Lotita

Vrijdag, 11 november, 2022

Geschreven door: Vladimir Nabokov
Artikel door: Nico van der Sijde

Lolita! Lo! Lee! Ta!

[Essay] De geniale Nabokov was voor mij ooit God zelf: ik verslond jaren geleden al zijn prachtverhalen, veel van zijn prachtromans, nagenoeg al zijn prachtessays, dag en nacht door. Het maakte niet uit of ik college had of sociale verplichtingen: alles moest wijken voor Nabokov. Lolita was een van mijn favoriete Nabokovs, en is altijd een van mijn meest favoriete boeken gebleven. Nu ik het voor de derde en meteen daarna voor de vierde keer herlezen heb voel ik weer ten volle waarom. Wat een adembenemend virtuoos boek, wat een euforiserend briljante roman! Helemaal hilair werd ik ervan, net als alle eerdere keren dat ik het las, en misschien nu zelfs nog wel meer dan ooit, omdat ik nog meer details zag en daar nog intenser van genoot.

Dubbelzinnige spiegeleffecten
In zijn fraaie nawoord zegt Nabokov: “For me a work of fiction exists only insofar as it affords me what I shall bluntly call aesthetic bliss, that is a sense of being somehow, somewhere, connected with other states of being where art (curiosity, tenderness, kindness, ecstasy) is the norm”. Ik ken inderdaad weinig andere boeken waarin het wanhopig en vergeefs zoeken naar deze ‘aesthetic bliss’ zo pregnant voorop staat, en weinig boeken die zo geniaal van taal en constructie zijn, en mij daarmee zo’n intense ‘aesthetic bliss’ brachten. Ook ken ik weinig boeken die zo hilarisch en speels zijn en tegelijk zo vol van tragiek en gesmoorde kreten van pijn. Zoals ik ook heel weinig boeken ken waarin je zo wordt ondergedompeld in de fascinerend waanzinnige wereld van een ik-figuur die zo’n geniaal welbespraakte kunstenaar is, en tegelijk een zo door abjecte waanbeelden bezeten ziel. Zelden werd ik zo geraffineerd verleid en misleid door zulke prachtig geformuleerde illusies, maskerades en dubbelzinnige spiegeleffecten. Want de naar esthetische vervoering snakkende ik- figuur schotelt ons de ene briljante zin na de andere voor, en betovert ons met kunstzinnige visioenen vol pijnlijke pracht; maar tegelijk zijn die visioenen van totale waanzin en bedrog doordrenkt.

Grote literatuur
Maar ja, ook dat draagt bij aan de ‘aesthetic bliss’. In zijn geweldige boek over Gogol schrijft Nabokov immers: “Great literature skirts the irrational. Hamlet is the wild dream of a neurotic scholar. Gogol’s The overcoat is a grotesque and grim nightmare making black holes in the dim patterns of life”. Welnu, voor mij is Lolita eveneens grote literatuur, precies omdat dit boek voortdurend langs de randen van het irrationele scheert, en dimensies voor mij opent die ik vanuit mijn burgermannenblik meestal niet ervaar. Want ‘aesthetic bliss’ vervoert ons, volgens Nabokov, naar regionen waar de zo eenvormige ratio en “common sense” niet langer gelden. Althans, voor even, want de ‘aesthetic bliss’, hoe essentieel ook, is bij Nakokov altijd maar tijdelijk en onvolkomen van aard.

