Kleine geschiedenis van de wetenschap

Maandag, 15 februari, 2021

Geschreven door: Rienk Vermij
Artikel door: Cyril Lansink

Over de groei en bloei van de wetenschap

[Recensie] Wetenschap speelt een bepalende rol in ons bestaan. Hoe we kijken naar het weer, bezorgd zijn over het klimaat, hoe we denken over voeding, over gezondheid en ziekte, ja zelfs over wie we zijn is voor een belangrijk deel te danken aan wetenschappelijke theorieën en inzichten. Regen is voorspelbaar omdat we weten wat een lagedrukgebied is en hoe het zich verplaatst. Bij het eten houden we de vitamines en mineralen goed in het oog. Ziektes die het gevolg zijn van virussen en andere indringers, bestrijden we met vaccins die zonder specialistische kennis nooit gemaakt zouden kunnen worden.  En de spiegel die de evolutieleer ons voorhoudt laat ons zelfbeeld niet onberoerd.

Indirect is de invloed van wetenschap nog veel groter: de moderne technologie die zo’n groot stempel drukt op het menselijk samenleven is ondenkbaar zonder wetenschappelijke kennis.

Hoe is deze kennis ontstaan? Welke ontwikkelingen hebben de wetenschap tot de huidige gezagsvolle positie gebracht? Wat doet wetenschap met onze kijk op de werkelijkheid? Deze vragen vormen de leidraad voor een bondige historische studie van Rienk Vermij naar de groei en bloei van de wetenschap – niet alleen als een geheel van systematisch verkregen kennis, maar ook als institutionele en maatschappelijke realiteit.

In het eerste deel voert Kleine geschiedenis van de wetenschap de lezer naar de wetenschappelijke revolutie die in de 17de eeuw zijn beslag kreeg. Galilei, Descartes en Newton gaven beslissende impulsen aan een nieuwe natuuropvatting en een daarmee samenhangend nieuw wereldbeeld. Kennis kreeg een andere grondslag; uniformiteit, causaliteit en wetmatigheid werden de drie uitgangspunten om de natuurlijke werkelijkheid te begrijpen. Vermij laat mooi zien hoe deze verandering zijn beslag kreeg – niet revolutionair maar eerder evolutionair, met een lange aanloop in de 16de eeuw; niet lineair maar eerder met horten en stoten. Religieuze en filosofisch-metafysische theorieën over de wereld lieten zich niet zomaar wegdrukken. Sterker, toen in het begin van de 18de eeuw de kruitdampen van de ‘strijd’ voor een nieuw paradigma van kennis was opgetrokken, bleek er enerzijds een immens nieuw onderzoeksveld braak te liggen, maar was er anderzijds nog allerminst sprake van een totaal ander mens- en wereldbeeld. Met handhaving van de oude God werd het nieuwe natuurbeeld geaccepteerd en ging men ‘aan de slag’.

Boekenkrant

In deel twee laat Vermij zien hoe de nieuwe grondslagen in de eeuwen die volgden de basis vormden voor de professionalisering, specialisering en verzelfstandiging van de wetenschap. Van hobby ter lering en vermaak voor en van een kleine elite ontpopte de wetenschap zich tot cultureel-maatschappelijk factor van formaat. Daarvoor was niet alleen de vooruitgang in de theorievorming van belang maar minstens evenzeer de ontwikkeling van de  institutionele setting (laboratoria, universiteiten), de verbetering van de randvoorwaarden om betrouwbaar onderzoek te doen (meetinstrumenten, microscoop, statistische methodes etc.) en de industrialisering.

Noodgedwongen beperkt tot de grote lijnen – en daardoor soms wat saai om te lezen – geeft dit boek een goed en genuanceerd beeld van het ontstaan en de betekenis van het complexe geheel dat met één woord wetenschap wordt genoemd. Hoe groot die betekenis echter ook is, Vermij merkt terecht op dat de menselijke leefwereld zich nooit helemaal in de wetenschappelijke  mal zal laten  vangen. Hoeveel nieuws er, wetenschappelijk gezien, sinds Newton, Galilei en Copernicus ook onder de zon is, zelfs voor de 21ste-eeuwse mens geldt nog: de zon komt op en gaat weer onder.

Eerder verschenen op Intermediair