"Ik heb altijd gedacht dat het Paradijs een soort bibliotheek zou zijn" - Jorge Luis Borges

Het liedboek

Vrijdag, 24 februari, 2023

Geschreven door: Francesco Petrarca
Artikel door: Rob Schouten

Wachten op Laura en op de Emscher

[Recensie] Petrarca, mijn hemel wat moet je daar nog over zeggen. Zo’n grote, tijdloze dichter, misschien wel de grootste. Maar kennen we hem eigenlijk wel? Zullen de meesten hem niet obligaat verbinden met die paar regeltjes die zijn blijven hangen, met pakkende contradicties als “Ik heb geen vrede en ik kan niet strijden,/ ik hoop en vrees, ik gloei en ben van ijs”. Maar de man schreef honderden gedichten meer, die minder in het collectieve geheugen zijn neergedaald maar vaak net zo mooi of mooier.

Hoogtepunt van de dolce stil nuovo
In 2012 kwam Peter Verstegen met de integrale vertaling van zijn Canzoniere. Het Liedboek, niet dat der Kerken, maar dat der Liefde, zojuist in derde druk uitgekomen met meer dan honderd herzieningen/ verbeteringen. Petrarca is het hoogtepunt van de dolce stil nuovo, waarin het speelse vernuft van de troubadours plaats maakt voor echt doorleefde liefdespoëzie, nog altijd voor een onbereikbare schone trouwens, want geconsummeerde liefde inspireerde de dichters in die tijd niet. Hoogtepunt niet alleen vanwege dat schier eindeloze, in talloze variaties beleefde gehunker, maar vooral ook omdat Petrarca, als een Stendhal avant la lettre, alle varianten van innerlijke liefdespijn, tot in de kleinste details, wist op te roepen.

Deze maatgevende editie ontbeert het Italiaanse origineel, maar ik kan het goed zonder stellen. Verstegen stelt zich niet aan, maakt er niks moderners van dan er staat, hij klinkt zelfs nogal middeleeuws hier en daar, met grootheden als Amor en Fortuin. En dat is ook precies wat ik wil horen: een wereld van vroomheid, madrigalen en bedwongen ongebreidelde lust. Je voelt de zielenpijn in regels als “Zij die mij eerste liefde ingaf is mij/ ontroofd, en ’t is haar fout/ wat toch mijn sterk verlangen niet weerhoudt.” Dat is denk ik wat lezers van de eenentwintigste eeuw het meest aan Petrarca overhouden: zijn inzichten over de liefdespijn. Hij was een psycholoog in een tijd dat het woord nog niet eens bestond, en zijn psychologie is in de loop der eeuwen een soort gezonken cultuurgoed geworden, iedereen weet ervan.

Heilloze aanbidding
Neemt niet weg dat hij soms schromelijk lijkt te overdrijven, als een minnaar die zich redeloos heeft vastgebeten in zijn heilloze aanbidding, als hij na wat verzuchtingen beweert dat hij maar beter kan sterven: “Een kwaad, nee winst: want vurig stralend staat/ mij voor de geest hoe fonkelend haar licht (’t is twintig jaar nu dat ik gloei en zucht)/ mij steeds verblindt, verteert en smeulen laat”, om vervolgens te verzuchten: “verstand noch taal raken ooit aan het ware”. Zijn Laura is hier niet zomaar een vrouw, maar ook een inzicht, een waarheid, iets metafysisch haast. Nou ja, je kunt deze Canzoniere, door de middeleeuwse krullen heen (die eigenlijk wel meevallen) ook lezen als een filosofisch traktaat, naast de nodige vrolijke, haast schmierende oprispingen zoals deze onbetaalbare hier, vooral uit de koker van Verstegen, vermoed ik: “Blij en bezorgd, alleen en begeleid,/ dames, op stap en samen aan de praat?”

Boekenkrant

Je kunt je afvragen of onze eigen tijd eigenlijk nog wel zulke tegelijkertijd doorleefde als levendige grote poëzie oplevert (Yehuda Amichai misschien, Antjie Krog). De meeste dichters bijten zich vast in een grondstemming, een gemoedsgesteldheid. Dat geldt zeker ook voor Barbara Kohler, Duits dichteres die vorig jaar overleed. Zoals Petrarca, natuurlijk vergeefs, op zijn Laura bleef wachten, zo wachtte ook Barbara Kohler, niet op een geliefde, maar op de rivier de Emscher. In 2016 werd op diverse plaatsen in het Ruhrgebied een bewoonbare houten zigzagbrug ‘Warten auf den Fluss’ gebouwd, wachtend op het binnenstromen van de Emscher. In 42 vensters op Warten auf den Fluss, vertaald door Ton Naaijkens, filosofeert ze in 42 (eigenlijk 44) uiterst strakke, rechthoekige gedichten over het wachten. Wachten waarop? Op die rivier natuurlijk, maar ook op het nu, op de dood en vooral op taal: “Wachten tot woorden zich verbinden, zouden verbinden, ver-/ blind raken, gaan trillen, swingen, op drift raken tot ze geen/ vaststelling meer zijn of willen.”

Associaties
Conceptuele poëzie als deze vereist een heel andere leeshouding dan die van de Petrarcalezer, Kohler schrijft niet voor, beweert feitelijk niks maar laat alle mogelijke gedachten en associaties in zichzelf en vervolgens bij de lezer opborrelen: “Wat we kunnen doen: een mogelijkheidsvorm. Niet wat we maken –/ wat we ook niet maken, niet alleen ons ten nutte maken; wat we/ zouden kunnen laten, worden. Zo kunnen doen dat het worden, ‘t/ zijn kon en wij: dat mogelijk maken.”

In feite is dit soort teksten een antwoord op de gesloten, affe poëzie die Petrarca en dichters na hem produceerden. Dat betekent ook dat je als lezer open moet staan voor al die malende gedachten, hypotheses, gezochte waarheden. Dat Kohler weliswaar haar gedachten de vrije loop laat maar in de typografie dan weer een extreem strenge geslotenheid nastreeft (elk gedicht kent negen regels van 62 toetsaanslagen), laat overigens wel zien dat zelfs eindeloosheid zijn grenzen heeft. En dat herinnert weer wel aan de sonnetten van Petrarca.

Eerder verschenen op Poëzieclub