus

Die kaapvaart was, na het beëindigen van de Spaanse Successieoorlog in 1713, van minder belang geworden. Nederland stuurde aan op het voeren van een neutrale politiek en daar paste deze aparte vorm van handel minder goed in. Met het wegvallen van het slavenhandels-monopolie van WIC in de jaren dertig van de achttiende eeuw kon de MCC deel gaan nemen aan de driehoekshandel. Vanuit Europa werden producten als bakstenen (voor de bouw van forten en als balast), buskruit, ijzer en textiel naar de Arabische wereld en Afrika gebracht en daar verkocht. Vervolgens werden slaven, ivoor en goud ingenomen, die naar Zuid Amerika en het Caraïbisch gebied werden vervoerd, waar rum, koffie, tabak, zilver en katoen werd gekocht om mee terug te nemen naar Europa.

In de praktijk waren er minder schepen dan je zou verwachten die het hele driehoekje maakten. Toch was de handel een aantal decennia winstgevend. Na de vierde Engelse Oorlog (1780-1784) en met het aanbreken van de Franse Tijd liep het rendement sterk terug en was de MCC verzwakt door het verlies aan schepen in de Engelse oorlog. In 1802 voer het laatste slavenschip.

Na de vestiging van het koninkrijk der Nederlanden was de slavenhandel geen optie meer. In de hele bedrijfstak van de compagnieën zag men een toenemende scheiding van handel en transport. De MCC ging zich toeleggen op de bouw en reparatie van grote schepen, die verkocht werden aan professionele rederijen. Daartoe werd de voormalige werf van de VOC opgeknapt en gemoderniseerd. De compagnie werd de grootste werkgever van Middelburg.

In de tweede helft van de negentiende eeuw volgde een geleidelijke overgang naar ijzerbewerking en machinebouw voor schepen en bijvoorbeeld havenwerken. Uit deze voortdurende herorientatie blijkt mogelijk al dat het bedrijf zoekende was in de moderne tijd.

De auteur stelt in de slotbeschouwing van het boek dan ook de vraag of het wel verstandig was dat de MCC zo lang door is gegaan. Hij wijst er op dat voor de deelnemende partijen niet alleen de winst van belang was. Er waren ook andere particuliere belangen die voortvloeiden uit de onderlinge samenwerking. Een faillissement zou nadeliger geweest zijn dan het voortzetten van een onderneming waarvan de resultaten te wensen overlieten. In 1888 viel echter het doek. De aandeelhouders namen het besluit de compagnie te ontbinden.

Aan dit boek ligt naast archiefonderzoek een goede samenvatting van het huidige literatuuronderzoek ten grondslag. Het is een degelijk naslagwerk geworden.

–-

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles