Myself when I am real

Donderdag, 14 juli, 2022

Geschreven door: Gene Santoro
Artikel door: Quis leget haec?

Biografie van jazzgrootheid Charles Mingus

[Recensie] Myself when I am real van muziekcriticus, columnist en schrijver Gene Santoro is de biografie van jazzmusicus Charles Mingus, wiens autobiografie ik al las. Het is goed om deze biografie na de autobiografie te lezen, want er wordt zo veel duidelijk over dat laatste boek.

Om daar meteen maar mee te beginnen, er worden een aantal zaken in bevestigd en een aantal zaken ontkracht. Mingus heeft nooit de pooier uitgehangen. Grote verhalen hangt hij erover op, dat wel; feiten zijn er niet over bekend. Zijn temperament, dat was er wel degelijk. Zijn bijnaam ‘Jazz’s Angry Man’ was dubbel en dwars verdiend maar er zaten heel veel kanten aan de man. Het voorwoord geeft een aardige opsomming van wat we kunnen verwachten:

“He had a lot of fans who dug his shows. Important and influential critics and record company heads dug his music. He was rich. He died broke. He’d erupt in volcanic passions for dim (if any) reasons. Erratic. Unpredictable. Mood swings. Evil…He chased women constantly. Women, especially white women, adored him.”

Dat gaat nog even zo door en in 384 pagina’s levert Santoro het allemaal op. Omdat dit een biografie is ontkomen we niet aan een feitelijke opsomming van alles sinds zijn vroege jeugd, maar Santoro verwijst vaak naar de autobiografie Beneath the underdog en zo gaan steeds meer dingen op hun plek vallen. Dit boek is tevens een mooi tijdsbeeld van de jazz-scene in de jaren vijftig in New York. Een roerige tijd waarin drank en drugs een grote rol speelden. Ook Mingus gebruikte wel, maar niet in grote hoeveelheden. Santoro beschrijft hoe het er aan toe kon gaan tijdens een optreden:

Boekenkrant

“With Art Blakey and Kenny Dorham, both junkies, he watched Bird and Bud Powell self-destruct on Birdland’s fabled bandstand. Powell was drunk; he attacked Bird’s playing. Parker lashed back. Powell smashed the keyboard and walked offstage…Mingus grabbed a microphone and said, ‘Ladies and Gentlemen, please don’t associate me with any of this. This is not jazz. These are sick people.’
Backstage afterward, Thelonious Monk, who seemed the most eccentric of them all, scolded Powell and the rest. ‘I told you guys to act crazy,’ he said, ‘but I didn’t tell you to fall in love with your act. You’re really crazy now.’ No one said a word. It was the epitaph for an era.

Net als de biografie van Monk geeft ook dit boek een brede kijk op de tijd van toen. Ook de politieke gebeurtenissen komen erin voor en al die invloeden zijn van belang voor de muziek van Mingus. Ook allerlei soorten muziek en literatuur gebruikt hij dit boek is een prima manier om zijn werk beter te leren kennen. Verschillende hoofdstukken zijn aan bekende albums van hem gewijd. Mingus is ook maatschappelijk betrokken met het racisme-thema als grote rode draad in zijn leven. Pianist Mal Waldron vertelt;

‘With things like Work Song, we were going into the area of traditional music. We were going into the background of black people in America, into their experiences in life. Mingus was trying to portray that in his music…He would explain the feeling of a guy with a sledgehammer trying to hit a rock, trying to make little rocks out of big rocks.’

Zoekt u het maar eens op op Youtube, zulke verhalen helpen bij het luisteren naar zijn muziek. Het wordt nog mooier met songtitels als The Shoes Of The Fisherman’s Wife Are Some Jiveass Slippers of Don’t Be Afraid, The Clown’s Afraid Too.

Zijn optredens worden uiteraard uitgebreid beschreven, hij treedt wereldwijd op. Zijn omgang met zijn collega-muzikanten is een verhaal apart. Het is tenenkrommend om te lezen als hij zijn pianiste meer als Duke Ellington wil horen spelen:

“The next day, she listened to Ellington records. That night, she played lots of flat fives and nines….Everything seemed fine until the middle of the second set, when Mingus stormed off the stage to the dressing room. The Workshop kept playing to a backdrop of tearing sounds, until he emerged with long strips of terrycloth – a torn-up towel. He pushed her of the bench, crawled below, and tied the piano pedals up.”

Toch had ‘Jazz’s Angry Man’ ook andere kanten en ook die krijgen de nodige aandacht, zoals wanneer Mingus trompettist Dizzy Gillespie ziet spelen op een festival in Nice. Mingus zegt:

“I was some distance away, and his back was turned. I was looking at him, thinking how important he was and how I hoped he’d live forever. Suddenly Dizzy turned around and said, ‘Where’s all this love coming from?’ He looked at me. ‘You really do love me, don’t you?’ I felt like I was in heaven.”

Mingus zelf zou niet oud worden, hij stierf op de leeftijd van 57 jaar aan ALS en dat proces wordt mooi beschreven, maar het moet moeilijk geweest zijn voor iemand die altijd zelf de lijnen uitzette. Het is een prima geschreven boek met uiteraard een utgebreide discografie achterin die ik er nog wel eens bij zal pakken.

Eerder verschenen op Quis leget haec