"Ik heb altijd gedacht dat het Paradijs een soort bibliotheek zou zijn" - Jorge Luis Borges

Het raadsel literatuur

Dinsdag, 30 november, 2021

Geschreven door: Karina Dalen-Oskam
Artikel door: Karl van Heijster

Is literaire waarde te vangen in algoritmen?

[Recensie] In 2013 namen 18.484 mensen deel aan Het Nationale Lezersonderzoek: een enquête waarin lezers hun mening konden geven over de kwaliteit van 401 recent verschenen populaire romans – literair of anderszins. Dat alles had als doel de vraag te kunnen beantwoorden: waarom kennen lezers literaire kwaliteit toe aan bepaalde romans – en waarom doen ze dat bij andere romans juist niet? En wat is het verschil tussen goede en slechte literatuur. En tussen goede en slechte niet-literatuur? – een vraag die vaak over het hoofd wordt gezien!

De enquête was een onderdeel van het project The Riddle of Literary Quality, een samenwerking tussen het Huygens ING, de Universiteit van Amsterdam en de Fryske Akademy. De uitkomsten daarvan zijn nu opgetekend door hoogleraar Computationele Literatuurwetenschap en projectleidster Karina van Dalen-Oskam. In

In een bepaald opzicht is het antwoord op die vraag triviaal: ja, het is meetbaar, als we de uitkomsten van Het Nationale Lezersonderzoek als maatstaf nemen van literaire kwaliteit. Van de ruim 400 boeken werd Mag ik je nummer even? van Sophie Kinsella. Als motivering van hun voorkeuren, wijzen deelnemers vooral op de schrijfstijl, diepgang van de personages en de aanwezigheid van meerdere lagen – of juist het gebrek eraan, natuurlijk.

Deze manier van literaire kwaliteit vaststellen, is verwant aan het werk van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. In zijn sociologische duiding van wat een roman literair maakt, wijst hij op de rol die zo’n roman speelt in het literaire veld. Verschijnt het bij een prestigieuze uitgeverij? Wordt het door recensenten en andere schrijvers de hemel in geprezen? Dan is het literair. Verkoopt het slecht? Dan al helemaal. En omgekeerd geldt dat een goed verkopend boek dat door de juiste personen wordt neergesabeld als niet-literair geldt.

Het Weer Magazine

Critici van Bourdieu, waaronder Van Dalen-Oskam, wijzen erop dat de tekst an sich volledig is verdwenen uit Bourdieus analyse. De waarde ervan wordt afhankelijk gemaakt van buitentekstuele factoren. Die verklaren een hoop, maar toch blijft er iets knagen. Er zal toch zeker wel iets in de tekst zelf zijn wat ervoor zorgt dat uitgevers en critici een roman omarmen of juist afstoten? Hoe goed of slecht een roman is geschreven zal toch zeker wel van invloed zijn op de waarde die spelers in het literaire veld eraan toekennen?

In dit opzicht is de vraag of literaire kwaliteit meetbaar is, een stuk minder triviaal. Want hoe maak je die “kwaliteit” van de tekst inzichtelijk? Dit is waar het Computationele gedeelte in Van Dalen-Oskams hoogleraarschap een rol gaat spelen. Met hulp van tekstanalysesoftware vergelijkt ze de 401 romans in haar onderzoekscorpus met elkaar, om te zien deze nieuwe inzichten geven in de redenen waarom Alsof het voorbij is zoveel hoger wordt aangeslagen dan Vijftig tinten grijs.

De resultaten zijn soms voor de hand liggend: hoogliteraire romans hebben een diversere woordenschat dan hun laagliteraire evenknieën. Soms verrassen ze: de romans van Arnon Grunberg lijken qua woordgebruik meer op romantische dan literaire fictie. Maar meestal blijkt het moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om eenduidige conclusies te trekken op basis van tekstanalyse alleen. 

Helemaal verbazingwekkend hoeft dat niet te zijn. Literatuur is nu eenmaal een combinatie van vorm en inhoud. De tekstanalysesoftware kan echter alleen naar dat eerste kijken. Het kan alleen opmerken dat Grunbergs woordgebruik aan de eenvoudige kant is. Om te concluderen dat juist het contrast tussen die eenvoudige stijl en zijn wrange onderwerpen, goede literatuur oplevert, is een menselijke beoordelaar nodig. Of, in het geval van Het Nationale Lezersonderzoek, duizenden menselijke beoordelaars.

Een definitief antwoord op de vraag of literaire kwaliteit meetbaar is – of fundamenteler nog: wat literaire kwaliteit überhaupt is -, kan Van Dalen-Oskam dus niet geven. Maar dat hoeven we haar niet kwalijk te nemen, want het is aannemelijk dat onze steeds veranderende opvattingen van literatuur een definitief antwoord op die vraag onmogelijk maken. Haar onderzoek werpt echter een nieuw en interessant perspectief op de manier waarop we romans lezen en beoordelen. 

Wie weet, misschien concluderen we over een aantal jaar dat een nieuwe speler heeft met dit onderzoeksproject heeft aangediend zich in het literaire veld: de robot. Stevenen we af op een toekomst waarin het succes van een roman door algoritmen kan worden voorspeld – of zelfs bepaald?

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles