Ik, en ook jij

Dinsdag, 29 november, 2022

Geschreven door: Sandra Passchier
Artikel door: Bas Aghina

Over gedichten die eigenlijk liederen zijn

[Recensie] Wanneer wordt een gedicht een liedtekst? Die vraag kwam op bij het lezen van Sandra Passchiers debuut Ik, en ook jij. En dat is positief bedoeld; ook omdat mensen beter song- en liedteksten onthouden dan gedichten deze dagen, uitzonderingen daargelaten natuurlijk. En waarom ook niet? Gedichten worden vaak op of nabij het altaar van de kunst gereciteerd, ter contemplatie (zoals in Vromans ‘Kom vanavond met verhalen/hoe de oorlog is verdwenen/herhaal ze honderd malen/en alle malen zal ik wenen.’) of ter vermaning (Niemöllers ‘Toen ze mij kwamen halen/was er niemand meer, die nog protesteren kon.’) of vanwege welke andere emotie dan ook. Liederen daarentegen worden met een hele gemeenschap (lees: klas, raadszaal, voetbalclub, kroeg, dispuut enz.) gezongen, gebrald en gelald, gehuild en gepruild. En als je even de woorden niet weet, dan hum je de melodie wel mee (of pakt de tekst erbij, dat is natuurlijk de koninklijke weg). En laten we niet vergeten: de eerste woorden in dichtvorm waren heilige recitaties in een rituele omgeving of liedteksten. Niet woorden om per se in een stil hoekje te lezen. Niets nieuws onder de zon.

Een voorbeeld van Passchiers gedicht waar je zo een lied van zou kunnen maken – zonder refreinen, trouwens – is het volgende:

Genade

“houd me bij het afval weg
dit is niet wat ik doe, wie ik ben
het is de verkeerde plek, niet de tijd

Wandelmagazine

raak me aan en vul mijn holle frasen in
sommige delen leven nog, enkele nog intact
kus mijn nachtmerries, bedek mijn blote zenuwen
doorzie mijn verminkte gezicht, mijn huilende oog met gruis
was het zand onder mijn voeten en gooi de modder weg

bij het afval
met wat ik was
met wat ik deed
op die plek
op dat moment”

Als lied? In mineur, langzaam, ingetogen, maar wél met genoeg opbeurende noten, heldere klanken en/of ritmes zodat de ‘stream of consciousness’ op basis van de cadans goed op stoom blijft en leidt tot ‘op die plek/dat moment’ aan het einde.

Autobiografisch opgroeien in light sorrow verse
Sommige gedichten van Passchier lezen direct autobiografisch bijna als een getuigenis. Zo lijkt van de opgeschreven of uitgesproken woorden bij de lezer/luisteraar het louterende effect (‘ik druk uit wat ik voel en dat kan opluchten,’ o.i.d.) het esthetische effect (‘dit is een pakkend beeld dat resoneert, mooi is en dat ik als lezer begrijp,’ o.i.d.) te overstemmen. Maar in deze gedichten groeit Sandra Passchier autobiografisch op (of is het haar ‘dichterlijk-ik’?). Zo blijft het interessant om door te lezen, zoals bij het volgende gedicht:

Vroeger

“ik mis mijn vader en mijn moeder
ik mis mijn lieve broeder
ik mis mijn tuttelknuffel en de tijd
het hoogpolige tapijt
[…]”

Inderdaad, dichtbij en kwetsbaar en ‘tuttelknuffel’ associeert al snel tot ‘truttig’. En eerlijk is eerlijk: daar moet je tegen kunnen of van houden. Maar gedichten zijn niet voor bange en sentimentvrezende wezens, toch? Maar het komt nog dichterbij. En voor wie dat wat te zoet vindt, neem een slokje adem. Of beter: stel jezelf de vraag waarom je als lezer daar niet tegen kunt. Is het puur een smaakkwestie? Maar smaak wordt vooral gevormd door de som van vorige ervaringen en meer intersubjectieve standaarden, dat wat velen goed, mooi, sterk, pakkend, ontroerend (…) vinden. Misschien levert dit gedicht je bij het doorlezen ook wel een weg naar nieuw intern ego-inzicht op… Terug naar het gedicht:

“ik mis het groenteprakje
ik mis de witte lakens om mij heen
ik mis mijn jubelteen
[…]”

Uiteindelijk komt het weer meer in balans, waarbij Hans Andreus – Vijftiger én tevens begnadigd jeugddichter – best positief kan mee knikken:

“ik mis het als mijn gedicht
mijn taal, mijn sprookje, mijn festijn
mijn fijn klein zijn”

Is dit ‘light verse’ of een dichter die moeite heeft met opgroeien? Zeker geen ‘light verse’ in de stijl van Piet Paaltjes’ Snikken en Grimlachjes of die andere Sixties-troubadour Jaap Fischer (ijzersterk in Sprookje) die helaas wat vergeten is. ‘Light verse’ trouwens heeft een negatieve lading, die het in andere landen niet heeft. Canonieke (grote?) dichters kunnen daar ook lichter en grappiger zijn, zie bijvoorbeeld Heinrich Heine. En bij ons zag drs. P. op tijd dat zijn gedichten liedjes waren en zong ze dus gewoon. Laten we als Cultuur Europeaan het onderscheid ‘light’/‘goedkoop’ en ‘heavy’/‘het echte werk’ maar snel achter ons laten, als een lege grensovergang tussen Nederland en België. Een gedicht als ‘Vroeger’ behoort met andere nostalgische gedichten over de kindertijd tot de (nieuwe?) categorie van light sorrow verse.

Heavy stuff en Neeltje Maria Min
Alleen, in Ik, en ook jij is het niet allemaal lichtdroevigheid wat de klok slaat. Soms slaat de existentialiteit om het hart, zoals in…

Vergaan

“zal ik uitsterven
geraakt door een meteoriet
of als fruit bederven
dat je me door de schimmel niet meer ziet

misschien herrijs ik
als vergeten groente
mijn ware aard
mijn zuivere oorsprong
als tenminste een stukje wordt bewaard
oh, was ik nog maar jong”

Of zoals in: ‘ik word maar niet gevonden/door die ene/en ook niet door die andere trouwens/ik denk dat ik doorschijn/mijn jurk, mijn ondergoed mijn lijf/je loopt dwars door mij heen’. Ergens doen deze gedichten in toon en thematiek denken aan het werk van Neeltje Maria Min, een naam die nog steeds dichtbij het kunstenaltaar klinkt en misschien nog wel luider daarbuiten. Niet gek voor een debuut.

Nieuw werk?
Bundels hebben soms bijzondere titels. Deze zijn vaak afkomstig van een er in opgenomen gedicht of moeten een thema, rode lijn uitdrukken. Ik, en ook jij behoort tot de laatste categorie. Wat veel ‘ik’? Tja… maar is dat niet degene met wie wij het langste moeten doen? Op wie wij het meest zuinig moeten zijn? Met wie wij onze dagen hier mogen beleven? Gewoon afwachten op Passchiers volgende bundel, denk ik dan maar, al dan niet in liedvorm ; )

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow