Juni

Dinsdag, 5 april, 2022

Geschreven door: Gerbrand Bakker
Artikel door: Alek Dabrowski

De lezer weet meer van het verhaal dan de personages

[Recensie] Gerbrand Bakker brak in 2006 met Juni uit 2009. Het boek kreeg bij uitkomen veel minder waardering dan zijn debuut. 

Bakkers manier van schrijven kenmerkt zich door twee dingen: een feilloze stijl met heldere, korte dialogen en een opbouw van het verhaal waarbij alle details moeten kloppen. Het eerste punt maakt Bakker een van de beste hedendaagse stilisten in het Nederlandse taalgebied. Het tweede punt vind ik zelf minder belangrijk. In Boven is het stil zag ik de functionaliteit van details tijdens het lezen wel voortdurend, maar het stoorde mij niet. In Juni gaat Bakker erg ver met samenhang aanbrengen tussen alle gebeurtenissen. Dit ging mij op den duur irriteren.

Het verhaal speelt grotendeels op één dag, een snikhete dag in juni waarop drie broers in en om de boerderij van hun ouders zijn. De broers Kaan hadden ooit een zusje. Zij werd slechts twee jaar oud. In 1969 kwam zij om het leven bij een verkeersongeluk in het dorp. Deze tragische gebeurtenis speelt nog altijd een grote rol in het leven van de gezinsleden en met name op deze junidag. Als de spanning haar te veel wordt trekt de moeder zich terug op de hooizolder. Dit deed zij vlak na de dood van haar dochter en later ook geregeld. Nu zit ze er weer. De broers praten niet over hun zusje. Een van de zoons heeft zich voorgenomen deze dag wel haar graf te fatsoeneren en de letters over te schilderen. De enige die rechtstreeks vragen stelt is de vijfjarige Dieke, dochter van een van de broers.

Bakker heeft het verhaal ingeklemd tussen twee hoofdstukken met een totaal ander perspectief. Op de dag van het dodelijke ongeluk bezoekt de koningin het dorp. Vanuit haar gezichtspunt zien we de bewoners en de feestelijke gebeurtenissen bij de ontvangst die dag. Zij is vrij menselijk neergezet door Bakker. De koningin houdt zich niet altijd aan het protocol en loopt bijvoorbeeld naar de vrouw toe die te laat is voor de ontvangst. De vrouw met een fiets aan de hand heeft een tweejarig kind bij zich.

Archeologie Magazine

Als je na het uitlezen van het boek teruggaat naar dit eerste hoofdstuk begrijp je pas hoe goed Bakker heeft nagedacht over de constructie van zijn roman. Niets in het verhaal staat op zichzelf. Alles wat de koningin opmerkt in het dorp en alle personen die zij spreekt keren later terug in het verhaal: de jongetjes die vanaf de brug in het water springen, de bakkerskar, het Polderhuis, de burgemeester, de kleding die een van de kinderen draagt tijdens de aankomst, enzovoorts. Ditzelfde geldt voor het hele verhaal. De drie broers zijn meestal niet samen. De ene gooit de hond in het water om af te koelen, de anderen doen dat ook, maar ze weten het niet van elkaar. Zo zit er een stel pimpelmezen in de buurt van het graf van het zusje. Iedereen die ze ziet zegt er iets over. De lezer weet na afloop hoe het de mezen is vergaan, maar geen van personages kent het hele verhaal van de mezen.

Na enige hoofdstukken lezen ben je als lezer bedacht op dit soort zaken. Zo gooit Dieke aan het begin van de dag per ongeluk een cactus om en vindt zij zo een ring die in de aarde verstopt zat. Uiteraard duikt die ring na honderd of meer pagina’s weer op in het verhaal. Een van de broers heeft de ring na de begrafenis van zijn zusje in de aarde verstopt. De ring hangt samen met een wandkleed dat in de kamer van het zusje hing en dit verwijst weer na een liedje dat een broer zingt voor Dieke.

Gelukkig valt er ook veel te genieten in deze roman. Bakker schrijft hele natuurlijk dialogen. Ze lijken heel simpel, maar zijn heel precies geformuleerd. Het is een paradox: een constructie waarvan het niet opvalt hoe geconstrueerd deze in elkaar zit. Zijn lichte humor bevalt mij ook erg. De personages zeggen soms grappige dingen, die in een normaal gesprek in eerste instantie niet opvallen. Lees je een paar zinnen over dan zie je pas hoe raar een gesprek in elkaar zit. Tot slot een voorbeeld hiervan: 

“‘Wat sta je daar te koekeloeren?’ Een dorpsgenoot met een hondje.
‘En jij dan?’
‘Ik laat tenminste de hond uit.
‘Die heb ik niet.’
‘Dat weet ik. Waarom neem je er niet een?’
‘Tsja.’
‘Dan heb je altijd een reden om naar buiten te gaan.’
‘Mag ik niet zomaar in mijn voortuin staan?’
‘Welja, waarom niet. Binnen is het helemaal niet uit te houden.’”

Eerder verschenen op Uitgelezen Boeken