Miniapolis

Dinsdag, 30 november, 2021

Geschreven door: Rob van Essen
Artikel door: Marnix Verplancke

Twee verhaallijnen die elkaar op vernuftige wijze kruisen

De eerste zin

“In tram 81 zat zijn moeder.”

Recensie

Jonathan is op weg naar een bijkantoor van de gemeentelijke dienst om er financiële steun aan te vragen wanneer hij op een Brusselse tram zijn inmiddels al vier jaar dode moeder ziet zitten. Volstrekt uit het lood geslagen gaat hij haar achterna en krijgt hij in een smerige tunnel onder het Noordstation een verhaal te horen over het dak waarop de vrouw vroeger woonde, samen met de glazenwassers en de schouwvegers, en waarop ze haar zoon baarde. Samen beslissen ze op zoek te gaan naar dat dak, een trip die hen buiten de stad brengt en die Jonathan regelmatig een oorvijg oplevert. Waarom hij zoveel slaag krijgt, wordt nooit duidelijk.

Archeologie Magazine

Rob van Essens nieuwe roman Miniapolis bevat wel meer dergelijke mysteries, ook in de tweede verhaallijn van het boek. Die gaat over de mannen die in het bijkantoor werken, Wildervanck en Scherpenzeel. De eerste woont boven het bijkantoor maar rijdt iedere ochtend anderhalf uur met zijn fiets alvorens achter zijn bureau te gaan zitten omdat hij moeite heeft met de nabijheid. De tweede betrekt een kamer in de buurt van het bijkantoor en ontdekt in een verluchtingsrooster propjes papier met geheimzinnige opdrachten erop, zoals “Eet reebout”, wat hij vervolgens ook doet, of “Ga ’s morgens naar de brug”, waar hij Jonathan aantreft, hangend aan een buis, waarna deze plots verdwijnt en de ambtenaar denkt dat hij in de rivier gevallen en verdronken moet zijn. Tot hij hem ziet zitten in het bijkantoor dus.

De literaire wereld van Rob van Essen is geen alledaagse, weten we uit zijn met de Libris bekroonde vorige roman De goede zoon. Hij houdt van ongerijmde en onvoorspelbare situaties en vooral ook van de logica van het absurde. Stel dat hij een stand-up comedian was, dan vertelde hij geen moppen, maar wel een grappig verhaal bij elkaar gehouden door een strakke noodwendigheid. En dat doet hij ook in Miniapolis, door Scherpenzeel te laten vermoeden dat Wildervanck iets met Jonathan heeft, waarna hij zich een fiets aanschaft en hij zijn collega ’s ochtends begint te volgen. Het leidt tot samen koffie drinken en de aanschaf van een tandem waarmee ook zij uiteindelijk de stad verlaten en van Essen in staat stellen de twee verhaallijnen van Miniapolis elkaar op vernuftige wijze te laten kruisen.

Drie vragen aan Rob van Essen

Miniapolis valt op doordat de roman louter vertelplezier wil brengen, zonder autobiografische link of sociaal engagement. Zijn we het verhalen vertellen verleerd?

Van Essen: “Toen Niña Weijers met haar tweede boek kwam, zei ze in een interview dat ze wat uitgekeken was op het vertellen van gewone verhalen. Zo gaat er wel iets verloren, dacht ik toen. En dus wou ik gewoon een verhaal vertellen. Als er ongewild engagement in mijn boeken sluipt, zoals bijvoorbeeld met het dystopische gegeven van De goede zoon, dan is dat maar zo, maar het is mijn doel niet om geëngageerd bezig te zijn. Ik schreef het boek tijdens de eerste lockdown, aan de keukentafel. Misschien was het wel escapisme en wou ik iets schrijven dat niets met het virus of de pandemie te maken had. Al gebeuren er wel wat rare dingen, zoals steeds in mijn boeken. Ik wil immers vooral vermaak en vervoering brengen.”

En een sfeer creëren, lijkt me. Misdaadroman gaan niet over het oplossen van een misdaad, maar wel over het creëren van een bepaalde sfeer, laat u een van uw personages zeggen. Dat geldt toch ook voor Miniapolis ook al is het geen misdaadroman?

Van Essen: “Je weet niet waar het boek naartoe gaat, maar ondertussen heb je wel de ietwat unheimliche sfeer, gecreëerd door die twee mannen die tot elkaar veroordeeld zijn en tussen wie er een vriendschap bestaat zonder dat ze die echt kunnen uiten. Ik vind sfeer belangrijk omdat sfeer blijft hangen. Wanneer je een boek uit hebt, ken je de plot en vergeet je die ook weer, maar de sfeer onthoud je.”

Dit is het eerste boek dat u in Brussel schreef. Is dat anders dan schrijven in Amsterdam?

Van Essen: “Brussel voelt heel anders aan dan Amsterdam. Het is toch net iets grootsteedser en chaotischer. In het begin zit Brussel heel erg in het boek inderdaad. Ik noem die tram, het Noordstation en de bibliotheek op het Muntplein. Ik heb me dus wel door Brussel laten inspireren, maar dan door een Brussel met een grote rivier erdoorheen. Die mist Brussel, dus heb ik dat even goedgemaakt. Anderzijds gaat het boek niet echt over die stad natuurlijk. Die echte Brusselse roman, waarin ik geen rivier meer nodig heb maar gewoon het kanaal accepteer, moet wellicht nog komen. Dat wordt dan Het verdriet van Brussel wellicht, of De ontdekking van Brussel.” (lacht)

Eerder verschenen op Knack