Hopeloze en intense passie
Kern van het boek is dus de even hopeloze als intense passie van de ik- figuur, een kloeke veertiger en literatuurkenner die zich voorstelt met het bizarre pseudoniem ‘Humbert Humbert’, voor een meisje van slechts twaalf. We weten, o.a. uit een voorwoord van de (fictieve) psychiater John Ray, dat Humbert Humbert gevangen zit voor moord, en als psychiatrisch onstabiel wordt beschouwd. Humberts verhaal is bedoeld als apologie voor de rechtszaak die nog moet komen, en om de lezer te overtuigen van Humbert Humberts onschuld. Niet voor niets spreekt Humbert de lezer vaak direct toe, als ware hij de rechter of een lid van de jury. In het verhaal zelf schemert bovendien door dat Humbert Humbert soms hallucineert, aan waanbeelden ten prooi is, meermaals zelfs door dronkenschap of wanhoop is beneveld. Een totaal onbetrouwbare verteller dus, zoals vaker bij Nakokov. Maar alleen door zijn vervormende en waanzinnige blik kunnen wij het verhaal volgen.

Geniale woordkunstenaar
Wij zitten dus gevangen in Humberts onbetrouwbare perspectief, zoals Lolita gevangen zit in de passie van Humbert, en zoals Humbert gevangen zit in zijn uitzichtloze passie voor Lolita. Veelal lijkt hij zich niet ervan bewust te zijn dat hij Lolita breidelt en gevangen houdt. En waar hij dat wel vol spijt beseft is het niet duidelijk of hij veinst of oprecht is. Tegelijk echter is Humbert Humbert, hoe verwerpelijk en onbetrouwbaar ook, wel een Nabokoviaans geniale woordkunstenaar: de ene prachtige volzin na de andere vuurt hij op ons af, vol schitterende beelden, hilarische woordgrappen, unieke alliteraties, en vol briljante allusies op allerlei gepassioneerde personages uit de hele wereldliteratuur. Ook ventileert hij geniale opvattingen over schoonheid, passie, kunst en de esthetische ervaring. Bovendien formuleert hij briljante observaties over het benepen Amerikaanse burgermansmilieu, of over de kapitalistische leegte van de vele Amerikaanse motels waar hij verblijft. Om dan even later overigens weer lyrisch te schrijven over de ongehoorde pracht van het Amerikaanse landschap.

Onvervulbaarheid
Een volstrekt dubbelzinnige verteller dus, Humbert Humbert, die een al even dubbelzinnig verhaal vertelt over onmogelijke en uitzichtloze passie. Een verhaal waarmee een lezer met veel ‘common sense’ niks kan beginnen, en dat is ook precies Nabokovs bedoeling. Bovendien geeft Nabokov zo een erg originele invulling aan een motief uit veel grote literatuur: het motief dat het geheim van de liefde de onvervulbaarheid is. Dus dat de liefde des te gepassioneerder is omdat de geliefden elkaar niet krijgen. Waardoor die liefde ook het karakter krijgt van iets dat groter is dan de wereld, meer is dan in onze door platte common sense beknelde wereld realiseerbaar is. Daardoor leven we extra mee met bijvoorbeeld Romeo en Julia, Dante en Beatrice of Tristan en Isolde, door Nabokov bewonderde voorbeelden waar hij in Lolita graag op alludeert. Maar Nabokov doet iets nog veel knappers dan zijn bewonderde voorgangers: hij laat ons meeleven met Humbert, en meevoelen met zijn bodemloze pijn, terwijl die Humbert tegelijk zo onbetrouwbaar, abject en lachwekkend is als maar kan. Dat doet Nabokov vooral door ons mee te slepen in een feest van taal, vol van ongelofelijk enthousiasmerende en originele beelden. En door een bloedmooi lofdicht op de liefde te componeren, op een manier die volkomen aannemelijk maakt dat die liefde een verrukkelijke kwelling is en een kwellende verrukking. Dat gekwelde liefdeslied wordt gezongen door iemand die abject en grotesk is, maar die door zijn taalkunst toch superieur is aan ons: wij zijn misschien wel ‘normaal’, maar wij kunnen lang niet zo bloemrijk onze liefdes bezingen als Humbert Humbert.

Een ontstegene
De beroemde openingswoorden van Humbert Humbert zijn: “Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul. Lo- lee- ta: the tip of the tongue taking a trip of three steps down the palate to tap, at three, on the teeth, Lo. Lee. Ta.”. Meteen een taalfeest: de naam verandert in een lied, de zinnen veranderen door alle alliteraties in pure muziek. En er is meteen een allusie: de tweede lettergreep van Lolita’s naam wordt zo gespeld dat hij verwijst naar “Annabel Lee”, een beroemd gedicht van Poe. Die verwijzing wordt nog concreter als Humbert even later vertelt over zijn op prille leeftijd gestorven jeugdliefde Annabel Leigh, en ons in dichterlijke bewoordingen uitlegt dat juist die ervaring hem zo gevoelig maakt voor de door niemand geziene schoonheid van ‘nymphets’ van maximaal 12 jaar. Sterker nog, hij zegt positief dat hij Annabel Leigh in Lolita herkent, en dat hij zonder die associatie niet die passie voor Lolita zou hebben gevoeld. Lolita is voor hem dus een esthetisch beeld, een spiegeling van een dode en voorgoed verloren geliefde, haar schimmige dubbelgangster of reïncarnatie, met niet voor niets de achternaam ‘Haze’. En de reïncarnatie van een personage in Poe’s gedicht, want hij gebruikt geregeld Poe’s termen. Hij zegt bijvoorbeeld dat zijn liefde voor zowel Lolita als Annabel Leigh/Lee een “kingdom by the sea” was, een koninkrijk ver verwijderd van de grofstoffelijke mensen die de hogere liefde bekladden: een beeld dat letterlijk is ontleend aan het gedicht van Poe. Hij noemt Lolita geregeld een “wave of the sea”, verwijzend naar dit “kingdom by the sea”. En aanvankelijk wil hij Lolita ook alleen strelen als ze gedrogeerd en diep in slaap is, bijna zo diep en levenloos als een dode, zodat haar puurheid onbezoedeld blijft. Wat volgens mij ook een verwijzing is naar het gedicht van Poe. Daarin wordt immers de puurheid van de geliefde juist door haar dood tot een ultiem hoogtepunt gevoerd. Want omdat ze dood is, is de geliefde boven het aardse verheven, is zij een ontstegene die je niet kunt ‘bezitten’ maar die je precies daardoor met des te meer passie kunt bewonderen. Of, nog anders gezegd: juist daardoor stijgt zij op uit de al te banale stoffelijke werkelijkheid, en bereikt ze de ijle regionen en bovenwerelden van de ‘aesthetic bliss’. Haar “kingdom by the sea”, dat IS de fantasie, het terrein van “other states of being where art is the norm”. Zoals het tegelijk ook de wereld is van verlies en dood. Dat geldt voor Annabel Lee, maar ook voor Lolita. Te meer omdat de dood alomtegenwoordig is in Lolita: voelbaar in de levens van Humbert en Lolita zelf, maar ook in de lotgevallen van allerlei secundaire personages.

Ongrijpbare schoonheid
Prachtig hoe Nabokov ons via deze Poe-verwijzingen meteen al vervoert naar dit soort regionen, en naar sferen van onmogelijke ambivalentie. Want die gestorven liefde uit Poe’s gedicht is, behalve een innig beminde ontstegene, natuurlijk ook een hevig betreurde verlorene. Bovendien, dat dit gedicht zo in het teken staat van verlies en dood rijmt helemaal met de vergankelijkheid van Humbert Humberts passie. Een nymphet is maar heel kort jong, en haar ongrijpbare schoonheid is dus extreem vergankelijk. Dat, gekoppeld aan alle taboes en aan het feit dat maar weinigen de schoonheid zien die Humbert Humbert in nymphets ontwaart, doordesemt Hum’s passie van onmogelijkheid. “I am thinking of aurochs and angels, the secrets of durable pigments, prophetic sonnets, the refuge of art. And this is the only immortality you and I may share, my Lolita”, roept Humbert Humbert uit. Een jubelende lofzang op de onsterfelijkheid die mogelijk gemaakt wordt door verbeelding en kunst, maar tegelijk een lamentatie omdat er geen onsterfelijkheid bestaat buiten de virtuele domeinen van de verbeelding. Zodat de onsterfelijkheid van kunst niks meer is dan maskerade en illusie. Kunst is slechts een waan, ook voor de geniale woordkunstenaar Humbert, want zijn woorden redden Lolita niet van de dood, en niet van de vergankelijkheid die de schoonheid van nymphets aankleeft. “The cradle rocks above an abyss, and common sense tells us that our existence is but a brief crack of light between two eternities of darkness”, aldus “Speak, memory”. De “brief crack of light” van Lolita’s bestaan wil Humbert door poëtische regels oneindig verlengen. Maar ondanks al zijn kunstige kunde kan hij dat niet. “Schoonheid en medelijden – een nadere omschrijving van kunst bestaat niet. Waar schoonheid is, is medelijden, om de eenvoudige reden dat schoonheid moet sterven, schoonheid sterft altijd; de stijl sterft met de stof, de wereld sterft met het individu”, zo schreef Nabokov in een prachtessay over Kafka. Welnu, tegen precies die vergankelijkheid is ook Humbert machteloos. Dat besef, en zijn wanhoop daarover, vind ik ongelofelijk ontroerend.

Ontoegankelijk raadsel
Minstens zo ontroerend is hoe Humbert Humbert, al jubelend over zijn ondraaglijk kwellend geluk, steeds meer beseft dat Lolita hem ontglipt, en een ontoegankelijk raadsel voor hem blijft. Zelf zegt Humbert: “it may well be that the very attraction immaturity has for me lies not so much in the limpidity of pure young forbidden fairy child beauty as in the security of a situation where infinite perfections fill the gap between the little given and the great promised – the great rosegray never- to- be- had”. De onbereikbaarheid van Lolita, en de ongrijpbaarheid van Lolita’s vergankelijke nymphet-schoonheid, zijn dus een zegen: zo wordt een oneindig verschiet geopend, de prachtige openheid van een eeuwige belofte. Maar tegelijk lijdt Humbert Humbert zeer, omdat ‘never- to- be had’ ook ‘little given’ betekent. Bovendien, zo beseft Humbert Humbert, is Lolita zijn “own creation […] having no will, no consciousness- indeed, no life of her own”. Ze is voor hem een droombeeld, een geïdealiseerde nymphet die alleen in zijn verbeelding bestaat, een reïncarnatie van de gestorven Annabel Leigh die alleen geïdealiseerd voortleeft in zijn hoofd, terwijl Annabel Leigh weer een reïncarnatie is van de gestorven Annabel Lee in het gedicht van Poe. Humbert Humbert verhoudt zich dus nauwelijks met de werkelijke Lolita van vlees en bloed, alleen met de door koortsachtig verlangende schoonheidsdromen vertekende nymphet in zijn fantasie. Dat geeft nog weer extra lading aan Humberts abjecte kanten: omdat hij zich fixeert op Lolita als droombeeld, is hij weinig nieuwsgierig naar Lolita als persoon. Maar het geeft ook extra lading aan Humberts tragiek: juist omdat Lolita voor hem alleen een droom is, en bovendien een droom die draait om de zeer vergankelijke schoonheid van nymphets, is Lolita des te nadrukkelijker een gestalte die hem ontglipt. Kortom: aan Humberts “aesthetic bliss”, zoals gedefinieerd door Nabokov (zie boven), ontbreekt vaak de ‘curiosity’, en tegelijk is die ‘aesthetic bliss’ voor Humbert ook nog eens veel te vergankelijk van aard.

