Het diepe blauw

Vrijdag, 5 november, 2021

Geschreven door: Ayesha Harruna Attah
Artikel door: Nathalie Brouwers

Miljoenen slachtoffers van het West-Afrikaanse slavernijverleden krijgen mooie vrouwelijke protagonisten

[Recensie] Ayesha Harruna Attah (1983), geboren en opgegroeid in Accra, Ghana, is de dochter van een journaliste en een grafisch designer. Ze studeerde Biochemie en Journalistiek in de Verenigde Staten en woont nu in Senegal. In 2014 was ze een schrijver-in-residentie in Bahía, Brazilië, een van de belangrijkste plaatsen uit haar nieuwste roman Het diepe blauw (The deep blue between) uit 2020. Sinds 28 september 2021 woont ze tijdelijk als schrijver-in-residentie in Amsterdam, via het Nederlands Letterenfonds.

Toen Attah’s vader zijn stamboom had opgemaakt, bleek dat zijn betovergrootmoeder als slaaf had geleefd in een polygaam gezin bij zijn betovergrootvader. De slavernij in West-Afrika is dus een deel van de familie van de schrijfster, en de centrale context in haar laatste twee romans, zowel in Het diepe blauw als haar vorige roman De honderd waterputten van Salaga. In Het diepe blauw gaat het over een 9 à 10-jarige tweeling, Hassana en Husseina, die aan het einde van de 19e eeuw tijdens een aanval wordt weggeroofd uit hun dorp, en waarbij de meeste leden van hun familie omkomen. Ze raken niet alleen hun oudere zus Aminah, waarover overigens die eerste roman gaat, kwijt maar ook elkaar. Dit voelt aan als een amputatie.

Hassana was altijd de krachtigste, en de leidende van de twee. Zij vlucht weg van haar ‘koper’ en heeft het geluk om mensen, en vooral sterke vrouwen, tegen te komen die haar helpen om voor haar eigen weg te kiezen, en komt in opstand tegen het onrecht dat ze rondom zich ziet. Ze is leergierig en wil haar stem krachtiger laten klinken. Husseina die zich later Vitoriá laat noemen, wordt ‘weggekocht’ van haar eigenaar door priesteres Yaya, die haar later mee naar Brazilië neemt en komt terecht in de religieuze candomblé-gemeenschap, een door een grote Afrikaanse gemeenschap in de havenstad Bahía ontwikkelde religie, en mengeling van het christendom met een uit Afrika meegebrachte geesten- en voorouderverering. In die candomblé-gemeenschap vindt Husseina haar rol. Anderen in hun gemeenschap, zoals baba Sule, behouden echter hun uit West-Afrika geadopteerde islam-geloof.

Bij Hassana evolueert het traditionele geloof dat ze als kind meekreeg door alles wat ze meemaakt, dan weer tot atheïsme, omdat geen enkele god haar geluk heeft gebracht. Hier loopt ze in haar eind 19e-eeuwse “gemissioneerde” omgeving natuurlijk niet mee te koop en woont ze wel de protestantse kerkdiensten bij die in haar omgeving gehouden worden, zoals ook de trouwdienst van haar beste vriendin. De meisjes groeien los van elkaar op, Hassana in Lagos, het huidige Nigeria, en Husseina, ver van haar in Bahía, gescheiden door de oceaan, ‘het diepe blauw dat hen scheidt’. Toch blijven ze elkaar tegenkomen want ze dromen elkaars dromen en voelen dat de ander ook nog steeds in leven is. Zo ontspringt bij Husseina na lange tijd ook eindelijk de wil om haar zus terug op te zoeken, en neemt ze de kans om terug naar West-Afrika te varen onder de hoede van een mannelijke reisgenoot die zich hiervoor ter beschikking stelt.

Kookboeken Nieuws

“Slavernij behoort nog heel erg tot het collectieve geheugen in West-Afrika”, vertelde Attah aan Gie Goris van Mo*-magazine, […] maar in de officiële geschiedschrijving of in het onderwijs wordt “Over de inheemse slavernij of over de verwoestende machtsstrijd binnen of tussen die rijken* nauwelijks gesproken. Daarom doe ik dat net wel.” (*de middeleeuwse imperia als het Mali-rijk, het Ghana-rijk, het Songhai-rijk) Attah geeft inderdaad een stem aan enkele van die miljoenen Afrikaanse slaven die zowel in de eigen regio als in het buitenland werden ingezet.

De slavernij die heerste aan de West-Afrikaanse kust, werd naar Brazilië geëxporteerd door o.a. de Nederlandse West-Indische Compagnie, (vooral opgericht door de rijke ‘vluchtelingen’ uit de Zuidelijke Nederlanden – Vlamingen dus – opgestart in de 17e Nederlandse Gouden Eeuw), naast de Portugese kolonisatoren. Zij probeerden elkaar in die periode de loef af te steken om zo veel mogelijk kapitaal te vergaren.

De pen van Attah sleept je in dit leerzame en geëngageerde boek mee in de avonturen van de meisjes, en houdt hun verhaal levendig waardoor je nooit de indruk krijgt dat dit zich allemaal twee eeuwen eerder afspeelt. Daardoor wordt die vroegere weliswaar minder besproken roman over de oudere zus Aminah zeker ook interessant om te lezen. De hoofdpersonages zijn sterk neergezet en goed uitgewerkt, evenals hun omgeving. Hun gedachten en emoties zijn in heldere en duidelijke taal weergegeven, ook in de Nederlandse versie met dank aan het vertalerstrio Dennis Keesmaat, Daniëlle Stensen en Lara Visser. De heerlijke verteltrant en de goede balans tussen de historische en de psychologische kant, maken dit tot een boek dat indruk maakt, voor zowel jong- als wat oudere volwassenen.

Bron: Mo*, 23 oktober: ‘‘Wie tot slaaf gemaakt werd, verdient meer dan een anoniem bestaan”, interview Attah met Gie Goris

Eerder verschenen op Villa Nathalie – Over lezen