Onderuit

Vrijdag, 29 december, 2017

Geschreven door: Freek van Apeldoorn
Artikel door: Onbekend

De crematie

[Voorpublicatie] Van de achterflap: “Ik luister met toenemende ergernis, ze moesten ’s weten hoe hij mij heeft behandeld. Bij de woorden ‘noodlottig ongeval’ veer ik op. Ze denken dus dat hij is gestruikeld of uitgegleden. Ik zou, na alles wat hij mij heeft geflikt, liever spreken van zijn laatste misstap, met dodelijke afloop. Het beeld van de loodrechte rotswand…

In Onderuit verplaatst Freek van Apeldoorn zich in de getroebleerde denk- en gevoelswereld van Jessie, een bijna veertigjarige kunstschilder die na het ‘noodlottig ongeval’ geen penseel meer aanraakt. Haar poging in een andere stad een nieuw leven op te bouwen lijkt tot mislukken gedoemd. Tijdens een verre reis bekruipt haar de angst de controle te verliezen. Gaandeweg vervaagt de grens tussen realiteit en spinsels. Of toch niet?

Onderuit is een psychologische roman over de botsing tussen achterdocht en de neiging mensen op afstand te houden, en de hunkering naar contact en erkenning.”

Over de auteur:
Freek van Apeldoorn debuteerde in 2016 met De verdwijning van Maria. Van Apeldoorn (1946) was na zijn studie psychologie, lange tijd werkzaam als psycholoog-psychotherapeut in de geestelijke gezondheidszorg.

Boekenkrant

De Leesclub van Alles publiceert het eerste hoofdstuk van Onderuit

 —

Hoofdstuk I

Hooguit nog een uur en het is voorbij. Straks zal ik met eigen ogen zien hoe de kist langzaam wegglijdt door de poort naar de hel. Later zal hij in de oven worden geschoven en in vlammen opgaan, slechts enkele kilo’s aan restafval zullen overblijven. Ik hoef niet te weten wat de familie met de as wil gaan doen; uitstrooien op zee vanaf een schip, laten verwaaien in de duinen of bewaren in een urn op de schoorsteenmantel van zijn ouders? Ik heb er niets mee te maken en er niets over te zeggen. Voor de familie ben ik slechts de vrouw van boven. Ik heb nooit een familielid ontmoet of gesproken, met één uitzondering.
Op een avond zaten we in de woonkamer op de eerste etage naar een film te kijken, naar Cliffhanger. Een slap verhaal vond ik, en veel doden, en veel geweld, en ongeloofwaardig klimwerk in de bergen. Hij vond het prachtig en genoot ervan en leek zich volledig te identificeren met Sylvester Stallone, de klimmende spierbundel en superheld. Precies op het moment dat een helikopter tegen een rotswand te pletter sloeg, hoorde ik de bel. Hij niet, hij was te opgewonden door de mogelijke dood van de slechteriken.
Ik stootte hem aan, drukte op de pauzeknop van de afstandsbediening en zei dat er bezoek was. Zuchtend kwam hij overeind en liep de trap af naar de hal. Ik sloop op mijn tenen erachteraan en bleef in de deuropening staan.
‘Wat leuk, wat gezellig, kom snel binnen,’ hoorde ik hem overdreven opgewekt zeggen. ‘Ze is toevallig bij mij op bezoek … de vrouw van boven,’ zei hij daarna iets zachter.
Snel liep ik terug naar mijn vaste plek op de bank.
‘Kijk, dit zijn …’ zei hij eenmaal terug in de kamer. ‘Wacht, ik doe … de televisie uit, het is een dvd, we kunnen … later verder kijken,’ hakkelde hij terwijl hij de afstandsbediening, die naast mij op de leuning lag, pakte. ‘Mijn zus Francine en Johan, haar wettige echtgenoot,’ vervolgde hij met een brede armzwaai en met een grijns op zijn gezicht alsof hij iets grappigs had gezegd. Ik zag er de grap niet van in.

De aula is vol, slechts een enkele lege stoel. Ik ben zo laat mogelijk naar binnen gegaan om mij achterin te kunnen verschuilen in de restgroep van vage kennissen, oude buren, vertrokken secretaresses en alle anderen die zich verplicht voelden afscheid te nemen; een groep vermengd met mensen die (om wat voor reden dan ook) wilden deelnemen aan het ritueel van samen snotteren met de familie om daarna gezuiverd en opgelucht huiswaarts te kunnen keren.
Wat vreselijk, echt afschuwelijk, zullen ze denken. En wat erg voor zijn ouders, we mogen blij zijn dat het ons niet is overkomen. Een mooie bijeenkomst, dat wel, en prima verzorgd, de broodjes waren lekker.

Ik heb als kleding gekozen voor een azuurblauwe legging, een zwartblauwe driekwart rok en een witzijden blouse met parelmoeren knoopjes. Even overwoog ik om het  bijbehorende, strak getailleerde jasje erbij aan te trekken. Het zou een capitulatie zijn voor wat hoort en dus werd het mijn oud en versleten spijkerjasje, nog uit mijn academietijd, inclusief rode verfspetters op de mouwen. Wat mankeert mij, waarom kies ik voortdurend voor de rol van onaangepaste kunstschilder? Ben ik echt zo gestoord? Ik heb mezelf geen oor afgesneden, mezelf verwonden of snijden zou ik nooit doen. En dat litteken dan op je linkerpols? vraagt de stem van mijn geheugen. Dat is niet meer dan een verkeerd streepje overdwars, werp ik tegen. Des te erger, zegt een andere stem, je durfde niet verder te gaan, het was een doorzichtige poging om aandacht te vragen. Heb je, nu je hier zit, medelijden met jezelf? Je moet je schamen. Je moet meeleven met de familie. Ik ga verzitten en leg mijn handen in mijn nek, mijn hoofd een beetje achterover, de ogen halfdicht, ik haal diep adem en blaas langzaam uit en probeer een dam op te werpen tegen mijn innerlijke stemmen. Tevergeefs, het water in de wilde rivier stroomt onverbiddelijk door, op naar de volgende waterval.
Waarom zit ik hier? Ik had kunnen volstaan met een kaartje of briefje naar de familie, naar het correspondentieadres op de rouwkaart. Het moet het adres van zijn ouders in Bloemendaal zijn. Twee of drie afgekloven nietszeggende zinnetjes waren als blijk van medeleven (alleen al die uitdrukking doet mij gruwen) meer dan voldoende geweest. Waarom zou ik te doen hebben met zijn ouders, met zijn zus en zwager? Wie leeft met mij mee? Wie heeft zich om mij bekommerd toen ik een kind was? Als ik hier niet ben voor zijn ouders, voor wie dan wel, voor mezelf? Is er een vleug blijven hangen van de eerste tijd of is het uit schuldgevoel en wroeging? Nee, als ik eerlijk ben dan moet ik toegeven dat angst mijn grote drijfveer is. Ik wilde absoluut zeker weten dat hij in de kist lag en verbrand zou worden. Ik ben doodsbenauwd dat hij gaat spoken, ik ben bij voorbaat bang voor nachtmerries waarin hij als een te pletter geslagen levende dode zal opstaan uit het graf en mij zal achtervolgen.

Vaag dringt het geluid van een cello tot me door. Ik herken de muziek, een suite van Bach gespeeld door Pablo Cassals, een van zijn favorieten. Ik open mijn ogen, ga rechtop zitten, sla mijn armen over elkaar en speur de zaal af. Waar zitten zijn collega’s en waar zit zij, de naaktzwemster? Op de vijfde of zesde rij zie ik mannen in donkerblauwe pakken, en vrouwen even formeel gekleed in een zwarte jurk of in een rok of broek met een jasje; het moet de kliek van zijn kantoor zijn. Niemand heb ik ontmoet, niet één keer heeft hij mij gevraagd mee te gaan naar een receptie of een borrel van zijn werk; niemand ken ik van naam, behalve zijn collega met het nepzwembad.
Ik volg van links naar rechts de achterhoofden met lang haar onder breedgerande hoeden. Waarom is zij er niet? Ze moet zeker een telefoontje of een sms’je hebben gekregen van het kantoor. Had ze geen zin halsoverkop haar zonnig verblijf af te breken voor een crematie van een van haar collega’s, zelfs niet voor hem? Meer dan duizend kilometer alleen in de auto en dan misschien weer dezelfde afstand terug omdat ze nog twee weken vakantie had en zo weinig mogelijk wilde missen van haar jaarlijkse verblijf in haar zonovergoten Frans Paradijsje? Waarom zou ze dat doen, wat heeft zij aan een dode man? Ze is alleen uit op levende mannen, haar jachttrofeeën. Stel dat ze er wel was, zou ze dan naar mij toe komen en zouden we elkaar een hand geven? Mijn maag krimpt ineen, ik zou haar voor geen goud onder ogen willen komen. Stel dat ze zich wel de moeite had getroost, had ze dan namens alle collega’s een praatje gehouden? Als advocaat zou het haar geen moeite kosten een mooi doorwrocht vals verhaal op papier te zetten. Ze zou hem met gemak de hemel in prijzen.
Op de eerste rij zit de familie, Francine tussen haar ouders, Johan naast zijn schoonvader. De celloklanken sterven uit. Bij de deur links van het podium staat een vrouw, gekleed in een lange zwarte rok met een grijs jasje. Ze geeft een minzaam knikje naar de voorste rij. Johan staat op, draait zich om, kijkt even naar zijn vrouw en loopt dan langzaam naar de katheder. Hij slikt een paar keer, neemt een slok water en haalt dan een papier uit de binnenzak van zijn colbert. Zo te zien lijkt hij een maatpak aan te hebben, het zit hem als gegoten. Met een expressie waarvoor een acteur zich niet hoeft te schamen, laat hij de woorden en volzinnen, gedragen door emotie, zacht de zaal in zweven. Naarmate het verhaal vordert, wordt zijn stem luider en vol, bijna geëxalteerd. Ik raak onder de indruk van zijn gevoel voor drama. Heeft hij op een toneelschool gezeten? Ik weet bijna niets van hem. De keer dat hij onverwacht op bezoek kwam, was ik na een minuut of vijf naar boven gegaan. Hij en zijn vrouw kwamen voor hem, niet voor mij. Zijn verhaal is een lange aaneenschakeling van loftuitingen en gemeenplaatsen: een briljant jurist, een harde werker en toch een levensgenieter pur sang, een man die geen moeite te veel was en altijd klaarstond voor een ander, een natuurmens en wandelaar, ooit een alpinist en dan toch, zo jong nog, in de bloei van zijn leven. Ik luister met toenemende ergernis, ze moesten ’s weten hoe hij mij heeft behandeld.

Bij de woorden ‘noodlottig ongeval’ veer ik op. Ze denken dus dat hij is gestruikeld of uitgegleden. Ik zou, na alles wat hij mij heeft geflikt, liever spreken van zijn laatste misstap, met dodelijke afloop. Het beeld van de loodrechte rotswand prikt in mijn netvlies, het geluid van zijn laatste schreeuw doorboort mijn trommelvliezen. Ik wil vluchten, weg uit deze zaal, oplossen in het niets, verdwijnen van de aardbodem. Ik kan nu niet opstaan en de lange rij naast mij vragen of ik mag passeren.

Ik had een stoel aan het gangpad moeten kiezen, niet aan de muurkant, nu zit ik gevangen. Mijn tong plakt tegen mijn gehemelte, ik voel steken in mijn hoofd. Straks, als ik het kan opbrengen, nog een kopje thee en dan zo snel als mogelijk het verplichte samenzijn ontvluchten. Samenzijn, wie heeft dat kutwoord op de rouwkaart gezet, evenals dat gelegenheid tot condoleren, ook zo ergerlijk. Ik wil in ieder geval niet achter in de rij te gaan staan van mensen die zo nodig moeten laten blijken dat ze naar het afscheid zijn gekomen en dan allerlei woorden van sentimenteel medeleven gaan prevelen.

Ik hoef zijn ouders geen hand te geven. Wat zou ik tegen hen moeten zeggen? ‘Ja, inderdaad, ik ben die vrouw die uw zoon voor het laatst in levenden lijve heeft gezien.’ Dat hebben ze al gehoord en toch hebben ze, net als hun dochter en haar man, niet de moeite genomen mij op te zoeken. Of zal ik de schuldvariant gebruiken: ‘Ja, had ik maar op hem gewacht, de schat, dan had hij niet zo hard hoeven lopen om mij in te halen.’ Of de weldaadvariant: ‘Ik heb de mensheid en mezelf een grote dienst bewezen door hem een zetje te geven.’ Ik draaf door en heb de cynische gedachte dat er zoveel mensen zijn die af en toe een duwtje in de rug nodig hebben, waarom hij dan niet?

Eindelijk is de dienst afgelopen. Naar de andere verhalen en een gedicht heb ik met een half oor geluisterd, voor mij was het allang genoeg. Er komt beweging in de zaal, nog even wachten tot de stoelen naast mij leeg zijn en dan kan ik eindelijk weg. In de hal aarzel ik: direct naar buiten of nog even de zaal in voor een kop thee om mijn dorst te lessen. Ik kies voor de laatste optie en zoek een strategische plek zodat ik onopgemerkt kan verdwijnen.

Tien minuten later pak ik mijn tasje, schuif mijn stoel naar achteren en sta wankelend op, ik voel me draaierig. Juist op dat moment klopt iemand op mijn schouders.
‘Je gaat er toch niet stiekem vandoor?’ hoor ik vragen.
Ik draai me om en kijk in het gezicht van Johan.
‘Schrik maar niet hoor, ik ben het, de zwager van Bernard.’
‘Eh, sorry, eh, echt sorry,’ stamel ik, ‘het heeft me nogal aangegrepen, ik moet frisse lucht hebben.’
‘Voel je je wel goed, je beeft over je hele lichaam.’
‘Ik voel me inderdaad niet lekker. Ik kan niet zo goed tegen dit soort bijeenkomsten, iets van vroeger, denk ik.’
‘O, dat snap ik, ik hou er ook niet van, maar tja, hij is, ik bedoel … hij was wel mijn zwager. Francine heeft het er erg moeilijk mee. Bernard was haar grote broer. Ik had niet … Wacht, misschien kunnen we even aan dat tafeltje gaan zitten, daar in de hoek, daar is het rustig. De familie kan mij wel even missen.’
Mijn vluchtpoging is in de eerste minuut al gestrand. Ik voel hoe hij mij, met zijn vlakke hand op mijn rug, zachtjes de goede kant op duwt. Ontsnappen lijkt onmogelijk; misschien is het niet nodig, ik hoef nergens bang voor te zijn, alleen op mijn hoede blijven en goed nadenken wat wel of niet te zeggen. Met elke stap beef ik minder, mijn geest blijft onveranderd alert. Ik versnel mijn pas om op de goede stoel te kunnen gaan zitten, met mijn rug naar de glaswand, in het tegenlicht. Hij gaat tegenover mij zitten. De eerste keer, tijdens dat onverwachte bezoek, was het mij niet opgevallen: boven zijn rechterwenkbrauw zit een klein litteken. Hij heeft opvallend donkere ogen en zwart, golvend, achterovergekamd haar.
‘Je wou net wat zeggen,’ begin ik als eerste. Ik wil hem niet de kans geven met lastige vragen te komen.
‘Wat had ik net gezegd? O ja, dat Bernard haar grote broer was.’
‘Dat hoef je niet weer te zeggen,’ zeg ik aanvallend.
‘Mag ik even?’ zegt hij verongelijkt. ‘Ik heb net tientallen mensen de hand geschud en daarvoor mijn verhaal waarop ik uren heb zitten zwoegen, dus gun me alsjeblieft de tijd om even na te denken.’
Hij strijkt met zijn vingers door zijn haar en laat zijn hand in zijn nek rusten terwijl hij zijn hoofd heen en weer draait, zijn lippen stijf opeengeklemd, een verkrampte vermoeide grimas rond zijn mond. Staat hij op afknappen, ben ik te ongeduldig geweest, kan ik niet wat vriendelijker zijn en meer begrip tonen, hij heeft mij immers niets misdaan? Met de beste bedoelingen is hij op mij afgestapt, gewoon om even een praatje te maken, om even bij de familie weg te zijn en nu deel ik een klap uit. Zal ik ooit nog ’s leren niet direct met mijn oordeel klaar te staan en geduld te hebben? Mijn zelfkritiek geeft me een benauwd gevoel op de borst, ik schraap mijn keel en zucht.
‘Sorry, ik wil je niet opjagen, neem de tijd, ik kan me voorstellen dat je moe bent en dat je blij zal zijn dat het straks achter de rug is.’
Ik hoor het mezelf zeggen, alsof ik niet de kunstacademie heb gedaan maar psychologie heb gestudeerd en nu de rol van een begripvolle luisteraar speel. Zolang hij aan het woord is, zal hij geen vragen stellen en hoef ik niets te zeggen. Dus blijf vriendelijk en begripvol en hou je gedeisd, spreek ik mezelf vermanend toe.
‘Je zei dat Bernard haar grote broer was maar dat je zelf niet …’
‘Ja, nu weet ik het weer. Ik had …’
Hij stokt en draait zich om; wil hij zeker weten dat zijn vrouw en schoonouders nog steeds aan de andere kant van de zaal staan? Stond hij op het punt iets te gaan zeggen dat niet voor hun oren bestemd is? Mijn hersens draaien op volle toeren. Waarom zou hij mij in vertrouwen nemen, is dat zijn truc, zijn strategie? Eerst met een ontboezeming komen als een schaker die een pion offert en daarna genadeloos toeslaan.
‘Misschien niet zo gepast,’ zegt hij zachtjes terwijl hij licht naar voren buigt. ‘Over de doden niets dan goeds, en misschien is het ook raar dat ik het jou vertel maar ik moet gewoon even stoom afblazen. Het zit me dwars dat ik net dat verhaal heb gehouden. Het was tegen mijn gevoel in, maar het moest wel, zijn ouders konden het niet opbrengen. Ik weet niet hoe goed je hem kende, hij komt, ik bedoel hij kwam, uit een welgestelde familie. Zijn ouders zijn echt rijk maar praten kunnen ze niet, vooral niet over gevoelens. Het is eigenlijk een wonder hoe Francine zich aan dat benauwen de milieu heeft ontworsteld. Ik zou anders nooit met haar … Sorry, het gaat niet om mijn vrouw, mijn vraag is: hoe goed kende jij …’
‘Waar blijf je nou? Je moest nodig plassen en nu zit je hier, verdomme!’
Hij draait zijn hoofd met een ruk naar rechts als door een wesp gestoken en schuift tegelijkertijd zijn stoel naar achteren. Ik had haar met grote stappen zien aankomen, de ergernis op haar gezicht liep meters vooruit en was als eerste bij de tafel. Even had ik overwogen hem een seintje te geven,
hem te waarschuwen voor de preek die zou kunnen volgen, ik wilde hem niet onderbreken, niet zolang hij vertelde over zijn schoonfamilie. En op het juiste moment ben ik gered, nu hoef ik geen antwoord meer te verzinnen op zijn vraag.
‘Je zit te praten alsof je in een café zit.’
De voorstelling is nog niet afgelopen, ik ben nieuwsgierig naar het vervolg. Als ik blijf zitten dan kan ik getuige zijn van een botsing tussen twee echtgenoten, op een crematie nota bene. Ik hoef daarover trouwens niet verbaasd te zijn. Hoe groter de ellende en de druk, hoe groter de kans dat mensen hun emoties niet onder controle houden. Graag neem ik de veilige rol van toeschouwer van andermans ellende; mijn verwarde gevoelens en gedachten kunnen even pauzeren.
‘Kom direct mee, je moet bij ons staan,’ commandeert ze, ‘daar is jouw plek. De mensen willen ook jou een hand geven, wat zullen ze wel niet denken?’
‘Ik kom eraan,’ zegt hij terwijl hij opstaat. ‘Ik was op weg naar het toilet toen ik toevallig haar tegen het lijf liep. Ga maar vast, ik kom eraan.’
Is het al afgelopen, zal hij nu opstappen of zal hij nog even blijven en de draad weer oppakken? Voor mij is dit het moment om zelf weg te gaan, zoveel minuten geleden was ik al op weg naar de nooduitgang. Nu nog iets zeggen, zoiets als ‘de komende tijd veel sterkte’ en dan hun beiden een hand geven, iets wat ik niet van plan was geweest?
‘Oké, je krijgt nog twee minuten en waag het niet later te komen,’ hoor ik haar zeggen met een stem die dezelfde klank heeft als die van haar dode broer. Ze heeft ook dezelfde trekken in haar gezicht, dat ik nu duidelijk kan zien, ik zie haar lippen bewegen. Er wordt iets tegen mij gezegd.
‘Sorry hoor, ik neem jou niets kwalijk, ik moet hem altijd in de gaten houden, ik ken hem.’
Met een ruk draait ze zich om en beent weg. Ik kijk naar de man die daar bedremmeld staat, als een schooljongen die op de kop heeft gekregen van zijn moeder; of is het gespeeld, was het theater? Het is niet meer belangrijk. Alles is voorbij, hij ligt in de kist te wachten op het vuur en met zijn familie wil ik niets te maken hebben, in ieder geval niet meer dan strikt noodzakelijk.
‘Je hebt het gehoord,’ zegt hij haastig, ‘ik moet weer handjes geven. Nog één puntje: we moeten nog praten over de bovenetage. Ik bel je zo snel mogelijk.’


Laat hier je reactie achter:

0 0 stemmen
Article Rating
Abonneer
Laat het weten als er
0 Commentaren
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties