Macht en onmacht

Woensdag, 16 december, 2015

Geschreven door: Tinneke Beeckman
Artikel door: Marnix Verplancke

“Spaar de minderheden niet”

We moeten echt geen medelijden hebben met gewelddadige minderheden, aldus de Vlaamse filosofe Tinneke Beeckman. Wanneer iemand aan religieuze wanen lijdt, moeten we dat niet aanvaarden als cultuurgebonden. Nee, dan moeten we zijn pathologie analyseren, en dat is echt niet Eurocentrisch.

Op 7 januari 2015 plegen moslimterroristen in Parijs een aanslag op de redactielokalen van het satirische blad Charlie Hebdo. Er vallen twaalf doden, wat tot vorige week het hoogste aantal slachtoffers was dat het fundamentalisme in Frankrijk ooit had gemaakt. Het weekend daarop liepen vier miljoen mensen door de Franse straten in de marche républicaine die een stil protest tegen het geweld werd. Maar niet zo volgens historicus en geograaf Emmanuel Todd, die in zijn boek Wie is Charlie? deze mars deconstrueerde en afserveerde als een betoging die de sociale positie van de blanke middenklasse wou verstevigen en daarom spuwde op de religie van de minderheid. Die vier miljoen, zei hij, behoorden sociologisch gezien allemaal tot dezelfde klasse. Er zaten geen arbeiders tussen, net zomin als bewoners van de beruchte banlieues, de buitenwijken waar de politie nog amper zijn neus durft te vertonen. Nee, deed hij er nog een schep bovenop, die betogers kwamen uit de dorpen en wijken die traditioneel antirevolutionair waren en waar tijdens de Tweede Wereldoorlog hevig werd gecollaboreerd met de Duitse bezetters. Zombie-katholieken, noemde hij hen, van generatie tot generatie overgeleverd aan het antisemitisme en de vreemdelingenhaat.

Voor de Vlaamse filosofe Tinneke Beeckman is Todds boek een symptoom van wat er is misgelopen met de westerse filosofie. Wat ooit een kritisch denken was, heeft vandaag suïcidale trekken aangenomen. ‘Todd combineert een aantal zaken die wij associëren met kritisch denken,’ aldus Beeckman, ‘Dat wij handelen via onbewuste motieven bijvoorbeeld. Wij zien mensen die opstappen door de straten van Parijs en verbolgen zijn over een terroristische aanslag. Hij ziet daarentegen wat erachter verborgen zit, de onbewuste motieven. Alleen heeft hij nooit met die mensen gesproken en komt hij niet verder dan zijn eigen verbeelding. Ook zijn verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog zijn in hetzelfde bedje ziek. Ik ben helemaal te vinden voor een wetenschappelijk relevante analyse van het verleden, en dus ook voor die van de Tweede Wereldoorlog, maar Todd heeft zo’n analyse niet gemaakt. Hij herhaalt alleen bestaande angst- en schuldgevoelens en daardoor verhindert hij een helder denken over deze zaken. Dat is een heel bedenkelijke keerzijde van het kritische denken. De irrationaliteit zit bij de ander, niet bij Todd. Iedereen is door zijn context bepaald, maar niet hij. Enerzijds beweert hij dat wij Europeanen historisch gedetermineerd zijn, onbewust patronen herhalen die tientallen of honderden jaren oud zijn en op zoek gaan naar hiërarchieën en zondebokken. In de islam ziet hij dan weer de mogelijkheid voor de Republiek om echt democratisch te worden, op voorwaarde dat moslims de gelijkheid tussen man en vrouw aanvaarden. Alsof die islam dan opeens uit zijn eigen geschiedenis zou kunnen stappen en die gelijkheid aannemen, terwijl de middenklasse haar verleden alleen kan herhalen.’

Todd heeft alle media gehaald, in Frankrijk, België en Nederland. Waarom willen wij zijn ongegronde mening zo graag aanhoren?
Beeckman: ‘Omdat ons kritisch denken van de voorbije halve eeuw exacte kennis en wetenschap totaal heeft uitgehold. Vandaag geldt de macht van de retoriek. Wie de scherpte tong heeft en met het meest onaanvaardbare verhaal komt, heeft vandaag de macht. Dan speelt nog een ander fenomeen: wetenschapsfilosoof Bruno Latour merkte ooit op dat de intellectueel vroeger in het kleine Franse dorp waar hij woont neerkeek op de gewone bevolking en dit nu omgekeerd is. Nu schudt de bevolking meewarig het hoofd bij hetgeen de intellectueel zegt en denkt: die professor heeft toch geen enkel besef van de wereld. Hij snapt zelfs niet dat 9/11 het werk is van de Amerikaanse inlichtingendiensten. Dat iemand niet in het autoriteitsargument trapt en dus niet zomaar gelooft wat anderen zeggen is goed, maar dat betekent nog niet dat zomaar om het even wat als waarheid aanvaard kan worden. Dat is wat vandaag nochtans gebeurt. De waarheid vindt men saai en nuance is niet spannend. De menselijke geest heeft de neiging weg te kijken van alles wat hij onaangenaam vindt. Mensen willen vaak de waarheid niet weten. Neem bijvoorbeeld de klimaatverandering. Het is veel makkelijker die af te doen als ideologisch gewauwel. Dan moet je niets aan je gedrag wijzigen.’