Illegale passie
Humberts passie is bovendien illegaal, en vereist verborgenheid. Dus ontvoert hij Lolita min of meer, en vlucht hij samen met haar van motel naar motel. Dat leidt tot een eindeloze dooltocht, die, door de adembemend beschreven kapitalistisch-zinledige sfeer van die motels, doordesemd is van leegte en troosteloosheid. Die leegte en troosteloosheid, en de doelloze ongerichtheid van zijn reis, passen mijns inziens naadloos bij het desoriënterende karakter van zijn passie, bij het feit dat Lolita hem voortdurend ontglipt. Ik zie die reis van motel naar motel dus als een reis door het onbestemde, als een prachtig beschreven queeste – ook mentaal- door “the gap between the little given and the great promised”. Tijdens die dolende reis raakt Humbert Lolita bovendien kwijt aan een raadselachtige figuur, die al even dubieus is als hij. Maar dat lijkt een dubbelganger die aan Humbert Humberts paranoïde wanen is ontsproten. Een ingebeeld alter ego dus, met vergelijkbare woordspeligheid, vergelijkbare verbeeldingskracht, en dezelfde voorkeur voor nymphets. En, net als Humbert, vol vergeefs verlangen. Want ook de dubbelganger van Humbert raakt Lolita al snel kwijt, waardoor de ongrijpbaarheid van Lolita eveneens wordt verdubbeld.

Allusies en dubbelzinnigheden
Uiterst fascinerend is dan hoe Humbert, de expert bij uitstek in allusies en dubbelzinnigheden, totaal verstrikt raakt in verborgen aanwijzingen die hem op het spoor van die dubbelganger hadden moeten brengen. Aanwijzingen die je als lezer, bij herlezing, eerder en beter doorziet dan Humbert Humbert, maar ook zonder het hele patroon te kunnen doorgronden: precies de ervaring dus waarin Humbert is ondergedompeld. En nog adembenemender is hoe hij en die dubbelganger, in hun uiteindelijke, groteske strijd, volkomen ononderscheidbaar worden: “We rolled all over the floor, in each other’s arms, like two huge helpless children. […] I rolled over him. We rolled over me. We rolled over us”. Wat plaatsvindt in een huis vol spiegels, zodat dit tafereel in drogbeelden wordt vermenigvuldigd. Met als pikant detail dat Humbert, heel symbolisch, alle sleutels heeft verzameld, maar helemaal niets kan beginnen met die sleutels. Humbert heeft kortom niet echt de sleutels in handen, niet van dit spiegelpaleis, niet van zijn eigen geest. Bovendien is die dubbelganger ook nog eens degene die, volgens Humbert, Lolita heeft laten meespelen in een zelf geschreven toneelstuk vol van dubbele bodems en maskerades. Waarbij Humbert mijmert over “the play’s profound message, namely, that mirage and reality merge in love”. Maar tegelijk bedenkt hij dat Lolita, juist door dit toneelstuk, de kunst van de misleiding geleerd heeft, waardoor zij voor Humbert nog meer een “mirage” is geworden. Terwijl dat toneelstuk geschreven is door een dubbelganger van Humbert, die een ‘mirage’ is van Humberts paranoïde verbeelding. En zelfs het gevecht met de dubbelganger lijkt een hallucinatie, dus een ‘mirage’ in Humberts hoofd. Evenals de filmscene die hij iets eerder ziet, terwijl hij, dromend van zijn aanstaande moord, in de nacht een drive- in voorbijrijdt: “In a selenian glow, truly mystical in its contrast with the moonless and massive night, a thin phantom raised a gun, both he and his arm reduced to tremulous dishwater by the oblique angle of that receding world”. Een filmscene in een pijlsnel voorbijgereden drive- in (vandaar de ‘receding world’) mengt zich op surrealistische wijze met de moordfantasie in zijn fantasie. En even later lijkt hij zelf onderdeel van zo’n surrealistisch gefantaseerd filmtafereel. Duizelingwekkend, dit alles: Lolita is vol van dubbele bodems, een spiegelpaleis waarin je – net als Humbert- helemaal verdwaalt. En waarin je niets kunt beginnen met de sleutels die je in handen meent te hebben.

