In gesprek met Jeroen Windmeijer.

Vrijdag, 5 oktober, 2018

Geschreven door: Jeroen Windmeijer
Artikel door: Roelant De By

‘Ik merk dat bij interviews je voor een deel herhaalt wat je al eerder hebt gezegd en dat de interviewer er dan een eigen nadruk, een eigen accent in legt. Het verhaal is echter steeds hetzelfde. Herhalingen zijn onvermijdelijk.’




Aan het woord is Jeroen Windmeijer wiens onlangs verschenen boek, Het Pilgim Fathers Complot, aan een enorme opmars bezig is in de Nederlandse boekhandels. We spreken elkaar in de koffieruimte van het Archeologisch museum in Leiden, de stad van waaruit zijn boeken zich afspelen.


Jeroen: ‘In mijn boeken probeer ik de basis te vinden in dingen die echt gebeurd zijn en dan van daaruit verder ofwel de witte vlekken op een aannemelijke manier in te vullen, ofwel te kijken wat er misschien echt gebeurd is wat niet in de geschiedenis boeken terecht is gekomen. Daarnaast pas ik de what-if methode toe: stel nou als dit of dat was gebeurd, hoe zou het dan verder zijn gegaan. Het spel tussen feit en fictie vind ik mooi. Van een hoogleraar Nieuw Testament kreeg ik een mooi compliment over mijn eerste boek. Daar stel ik dat Petrus niet in Rome ligt begraven, maar hier in Leiden. Zij vertelde me dat mijn versie van dat verhaal net zo (on)aannemelijk was als het verhaal dat iedereen kent.’


Roelant: ‘Van de week was Antoine Bodard (Rooms-Katholiek priester) op de TV met een programma waarin hij het verhaal van Paulus vertelde terwijl hij zich bevond op de locaties waar dat zich vermoedelijk allemaal heeft afgespeeld. Dat liep precies parallel met jouw boek Het Paulus Labyrint. Compleet met die priester die op weg was naar het Archeon en toen van zijn fiets viel –Paulus viel van zijn paard- en vervolgens een soort openbaring kreeg en drie dagen niets meer kon zien.’



Jeroen: ‘Paulus is de grondlegger van het Christendom, laten we dat niet vergeten. Zijn val van dat paard, zijn tijdelijke blindheid en zijn hallucinerende gedachten kunnen we met onze huidige medische kennis toeschrijven aan een epileptische aanval. Er gebeurt dan iets in je hersenen. Dan voel je een contact met iets dat hoger is dan jezelf. Door al die flitsen in je hoofd zie je letterlijk “het licht”. Als je in een voorwetenschappelijke wereld leeft, kun je dit als een Godservaring uitleggen. Misschien dat Paulus alleen maar een epileptische aanval heeft gehad en daar een Wereldgodsdienst op gebaseerd heeft.’



Roelant: ‘Een interessante gedachte. Helemaal voor iemand die Godsdienstles geeft op een middelbare school.’

Boekenkrant



Jeroen: ‘Ik ben niet gelovig, maar erg geïnteresseerd in Godsdienst en in Jezus in het bijzonder. Die verhalen zijn buitengewoon boeiend en belangrijk. Zoals een hoogleraar al eens verkondigde: Een verhaal hoeft niet waargebeurd te zijn om toch waar te zijn. Ik ben geboren in Delft (in 1969) als vierde van vijf zonen. Katholiek gedoopt, Heilige Communie, gevormd. Ik heb nog net een laatste restje van de verzuiling meegemaakt. De Rooms-Katholieke voetbalvereniging, lid van de KRO; je ging naar de bakker die ook naar dezelfde kerk ging enzovoort. Bij de Jezuïeten op de middelbare school geweest, het Stanislascollege in Delft. De paters woonden op het terrein, naast de school. We hadden een schoolorkest, een koor, en een aantal keer per jaar een Eucharistieviering. Daar zat dan ook iedereen. Dat was heel leuk. Ik heb dat allemaal meegemaakt. Daarna antropologie gestudeerd en gepromoveerd. Ik ben veel gaan reizen, altijd in mijn eentje, zeer low-budget, zeg maar no-budget, hahaha. Toen een tijdje in boekhandel Kooyker gewerkt, een tijdje reisleider geweest, in Egypte gewerkt, Venezuela, Mexico, Guatamala. Toen kreeg ik verkering –ze was mijn collega bij Kooyker en is nu al 15 jaar mijn vrouw- en stopte ik met dat reizen. Tijdje Nederlands als tweede taal onderwezen, opleiding gedaan. Rond mijn 35-ste besefte ik dat het niet helemaal gelopen was als ik het voor ogen had gehad, een
academische carrière bedoel ik daarmee. Dat bleek heel lastig; de banen liggen niet voor het oprapen in het vakgebied van de antropologie.’


Roelant: ‘Je laat Peter de Haan exact hetzelfde verwoorden in je boek: het is niet allemaal gelopen zoals hij gewild had.’



Jeroen: ‘Ja, er zit natuurlijk heel veel van jezelf in zo’n verhaal. Toen besefte ik dat de Godsdienst altijd mijn bijzondere belangstelling heeft gehad. Ik heb me ingeschreven bij de Universiteit Leiden voor het vak Wereldgodsdiensten. Ondertussen kregen mijn vrouw en ik een kind. Dat verder studeren was erg lastig in die situatie. Toen er een vacature kwam, heb ik gesolliciteerd en ben aangenomen. Ik ben nu ruim 12 jaar Godsdienst leraar op een Protestants Christelijke school, waar misschien nog maar 20 á 30% van de kinderen die achtergrond heeft. Er speelt zich een discussie af op school over de vraag wat het betekent dat er buiten op de muur van de school met grote letters “Christelijk Lyceum” staat als de meerderheid van de docenten en de leerlingen niet Christelijk meer is. Als je gaat vragen wát onze school nou echt Christelijk maakt, hoor je dingen waarvan je hoopt dat elke school die belangrijk vindt, zoals aandacht voor de leerling, respect en eerbied voor het leven. Dat is niet onderscheidend. We hebben een dagopening, maar die hoeft niet bijbels te zijn. De meeste van mijn collega’s doen dat al niet meer. Wat we wel hebben is de Kerstviering in de Hooglandse kerk. Dat is een groots gebeuren voor ouders en leerlingen. Bijna een soort bonte avond. Heel veel muziek waarbij ook wel een preek wordt gehouden, maar waar de nadruk ligt op zingen en muziek. De leerlingen krijgen daar ook een cijfer voor; de leerlingen met muziek als eindexamenvak. Kortom, het Christelijke zit wel in het DNA van onze school, maar de vraag is: hoe lang nog?


Zelf heb ik me rond mijn 15e- 16e jaar laten uitschrijven bij de kerk. Wel ben ik al tijden spiritueel zoekende gebleven. Ik heb veel boeken over Boeddhisme en meditatie gelezen, bijvoorbeeld die van Jan-Willem van de Wetering. Ik deed ook aan mediteren. De Rooms-Katholieke kerk gaf me te weinig aansluiting. Eigenlijk is mijn afkeer begonnen na de aanslag op Paus Johannes-Paulus II, in 1981. Reed de Paus eerst rond in een open auto, daarna kwam de gepantserde Pausmobiel. Dat heb ik altijd heel raar gevonden. Ik dacht: als de Paus er niet op vertrouwt dat God hem beschermt, wie ben ik dan om niet te twijfelen, om mijn vraagtekens bij dat alles te zetten. Er gebeurden toen ook dingen in die kerk waar ik me niet meer thuis bij voelde, laat ik het zo zeggen. Ondanks dat alles heb ik in mijn studententijd een nieuwe bekering gehad. Ik was aan het fietsen in de Achterhoek en zonder aanleiding begon ik opeens te huilen en kon er niet mee stoppen. Tegelijkertijd voelde ik me intens gelukkig. Ik ben niet van mijn fiets gevallen zoals die priester in mijn boek, maar ik moest wel stoppen met fietsen. Ik heb dat onmiddellijk verbonden met een Godservaring. Misschien zou ik er nu iets anders tegen aan kijken. Bijvoorbeeld als een intens geluksmoment in de natuur. 


Ik zeg weleens tegen de kinderen in de klas: beschrijf een moment waarop je heel erg gelukkig was. Als je dan ziet wat leerlingen dan opschrijven is dat eigenlijk bijna altijd een moment in de natuur en bijna altijd als ze alleen zijn. Hetzij dobberend op een luchtbedje in de Middellandse zee, hetzij op een rustpunt uitkijken bij een bergwandeling. Dus niet toen ze hun nieuwe laptop of telefoon kregen, of een nieuwe scooter. Met andere woorden: er staan geen materiële dingen in, het gaat om ervaringen. Maar goed, dit terzijde. Ik voelde een Godservaring. Ik heb me opnieuw laten dopen, lid geworden van de Evangelische studenten vereniging en deelde ook bijbels uit na gesprekken met mensen. Ik was echt “In de Heer”. Later ben ik daar wat van afgedreven, maar ik heb wel altijd een grote belangstelling voor de figuur van Jezus gehouden. Ik heb mokken met Jezus erop, T-shirts met Jezus, die ik ook op school draag. Iedereen weet dat ik dat niet doe om mensen belachelijk te maken. Ik ben oprecht geïnteresseerd in Jezus en in wat hij te vertellen heeft.’



Roelant: ‘Dat oprechte merk ik ook in je boeken. Je wil niemand belachelijk maken. Daarom kan ik, als Katholiek, zonder me geschoffeerd te voelen van jouw boeken genieten.’


Jeroen: ‘Klopt. Ik wil iedereen in z’n waarde laten. Toen Vrij Nederland schreef over mij in vergelijking met Dan Brown: “subtieler en meer respect voor religie”, dacht ik, ja dat vind ik mooi. Mijn boeken worden zelfs in bijbel kring groepen gelezen en besproken. Ik stel wel vragen bij zaken die als Bijbelse Waarheid worden aangenomen, maar ik brand het niet af en haal niemand onderuit. Als je nagaat dat ik drie jaar geleden pas gedebuteerd ben en nu mijn derde boek al uitgegeven heb, waarvan op de eerste dag al besloten werd om een tweede druk op te leggen, en er serieuze plannen voor verfilming zijn, dan kan ik niet anders zeggen dan dat het heel erg goed gaat.’


Roelant: ‘Net als je hoofdpersoon, Peter de Haan, ben je zelf ook een dag minder gaan werken op school. Grappig hoe je zo’n privé dingetje meteen in je boek verwerkt.’


Jeroen: ‘Ja, dat is niet toevallig, hahaha.


Roelant: ‘Van Harlen Coben is bekend dat als je een bedrag aan een goed doel doneert, hij dan jouw naam als een van de figuren in zijn boek gebruikt.’


Jeroen: ‘Grappig, dat wist ik niet. Nee, de namen die ik gebruik in mijn boeken zijn heel bewust gekozen. Peter komt natuurlijk van Petrus; dat staat voor het Katholieke. Judith is een echt Joodse Bijbelse naam. Willem Hoogendoorn is een gids in Leiden die je langs plekken in mijn boeken leidt; de rechercheur Willem Rijsbergen komt van Wim Rijsbergen, de voetballer. En de naam Fay Spezamor komt voort uit faith, esperanza en amore, oftewel geloof, hoop en liefde. Paulus betekent de geringe, de kleine in het Latijn. De priester die hetzelfde als Paulus overkomt, heet Tiny. In het Engels betekent “tiny” klein. Er zitten heel veel spelletjes in. De hoogleraar die verdwijnt in Het Paulus Labyrint heet Arnold van Tiegem, een alcoholist. Arnoldus is de beschermheilige van het bier, en Tiegem is de plaats in België waar Arnoldus bier gebrouwen wordt.’ [gelach alom]



Dank je wel, Jeroen, voor dit bijzonder prettige interview.

Roelant de By, Vliegende reporter voor De Perfecte Buren.


Dit boek winnen? Maandag a.s. om 17u meer op dit blog.

Eerder verschenen op Perfecte Buren.


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.