Schrijven Magazine

Hoe is het zo ver kunnen komen?
Beeckman: ‘De denkers van de Verlichting lanceerden een aantal principes. Ieder mens kan zijn rede gebruiken en vrij dingen onderzoeken; het is niet de traditie noch de religie die de waarheid in pacht heeft; er moet een genadeloze kritiek mogelijk zijn, ook op hetgeen sommigen als heilig beschouwen; en alles is door de mens gecreëerd, inclusief de heilige boeken en de samenleving. Nietzsche merkte hierbij op dat die Verlichtingsfilosofen blijkbaar niet beseften dat ze zelf ook nog een ideologisch denkkader hanteerden en daarbij bepaalde idealen voorop stelden. De idealen van vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid en de wetenschap en de rationaliteit waren voor hem ook een vorm van theologie. Die wetenschap is helemaal niet zo neutraal en belangeloos, zei hij, en de rationele mens bestaat niet, net zomin als de objectieve observatie. De postmoderne denkers uit de tweede helft van de twintigste eeuw maakten gebruik van Nietzsche met de bedoeling de mens te bevrijden, maar in feite maakten ze hem tot slaaf van de willekeur. Foucault zei bijvoorbeeld dat er alleen verschillende perspectieven zijn, maar geen enkel is waar. De waarheid is het discours dat volgt uit een interpretatiestrijd. Wie zijn visie kan doordrukken heeft de waarheid in pacht. Waarheid veronderstelt dus macht en in het verzet tegen die macht schuilt de bevrijding. Op die manier wordt de minderheidspositie onaantastbaar. Wie wil immers de verdrukten niet bevrijden? En zo kom je bij Todd uit: jij behoort tot de Franse middenklasse die gaat betogen en spuwt op de zwakkere. Daarom ben jij fout. Wat men daarbij over het hoofd ziet is dat een kleine minderheid binnen die minderheid, de fundamentalisten, helemaal geen slachtoffers zijn. Zij zijn niet zwak en hulpeloos, maar kunnen een echte bedreiging vormen voor de meerderheidspositie. We moeten dus geen medelijden hebben met die minderheid. We mogen haar in vraag stellen.’

Wat is goed denken dan?
Beeckman: ‘Denken moet vanuit de feiten vertrekken. Sociologisch onderzoek heeft door middel van peilingen aangetoond dat de mensen die aan die mars meededen niet degenen waren waar Todd het over had. Dat zijn feiten. Alle leeftijden waren vertegenwoordigd en in tegenstelling tot wat Todd schreef was de betoging wel divers. Eens de feiten gekend probeer je de zaken van zo veel mogelijk kanten te benaderen en sta je open voor zelfkritiek, nuance en nauwkeurigheid.’

Dit is in de humane wetenschappen toch een stuk moeilijker dan in de exacte?
Beeckman: ‘Moeilijker, maar niet onmogelijk. De gevierde Amerikaanse documentairemaker Errol Morris maakte The Unknown Known, over Donald Rumsfelds mystificatie wanneer hij het had over de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein. Wat je daarin te zien krijgt zijn de politieke gevolgen van het loslaten van waarheid en waarachtigheid. Rumsfeld wringt zich met zijn pseudodiepzinnigheid in allerlei bochten. Wanneer men opwerpt dat er toch helemaal geen bewijzen waren voor die wapens, beweert hij dat er een verschil is tussen het onbekende onbekende, het bekende onbekende, het onbekende bekende en het bekende bekende. In plaats van een scherpe vraag te stellen – “zijn die bewijzen er of zijn ze er niet?” – gaan de journalisten die Morris toont in zijn film helemaal mee in Rumsfelds mistspuiterij. Alsof ze in navolging van filosofen als Nietzsche en Foucault geloven dat iedereen zijn perspectief heeft. Morris gaat hier tegenin. Stel je voor dat je ten onrechte veroordeeld bent voor een moord die je niet heb gepleegd en je zit te wachten op de uitvoering van je doodstraf. Dan zal je toch ook niet tevreden zijn met het antwoord dat jij jouw waarheid hebt en iemand anders de zijne? Dan geloof je toch ook dat dé waarheid aan het licht moet komen?’

