Kleurrijke verhalen uit de Friese kerkgeschiedenis na 1580

Zondag, 6 november, 2022

Geschreven door: Marie-Anne de Harder
Artikel door: Evert van der Veen

De kerk bestaat ook uit mensen die zichzelf meenemen.

[Recensie] Kerkgeschiedenis heeft bij buitenstaanders niet zo’n boeiend imago. Dat gaat toch over gewichtige vergaderingen waar door geleerde dominees en ernstig kijkende ouderlingen kerkelijke dogma’s worden vastgesteld waar mensen vervolgens dan weer van mening over verschillen? Met als schijnbaar onvermijdelijk gevolg dat mensen zich uit gewetensnood maar vaak om sociale of culturele redenen afscheiden om dan een nieuw – inmiddels het zoveelste – kerkgenootschap te beginnen.

Dit boek Kleurrijke verhalen uit de Friese kerkgeschiedenis na 1580 laat zien dat de kerk – hoe kan het ook anders – uit ménsen bestaat en dat zij in hun soms steile religieuze overtuiging ook en vooral zichzélf meenemen. Zo zijn er in dit boek hoofdstukken over de predikant en zijn werk, de predikantsvrouw (die vroeger een belangrijke rol speelde in het kerkelijk leven) en is er ook een hoofdstuk onder de veelbelovende titel ‘Herrie in de kerk”.

Het boek begint met een historische terugblik op de ontwikkeling van het ambt van predikant, waarin een globale schets wordt gegeven van opleiding en levensstijl. Hierin komt naar voren dat de predikant in de 19e eeuw een hogere status verwierf. Ook vindt een geleidelijke professionalisering van het ambt plaats.

Dienstbodekamer
De lezer ontdekt dat het in de kerk maar al te menselijk kan toegaan. Zo kregen predikanten in Leeuwarden een extraatje van driehonderd gulden als zij voor een beroep van een andere gemeente bedankten. Een predikant die in 1904 naar de gemeente Ysbrechtum kwam, had wel een aantal wensen ten aanzien van de pastorie: “een extra slaapkamer, een dienstbodekamer op zolder, meer kastruimte, een pomp op de regenbak en een privaat voor de meiden’. Dergelijke citaten illustreren ook treffend de tijd waarin mensen leven.

Wordt Vervolgd

De legendarische ds. Zelle uit de 20e eeuw koos pakkende titels voor zijn preken om daarmee jongeren aan te spreken: “Slappe Tinus bij de patatkraam, Op de rand van het ledikant, Piet Pelle op zijn Gazelle’, Jan Publiek heeft altijd gelijk” (p. 42).

Er zijn allerlei functies die nu niet meer bestaan zoals de voorlezer die de bijbellezingen verzorgt, de voorzanger die de samenzang begeleidt, de orgeltrapper die zorgt voor de windvoorziening in het orgel, de stovenzetster die in de winter stoven gereed maakt, de bankwachter die toezicht houdt op verhuurde banken en de stokman die slapende kerkgangers wekt.

Interessant is het gebruik van de Friese taal; hiertegen bestond vroeger de nodige weerstand. Deze taal was vroeger nog meer dan nu de algemene omgangstaal maar deze vond men niet ‘goed genoeg’ voor de eredienst. Aardig is wat een jongetje tegen zijn vader zei na een Friestalige dienst: “… dat dûmny net preke had, hy hat praat”(de dominee heeft niet gepreekt, hij heeft gesproken). De preek werd geïdentificeerd met het Nederlands waarbij vroeger ook vaak een zekere ‘preektoon’ hoorde. Dit jongetje ervoer dat de predikant in het Fries dichterbij kwam. Tegenwoordig worden er in veel kerken regelmatig Friestalige diensten gehouden, waarbij uit de Friese bijbel wordt gelezen en uit de Friese vertaling van het Liedboek 2013 wordt gezongen.

Kleurrijke verhalen uit de Friese kerkgeschiedenis na 1580 is een pretentieloos en onderhoudend boek dat je met een regelmatig terugkerende glimlach leest. Veel smakelijke en aansprekende citaten illustreren de toch al prettig leesbare tekst.

Marie-Anne de Harder is afkomstig uit Workum. Zij was docent geschiedenis en Nederlands aan het ROC in Utrecht en is nu historisch onderzoeker.

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow