Het innerlijk leven van dieren

Maandag, 23 januari, 2017

Geschreven door: Wohlleben; Peter
Artikel door: Marjan Slob

De rat heeft spijt

[Recensie] Sinds kort heb ik een hondje. Het beest ordent de wereld totaal anders dan ik en vaak genoeg blijkt dat we elkaar maar half begrijpen. Maar we blijven het proberen, want we hebben allebei de drang om elkaar aan te voelen. Ik vind dat ronduit ontroerend. Dit dier denkt over mij na!

Mensen denken ook over dieren na, maar lange tijd gold: hoe officiëler die gedachten, hoe minder dieren verschijnen als medewezens. We mochten vooral niet antropomorf denken; het zou zeer onwetenschappelijk zijn om dieren gevoelens en een innerlijke belevingswereld toe te schrijven. Inmiddels lijkt het tij gekeerd. Waarom zou het niet veeleer van vooringenomenheid getuigen om organismen die fysiologisch gezien sterk op ons lijken geen gevoelens van pijn, vreugde en angst toe te kennen?

Dat laatste is het standpunt van Peter Wohlleben, de enthousiaste Duitse boswachter die eerder de bestseller Het verborgen leven van bomen schreef. Wohlleben wil dieren niet vermenselijken; hij wil ze beter begrijpen. Daartoe heeft hij veel wetenschappelijke informatie vergaard die hij, vermengd met eigen observaties over de dieren in en om zijn boshuis, ons voorschotelt in korte hoofdstukken. Het innerlijk leven van dieren verhaalt over dieren die dankbaarheid tonen, lol trappen, spijt hebben, angst voelen. Over dieren die kunnen tellen en liegen en elkaar namen geven. En over de permanente stress van wilde dieren die hun dagen moeten slijten in een te klein leefgebied.

Het boek staat vol met heerlijke wetenswaardigheden. Zo kunnen ratten spijt voelen als zij achteraf inzien dat zij te snel hebben toegehapt terwijl ze, met ietsje meer geduld, een lekkerder hapje zouden hebben bemachtigd. Fascinerend is ook het verhaal over Wohllebens overleden hond Maxi, die doordeweeks altijd als eerste net vóór de wekker opstond, maar in het weekend lekker uitsliep: kennelijk kon Maxi de dagen tellen. Slimme kraaiachtigen figureren prominent in het boek. Je leest over een kraai die een verweesd jong katje voert met regenwormen en kevers, over kraaien die sleeën puur voor het plezier, over kraaien die katten pesten door keer op keer in hun staart te pikken.

Wordt Vervolgd

Het boek heet te gaan over het innerlijk leven van dieren, maar behandelt minstens zo vaak het efficiënte ontwerp van dierlijke organismen. Nachtvlinders zijn bijvoorbeeld zo harig om vleermuizen van slag te brengen; hun donzige vleugels weerkaatsen de ultrasone geluiden van de vleermuizen op rommelige wijze, waardoor de vlinders moeilijker te lokaliseren zijn. En neem nu de slijmpaddenstoel, een ééncellig wezen met meerdere celkernen. Deze paddenstoel kan (heel traag) uit een laboratoriumglaasje ontsnappen in de richting van lekkere havermout – en nog onthouden waar de mout zich bevindt ook. Zo’n wezen met een totaal ander bouwplan dan wij heeft dus kennelijk een soort ruimtelijk geheugen.

Hoewel dergelijke feiten me verrukken, ben ik niet enthousiast over het boek zelf. Wohlleben is zo iemand die eekhoorns aanduidt als ‘rode deugnieten’, ‘kleine boefjes’ of ‘boomrakkers’. Nog storender vind ik dat hij die interessante emoties van dieren wel erg losjes definieert, en behoorlijk slordig schrijft over begrippen als denken en zelfbewustzijn. “Gevoelens zijn dus principieel verbonden met het onderbewustzijn en niet met het bewustzijn”, staat er dan pardoes. Pardon? Waarom zo dik doen op een koopje in plaats van het te laten bij een mooie verzameling dierenanekdotes?

Zo’n verzameling dierenwetenswaardigheden zou op zichzelf al waardevol zijn, want principes en redeneringen binnen de dierethiek kunnen niet zonder degelijke dierenfeiten. Dat stelt historicus en dierenrechtenactivist Dirk-Jan Verdonk in zijn prettige, evenwichtige werkje Dierenrechten. Verdonk geeft een overzicht van de argumenten voor en tegen dierenrechten vanuit de theologie, filosofie en levenswetenschap. Al lezende rijst het bruine vermoeden dat de meeste theoretici zich liever niet verdiepten in het gevoelsleven van dieren. Als dieren een innerlijk leven blijken te hebben, kom je immers al snel uit bij de lastige vraag waarom wij dieren eigenlijk denken te mogen doden – zeker nu er goede alternatieven voorhanden zijn voor dierlijke producten.

Natuurlijk noemt Verdonk in zijn overzicht ook de Australische filosoof Peter Singer, die in zijn baanbrekende boek Dierenbevrijding uit 1975 argumenteerde dat iedereen die vindt dat het lijden van mensen bij voorbaat zwaarder weegt dan dat van andere dieren een ‘speciesist’ is (naar analogie met een racist of seksist). Onlangs publiceerde Singer een (Engelstalige) bundeling van zijn columns. Enkele daarvan gaan over dieren, maar hij stelt ook kwesties aan de orde als de toelaatbaarheid van incest tussen volwassen verwanten of de bedenkelijke moraliteit van de miljoenenhandel in kunst. De columns zijn helder, maar ook nogal rechttoe-rechtaan. Persoonlijk houd ik het erop dat Singers rationele stem niet helemaal is toegerust om het vaak nogal zompige innerlijk leven van mensen te beschrijven.

Eerder verschenen in De Volkskrant