Het politieke debat wordt te vaak herleid tot een moreel of moraliserend debat, schrijf je.
Beeckman: ‘Vandaag moeten we bewijzen dat we tot de goeien behoren. Wie een foto van de aangespoelde Aylan op zijn Facebookpagina postte was een goeie. En al die anderen waren dat niet. Zij waren zelfs niet menselijk. Dat was pure emotie, en het versimpelen van een enorm complexe zaak die al heel lang bezig is. Je hebt toch echt niet zo’n foto nodig om te weten dat een burgeroorlog die jaren aansleept verschrikkelijk is en er al heel veel van die kinderen geweest moeten zijn. Maar mensen hebben blijkbaar zo’n beeld nodig om dit te beseffen, waarna ze zich meteen profileren als moreel hoogstaand. Hetzelfde zie je in het debat over geloof, democratie, economie en minderheden. Wat je ook zegt, je moet absoluut vermijden, dat iemand je iets kan verwijten. Stel je voor dat iemand je islamofoob, seksistisch of racistisch zou vinden. Je begint dan in functie van die perceptie te denken. Dat maakt mensen conflictvermijdend, in plaats van de confrontatie aan te gaan. Tegenwoordig is er in ieder ziekenhuis minstens een vrouwelijke arts van wacht. Wanneer een moslima opgenomen wordt, mag die immers niet door een man aangeraakt worden. En wanneer dat wel gebeurt kan dat tot geweld leiden. Moslimmannen pikken dat immers niet. Een man die gewelddadig wordt omdat een andere man zijn vrouw aanraakt noemen we in seculiere termen iemand die lijdt aan jaloersheidswaan. Dat is een psychiatrisch fenomeen. Wanneer je daar last van hebt, moet je je eigen probleem oplossen. Je probeert het onder controle te houden, vraagt je af waar het vandaan komt en welke fantasieën ermee gepaard gaan, want die agressie wordt natuurlijk mee veroorzaakt door de eigen seksuele obsessies. Het interessante is dat eind negentiende, begin twintigste eeuw deze analyse al duidelijk gemaakt werd, en wel door Freud. Hij schreef verschillende teksten over dwangneuroses en rituelen. De gewetensangst bij de particuliere dwangneuroticus wordt door religie op grote schaal georganiseerd, schreef hij. Toen was het perfect mogelijk om een dergelijke analyse te maken. Wanneer je vandaag poneert dat religie collectief iets teweegbrengt wat op individueel vlak jaloersheidswaan heet, word je met de grond gelijk gemaakt. Dat kun je niet meer schrijven. Er zijn psychiaters die deelnemen aan het publieke debat, maar wanneer zoiets ter sprake komt, zwijgen zij allemaal als vermoord. Zij lopen met een geweldige boog om het fenomeen religie heen. Ten onrechte natuurlijk, want die psychiatrische diagnoses zijn op iedereen van toepassing. Niemand kan dan zeggen: hela, voor mij geldt dat niet want bij mij is dat mijn religie.’

Moeten we minderheden dan niet beschermen?
Beeckman: ‘Natuurlijk, maar vandaag mag je niets meer over die minderheden zeggen of je bent een spreekbuis van de Europese superioriteit. Er gaat heel veel tijd en energie verloren met dat soort slordig denken. Bovendien is het ook altijd heel erg emotioneel. Iedereen denkt voortdurend in termen van vernedering, slachtofferschap, ressentiment en schuld. Met al die droeve passies kom je echter geen stap vooruit. Tony Judt schreef al dat we de geschiedenis niet langer willen analyseren en begrijpen, maar ze daarentegen alleen nog herinneren als een bron van lijden. We analyseren culturen vanuit hun eigen, aparte slachtofferschap. We beschouwen het verleden als een bron van kwetsuren waar de leden van de cultuur niet meer overheen lijken te geraken. De vraag wordt dan: wie werd door wie benadeeld? Wie is het diepst gekwetst? Maar wie is bij zo’n benadering gebaat, vraag ik me dan af. Niemand, eigenlijk. En die insteek voorkomt allesbehalve de zo gevreesde herhaling van het verleden.’

We hebben dus een nieuwe Freud nodig?
Beeckman: ‘Figuurlijk toch, want niet alles wat die man heeft geschreven heeft de tand des tijds doorstaan. Maar waar hij iets religieus schaamteloos in iets seculiers durfde te vertalen, kan hij ons tot voorbeeld strekken, ja.’
‘Wat meer zelfkennis, kritische methode en de volharding om angst te overwinnen, dat hebben we nodig,’ zoals de laatste zin van uw boek luidt?
Beeckman: ‘Ik denk dat wij heel erg conflictvermijdend zijn, in de hoop dat het conflict wel vanzelf zal verdwijnen. Maar dat is niet zo. We zouden ons best wat moediger mogen opstellen.’

Wie is Tinneke Beeckman (°1976, Antwerpen)?

* Studeerde moraalwetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel en de Université Libre de Bruxelles.

* Haar eerste boek, Door Spinoza’s lens, over de hedendaagse relevantie van het denken van Spinoza, werd bekroond met de Liberales-prijs.

* Schrijft columns voor De Standaard, De Tijd en De Morgen en is een gewaardeerde spreekster over het werk van Machiavelli, Spinoza en Nietzsche.

Verscheen in de Trouw


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.