Mercier en Camier

Vrijdag, 29 oktober, 2021

Geschreven door: Samuel Beckett
Artikel door: Elisabeth Francet

De essentie van existentie

[Recensie] Het loopt al mis bij de afspraak aan de beuk waar Mercier (lang, pezig, baardig) en Camier (klein, gedrongen, krombenig) hun tocht zouden aanvatten. Hoewel de twee zestigers elkaar van kindsbeen af kennen en dus min of meer weten wat ze aan de ander hebben, duurt het ontstellend lang eer ze tot een vergelijk kunnen komen over zelfs maar het startmoment van hun gezamenlijke reis. Eenmaal op pad, vorderen ze uiterst moeizaam. Beide heren koesteren tegengestelde wensen, gebaseerd op verschillende percepties van de werkelijkheid. Bovendien strooit aanhoudende regenval roet in het eten. 

 
Veel meer dan dat de een privédetective is, de ander ongelukkig getrouwd en beiden weleens van bil gaan met de prostituee Helen, komen we over de achtergrond en het verleden beider heren niet te weten. Mercier en Camier zijn contourloze personages, bijna elkaars schaduw. Nu en dan worden ze de aanwezigheid van de onzichtbare derde gewaar. Redetwistend over wie nu eigenlijk wie op sleeptouw neemt, sukkelen ze verder.
 
Tot hun groot jolijt vinden de heren de paraplu terug. Hoewel het ding al van meet af aan niet doet waarvoor het bedoeld is, hen beschermen tegen de regen, klampen ze zich eraan vast als drenkelingen aan een stuk wrakhout. Ze koesteren de illusie dat ze voorwaarts bewegen, maar lopen in werkelijkheid voortdurend heen en weer en in kringetjes in en om de stad. Ze verdrijven de tijd, meer niet. Beckett speelt een macaber spel met tijd, zingeving en banaliteit, zoals het leven zelf.
 
Net als Wachten op Godot begint en eindigt Mercier en Camier bij een boom, die mogelijk symbool staat voor vereniging en verval. Met het duo Vladimir en Estragon in Wachten op Godot, delen Mercier en Camier hun bindings- en verlatingsangst, hun gebrekkige geheugen, hun dwangmatige nood aan zingeving, hun dichterlijke inborst en hun extreme gemoedsschommelingen. Geen van hen heeft er een benul van wat ze nu eigenlijk staan of lopen te doen en welk doel de hele onderneming zou moeten dienen. Toch lijkt hun toekomst ervan af te hangen. Om de tijd te doden, spelen ze stompzinnige spelletjes. Het spel met de bolhoeden komt in beide werken voor en illustreert hoe de twee duo’s ook aan elkaar het hoofd verliezen.
 
De personages en hun conversaties komen herkenbaar en toch bevreemdend over. Ze zijn tegelijk realistisch en surreëel, banaal en absurd. Hun gedrag ontbeert elke logica en hun belevingswereld biedt geen enkele houvast. Met chirurgische precisie ontleedt Beckett de taal van zijn personages in hun denkbeeldige wereld. Hij drijft het zelfs zover om de taal van hen los te fileren, wat een behoorlijk ontwrichtend effect heeft. De duo’s lijken verloren te lopen in een kluwen van betekenissen. Beckett experimenteert met de hypothese dat taal zinledig wordt, uitdooft of zichzelf vernietigt, wanneer die loskomt van lichaam én geest.
 
Beckett lezen voelt geregeld aan als stuurloos dobberen op zee, met een stuk wrakhout als enige houvast. Voorts is het spartelen in golven van sublieme taal. Laat er echter geen misverstand over bestaan: achter Becketts mistige wereld en schimmige personages schuilt een heldere – zij het omcirkelende – visie op de essentie van het moderne bestaan, dat draait om zingeving en taal. Wat blijft er over, wanneer je regulerende taal en dwangmatige zingeving in een mensenleven wegneemt? Lees Beckett en er zal iets beginnen te dagen. Over de essentie van existentie bijvoorbeeld.

Eerder verschenen op Geen dag zonder boek

Geschiedenis Magazine