Het geknetter in de sterren

Vrijdag, 22 juli, 2022

Geschreven door: Jón Kalman Stefánsson
Artikel door: Nico van der Sijde

Poëtische komma’s – of uitroeptekens- in de geschiedenis

[Recensie] Jon Kalman Stefánsson wordt vrij vaak een potentiële Nobelprijswinnaar genoemd. En dat vind ik niet eens zo raar: zijn trilogie (Hemel en hel, Het verdriet van de engelen en Het hart van de mens) vond ik wel heel erg zwaarmoedig en al te vol met zware woorden, maar ook heel poëtisch en prachtig. En ook zijn tweeluik (Vissen hebben geen voeten en Iets ter grootte van het universum) vond ik weliswaar heel zwaarmoedig en zwaarwichtig, maar ook best mooi. Latere vertalingen heb ik niettemin laten passeren, maar naar de nieuwste vertaling – zoals steeds van meestervertaler Marcel Otten – was ik toch weer benieuwd. Wat misschien niet zo zijn geweest als ik op tijd door had gehad dat dit een vertaling was van een relatief vroeg werk van Stefánsson. Niettemin, ook met dat vroegere werk amuseerde ik mij opperbest. Het heeft naar mijn smaak niet die enorm schrijnende pracht van zijn trilogie, en het is ook minder overweldigend van stijl en vorm. Maar het is ook minder zwaar op de hand, hoewel nog steeds fors melancholisch, en het heeft een poëtische kracht die je in de meeste romans van andere schrijvers niet vindt.

Peilloze raadselen
Het verhaal in Het geknetter in de sterren wordt ons verteld door een naamloze ik-figuur. Dat is, anders dan in de boven genoemde boeken, geen dode of geest die vol martelende melancholie mijmert over de pijnlijk peilloze raadselen van leven en dood, maar een man van veertig die mijmert over zijn leven als zeven- en achtjarige en over zijn zo intrigerende voorouders. Over die voorouders – vooral zijn overgrootvader, een ongelofelijk kleurrijke maar onaangepaste dromer – vertelt hij veel uitgebreider dan over zichzelf. En als hij over zichzelf vertelt, dan is dat over wie hij was en niet – of alleen indirect – over wie hij is. Alsof zijn eigen verleden – zijn verloren kindertijd- hem veel meer bezighoudt dan zijn leven in het hier en nu. En het verleden van zijn voorouders, en hoe dat misschien in hem voortleeft, houdt hem bovendien nog meer bezig dan die verloren kindertijd. Kortom: hij mijmert vooral over de voorbije tijd, over wat niet meer bestaat, over wat alleen nog maar vaag voortleeft in zijn herinnering. En voortleeft in zijn verhaal: “[H]et enige wat er van dat alles is overgebleven is de Vesturgata, een leeg zolderraam en een oude tante die alles is vergeten, zelfs haar eigen naam. Zes levens, honderdvijftig jaar en een roodharige zeeman. Ik heb natuurlijk de hele taal uit de kast moeten halen om zo goed als het ging over hen te vertellen. En gauw is er niets meer wat aan hen herinnert, behalve een schelp en een steen die op een heel klein mensje lijkt”. Of, zoals hij elders zegt: “Ik heb onder dit raam gestaan op zoek naar mijn afkomst, op zoek naar iets tastbaars of iets betrouwbaars om op te staan, terwijl de aarde met een snelheid van zoveel duizend kilometer door het zwarte heelal raast, maar ik heb niet veel anders gevonden dan flarden van eindeloze verhalen, niet veel meer dan een constant babbelend zolderraam uit een ver verleden”.

Verbeeldingskracht
Dat zijn behoorlijk zwaarmoedige passages, al zijn ze nog vrij lichtvoetig vergeleken met wat hij soms doet in andere van zijn boeken. Maar ze zijn tegelijk ook opvallend poëtisch. Bovendien, de ik-figuur komt soms tot jubelende proeven van verbeeldingskracht. Bijvoorbeeld over zijn moeder: “Ik stond onder haar raam en keek om me heen, keek over het land dat veertien jaren van haar leven in zich droeg. Hier was het waar ze het gras zag groeien, hier luisterde ze naar het gezoem van de vliegen en het geknetter in de sterren, hier veranderde ze de woorden in vogels, die ze eropuit stuurde om God te zoeken, hier groeide ze op en werd het verstand in haar gewekt, zoals het heet. En iemand kuste haar, iemand huilde toen ze net zestien was geworden en wegging met alles wat in het leven van een meisje tussen twee en zestien past. Een zestienjarige is soms een uitroepteken in de tijd”. Uiteraard is het de ik- figuur die zijn moeder tot “uitroepteken in de tijd” maakt, en alleen dankzij de kracht van zijn verbeelding. Maar precies door die verbeelding is zij, een enkel individu slechts dat inmiddels door de tijd is opgeslokt, weer voor even glorieus aanwezig. En exact dat is de inzet van de ik- figuur, wie weet ook van Jon Kalman Stefánsson zelf als schrijver. Iets vergelijkbaars klinkt op uit een andere passage: “Een zwarte nacht en op de bodem ervan ligt die knul. Hij lijdt, zijn lijden is een stille schreeuw die de negenhonderdennegen meter van de berg Esja ver overstijgt. Nee, Reykjavik is niets bijzonders en die knul is precies helemaal niets, niet eens een komma in de geschiedenis – volkomen onzichtbaar. Maar toch kan hij zoveel pijn voelen dat een goedbewapend bataljon onvoorwaardelijk zou capituleren tegenover zoveel leed, een schip van tienduizend tot zou zinken onder zijn last”. Prachtig, hoe de ik-figuur het leed van deze knul, die niet eens een komma in de geschiedenis is, voorstelt als een stille schreeuw die bergen overstijgt. Zoals het ook prachtig is hoe hij zijn moeder, die in wezen vast ook niet eens een komma is, laat herleven als een glorieus uitroepteken in de tijd.

Kleurrijk
Dat doet Stefánsson trouwens niet alleen door passages vol van dit soort poëzie, maar ook door heel kleurrijk te vertellen en die kleurrijke verhalen met elkaar af te wisselen en te vermengen. Hij is dus niet alleen een meeslepende dichter, maar zeker ook een meeslepende verteller. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk hoe hij ons helemaal meeneemt in de kinderwereld van de ik-figuur, in hoe die ik-figuur als zevenjarige helemaal ondergedompeld is in de manoeuvres van zijn leger van speelgoedsoldaten, en in zijn verbijstering over de stiefmoeder die er in zijn beleving zomaar ineens is. Fraai is ook de kinderlijke verbazing over het woord “stiefmoeder”, en over haar verpletterende zwijgen. Nog intrigerender en onderhoudender vind ik de verhalen over zijn overgrootvader, een veel drinkende rokkenjager en avonturier die voortdurend zijn eigen glazen ingooit, maar die ook een enorm aanstekelijke hang heeft naar vrijheid en ongeremd avontuur en die niet de normen van de maatschappij wil volgen maar alleen zichzelf. Heel intrigerend is ook de beschrijving van de relatie van deze overgrootvader en de overgrootmoeder, en van de liefde die de overgrootmoeder ondanks alles blijft koesteren voor haar zo wispelturige geliefde. En ook heel fraai zijn de verhalen over de moeder van de ik-figuur: de verhalen over haar veel te vroege dood en de onmachtige reactie daarop van de ik-figuur, maar ook de verhalen over haar kleurrijke avontuurlijkheid en momenten van vreugde. Opmerkelijk genoeg blijven de ik-figuur en al zijn familieleden anoniem in dit boek. Wat misschien onderstreept hoe naamloos en hoe voorbijgaand elk mensenleven is. En de ik- figuur is vaak vol somberheid omdat er niks meer over is van die levens, en dat er niks meer van voortleeft, ook niet in het geheugen. Alleen fragmenten van verhalen, en de nu verlaten huizen waar ze ooit hebben gewoond. Maar met zijn verbeeldingskracht en zijn poëtische vermogens weet de ik-figuur al die voorbije levens toch weer voor even te laten schitteren. En precies dat is volgens mij wat telt.

Sombere boodschap
Wij zijn allemaal sterfelijk en nietig, niets meer dan eendagsvliegen die eventjes doelloos leven en dan sterven zonder enig waarom, op een planeet die doelloos rond suist in de totale leegte van het door alle goden verlaten universum. Die intens sombere boodschap hamert Stefánsson er stevig en vaak in. Maar tijdens ons zo vergeefse leven kunnen we ook intense ervaringen hebben van genot, liefde en ultieme schoonheid, aldus diezelfde Stefánsson. Ervaringen die de totale vergeefsheid voor even overstemmen. Nu is de moeder van de ik-figuur dood, begraven en door een stiefmoeder vervangen, maar ooit was zij een uitroepteken in de tijd dat luisterde naar het knetteren van de sterren. En in dit boek denken we voor even dat knetteren weer te horen en dat uitroepteken te zien. Dat, volgens mij, is de inzet en de grote kwaliteit van Stefánssons poëtische verbeeldingskracht. Ook in dit boek weer. Voor veel mensen zal hij te zwaar zijn en te pompeus. Voor mij soms ook. Maar ik hou wel van zijn zo kenmerkende poëtische verbeeldingskracht, en van zijn kwaliteiten als verteller, en ook wel van zijn somberheid. Dus ik ga zijn werk misschien wat aandachtiger volgen.

Eerder verschenen op Hebban

Kookboeken Nieuws