Onuitputtelijk rijk boek
Lolita is kortom een onuitputtelijk rijk boek, waarover ik nog veel langer door zou kunnen jubelen. Bijvoorbeeld over de prachtige beschrijvingen van Lolita’s onwereldse elegantie als zij tennist, met slagen die totaal ongeschikt zijn om de partij te winnen maar o zo schoon, wat leidt tot “the indescribable itch of rapture that her tennis game produced in me – the teasing delirious feeling of teetering on the very brink of unearthly order and splendor”. Bijvoorbeeld over de scene waarin Lolita een “Eden-red apple” eet, als een soort Eva in de hof van Eden, samen met Humbert een liedje neuriet over “carmen” en “barmen”, speels verwijzend naar de tragische Carmen- liefdesgeschiedenis, en waarin Humbert heel even een totale gelukzaligheid voelt. Bijvoorbeeld over een veel latere scene, waarin Humbert in gesprek met Lolita steeds zinnen uit diezelfde Carmen- geschiedenis citeert, lijkt op te bouwen naar een climax waarin Lolita – net als Carmen- zal sterven aan een passiemoord, zijn pistool trekt……. Nee, toch niet: de lezer is door Humbert gefopt! Wat ook een climax oplevert, maar een heel andere dan die je als lezer voelde aankomen.

Enorme rijkdom van de taal
Wat is er aan Lolita veel te bewonderen. Ik raak helemaal hilair door de enorme rijkdom van zijn taal. Ik word euforisch van de gepassioneerde lofzang op de verrukkelijke kwellingen van de onmogelijke liefde. Ik word enorm vrolijk van de originaliteit, de humor, de allusies. Ik jubel bij al die keren dat Nabokov mij op het verkeerde been zet, door onverwachte verhaalwendingen of door mij te laten geloven in taferelen die twee zinnen later drogbeelden blijken. Ik hou van de vele fraaie details en motieven. Bijvoorbeeld het krankjorume toeval dat Lolita’s ouderlijk huis en de eerste motelkamer van Humbert en Lolita allebei nummer 342 hebben: alsof de vluchtende Humbert niet aan dat adres kan ontsnappen, en alsof het grillige toeval of fatum Humbert vangt in zijn ondoorgrondelijke patronen. Ik bewonder hoe Nabokov de alomtegenwoordigheid van de dood evoceert, en het even essentiële als vergeefse verzet daartegen van literatuur en kunst. Ik hou van al die toespelingen op de Platoons of mythologisch geidealiseerde vrouwenfiguren van Boticelli, die model staan voor de idealiserende aspecten van Humberts passie. Ik veerde op bij de toespelingen op Alice in Wonderland: ook een fascinerende nymphet, en bovendien een nymphet vol van ongeremde fantasie en grillige droom. Ik kan geen genoeg krijgen van al die beschrijvingen vol van onverwachte kleuren, of verrassende geluiden, of volkomen eigenzinnige combinaties van kleur en geluid: zinnen waarin ook de meest gewone objecten op volkomen ongewone wijze gaan glanzen, in een totaal nieuw en onverwacht licht. En ik sta paf van de volkomen unieke wereld die Nabokov mij voortovert, doordrenkt met humor en euforische jubel maar evenzeer met de pijn van een onmogelijke passie. Wat mij imponeert, juist omdat Nabokov dat klaarspeelt bij een soort liefde die vloekt met onze taboes. Humbert Humbert heeft veel momenten van ‘aesthetic bliss’, naast veel volstrekte vertwijfeling daaraan. En bij mij duurt de ‘aesthetic bliss’ nog voort. Zelden heb ik een boek gelezen dat zo nadrukkelijk ging over het snakkende verlangen naar en de onontbeerlijkheid van vervoering, en dat mij door zijn originaliteit en taalrijkdom zo vervoerde.

Nabokov is kortom mijn held, nog steeds. Ik zal hem blijven lezen en herlezen, met steeds hernieuwde euforie.

Eerder verschenen op Hebban

Yoga Magazine

Boeken van deze Auteur: