Oorlog en oorlog

Vrijdag, 20 mei, 2022

Geschreven door: László Krasznahorkai
Artikel door: Nico van der Sijde

Chaotische wereld, vol duisternis maar ook vol sublieme pracht

[Essay] De onnavolgbare, unieke en ongelofelijk eigenzinnige Hongaarse schrijver Laszlo Krasznahorkai geldt in het Duitse en Angelsaksische taalgebied al tijden als een fenomeen. Zeker sinds hij de Man Booker International 2015 heeft gewonnen. Zelf ben ik helemaal idolaat van hem, vooral dankzij Oorlog en oorlog niet laten liggen, ook al had ik in 2016 al de Engelse vertaling War and war gelezen (en bejubeld). Welnu, bij herlezing vond ik dit boek zelfs nog formidabeler dan de eerste keer. Misschien omdat je bij herlezing altijd meer ziet dan de eerste keer. Misschien omdat de Nederlandse vertaling – van Mari Alföldi- zo swingend en meeslepend is. Hoe dan ook: ik genoot. Enorm.

Hoofdpersoon is György Korin, gepromoveerd historicus en archivaris, wiens leven en wereldbeeld helemaal op zijn kop wordt gezet door de toevallige vondst van een verpletterend maar volkomen duister manuscript. Totaal overweldigd door de hermetische inhoud en de ultieme schoonheid hiervan besluit hij uit zijn Hongaarse provinciestadje naar New York te reizen, het middelpunt van de wereld, en om aldaar het hele manuscript op internet te zetten. Daarna is hij dan vast van plan zelfmoord te plegen, want met name dit manuscript heeft hem geleerd dat het hele bestaan één grote chaos is, die van elke zin en betekenis is verstoken. Maar dan ook totaal. Niet voor niets vertelt hij aan een onbegrijpende toehoorder dat juist de zo dubbelzinnige, duistere en onbevattelijke god Hermes voor hem een groot voorbeeld was:
“Hermes was voor hem de absolute oorsprong, zei hij, de ontmoeting met het hermetische […], zijn raadselachtigheid, zijn onbevattelijkheid, zijn extreme veelzijdigheid, zijn verzwegen trekken, de veelbetekenende stilte over de duistere kant van zijn wezen, dit alles betoverde zijn fantasie, of misschien was het beter om te zeggen dat het die fantasie gijzelde […]”.


Alles in deze wereld is volgens Korin dus gehuld in hermetisch duister, niets wordt door enig verhelderend licht beschenen. God is dood, de hemel is leeg, er is geen hogere waarheid of maatgevende bovenwereld, en dus is het leven door elke zin verlaten. Zodat de aarde een immense duisternis is, en de hemel een andere maar even immense duisternis die niet met de aarde is verbonden. En zodat Korin zich een nietig zinloos wezentje voelt dat verdwaald is tussen die twee oneindige hermetische duisternissen:


“[…] de hemel, die ook zijn eigen onmetelijke donkere massa, trillend van de sterren, in het enorme spoorlandschap onder hen weerspiegeld had kunnen zien, als tussen de trillende sterren en het doffe rood van de talloze semaforenpalen enig contact mogelijk was geweest; maar er was geen contact, want er was geen gezamenlijke orde, en er was ook geen onderlinge samenhang, er bestonden slechts twee afzonderlijke ordes en twee afzonderlijke samenhangen, want sterren en semaforen staarden elkaar blind aan, en alle grote entiteiten van het bestaan waren blind voor elkaar, blind was de aarde en blind de hemel, zodat in de verloren blik van een hoger gezichtspunt een dode symmetrie van wijdte ontstond, en in het midden uiteraard een minuscuul vlekje, en daarin Korin… […].”.

Dat gevoel van duisternis en totale chaos maakt Krasznahorkai indringend voelbaar door zijn ellenlange zinnen, die soms wel vier pagina’s achter elkaar doordenderen. Zinnen die ademloos alle kanten op bewegen, die vol zitten met herhalingen en tegenspraken en zelfs met perspectiefwisselingen, zinnen bovendien die weigeren om zich te laten rangschikken in een ordelijke alineastructuur. Want in de wereld van Krasznahorkai ontbreekt elke structuur, ontbreekt ook elke rustpauze. Ieder hoofdstuk bestaat uit precies één zin die vol zit met chaotische en onbegrijpelijk intense beleving, waarin wordt verteld over ervaringen waarin geen logica of patroon valt te ontdekken. Dat leidt echter wel tot heel meeslepende passages, zoals de citaten hierboven hopelijk een klein beetje illustreren. En tot heel kleurrijke passages bovendien, want Krasznahorkais taferelen zijn ongelofelijk rijk aan details, en ook aan scala’s van uiteenlopende perspectieven en emoties die je in “gewone” zinnen nooit zou zien. In een wat normaler boek zou je bijvoorbeeld citaten lezen uit het door Korin bewonderde manuscript. In Oorlog en oorlog echter zie je hoe Korin ademloos over dit voor hem onbevattelijke manuscript vertelt, hoe hij diverse passages daaruit parafraseert in eigen bewoordingen en welke stijgende verbijstering hij bij die parafrases voelt, welke indruk Korin tijdens het vertellen maakt op zijn toehoorder die hem nauwelijks begrijpt, in wat voor desolate en door verwarring geteisterde omgeving hij zich daarbij bevindt, enzovoort enzoverder. En juist dat totaalbeeld, onbevattelijk vol en bont als een schilderij van Bruegel, vind ik in elk hoofdstuk – in elke zin – verpletterend.

Het is bovendien fascinerend om glimpen op te vangen van het manuscript dat Korin zo overweldigt. We zien hoe vier volmaakt mysterieuze personages, die kennelijk net ontsnapt zijn aan een geheimzinnige oorlog, stranden op Kreta en vol verbijstering staren naar de pracht van de Minoïsche beschaving, zo’n 1600 jaar voor onze jaartelling, en naar de plotse vernietiging daarvan. Die verbijstering krijgt extra lading als we bedenken dat deze vernietigde, maar prachtige beschaving Plato mogelijk inspireerde tot zijn verhaal over het mythische Atlantis. We zien vervolgens hoe dezelfde vier personages vele eeuwen later – dankzij een volkomen onverklaarde en niet te rationaliseren ‘breuk’ in het verhaal – getuige zijn van de bouw van een kathedraal, die een adembenemend beschreven Goddelijk-demonische transcendentie uitstraalt. Maar ook die kathedraal staat op de rand van de ondergang. We zien hoe zij bij de muur van Hadrianus, in een tafereel waarin het oude Rome op bijna surrealistische wijze met het Spanje en Portugal uit de tijden van Columbus versmelt, op bijna hallucinatoire wijze spookbeelden ervaren van het ‘niet zijn’ voorbij de muur en de fragiele fundamenten van het ‘zijn’ aan hun kant van de muur. Wat dan gepaard gaat met de panische angst dat de wereld zal ophouden te bestaan, omdat Columbus naar het einde van de wereld vaart en dus ontdekkingen gaat doen voorbij de grenzen van de wereld. En we zien hoe zij in de bijna virtueel-onwerkelijke wereld van het uit water en spiegelingen opgetrokken van het 15e eeuwse Venetië een cryptische belofte menen te zien van een onvoorstelbare vrede en schoonheid die een einde maakt aan alle oorlogen. Maar de ultiem vredige orde van dit oude Venetië eindigt in oorlog. Er is in dit manuscript dus geen sprake van Oorlog en vrede, zoals bij Tolstoi, maar van “oorlog en oorlog”. Oftewel van een voortdurende chaos, waarin elke belofte van grootsheid of schoonheid of Goddelijke openbaring direct in draaikolken van verwarring verdwijnt. In Krasznahorkais ellenlange zinnen worden precies die draaikolken voelbaar: de draaikolken uit het manuscript zoals Korin dat parafraseert, en tegelijk de steeds toenemende chaos en verwarring van en rondom Korin terwijl hij dit hele manuscript parafraseert. Die beide vormen van chaos worden TEGELIJK voelbaar gemaakt, in chaotische zinnen die alles tegelijk willen vertellen. En daar soms nog in slagen ook. Op voor mij vaak ongelofelijke wijze.

Oorlog en oorlog heeft dus een ijzingwekkend sombere, gitzwarte boodschap: deze wereld is niets dan doelloze chaos, waarin elke God morsdood is en elke hogere waarheid afwezig. Niet voor niets is het curieuze motto van dit boek “De hemel is verdrietig”. Niet voor niets wordt de nietigheid beschreven van Korin in de eindeloze wijdte van twee oneindige duisternissen: die van de hemel en die van de aarde. En in dat opzicht lijkt Oorlog en oorlog sprekend op De melancholie van het verzet, waarin God doder is dan dood. Zeker als je ook het prachtige hoofdstuk ‘Isaiah has come’ leest, dat niet in het boek zelf is opgenomen maar wel op een internetlink waar dit boek naar verwijst. Er zijn dus veel redenen om behoorlijk wanhopig en somber te raken van dit uit wanhoop en gitzwarte desillusie opgetrokken boek.

Maar ik ben vooral opgetogen. Ten eerste omdat ik zulke gitzwartheid op zichzelf al niet puur negatief vind: mogelijk heeft de wereld inderdaad geen zin en is alle schoonheid uit onze wereld verbannen, en dat is tragisch, maar als dat zo is dan moeten we er ons ook toe zien te verhouden. En daar helpt dit proza naar mijn idee bij, door zijn filosofische diepgang, door zijn vlijmscherpe luciditeit, en door de werkelijk adembenemende beelden waarmee het onze chaotische en zinledige wereld bijna lijfelijk voelbaar maakt. Belangrijker dan dat echter vind ik de prominente rol van schoonheid in dit boek. De glimpen van een onmogelijke, bovenaardse en ongrijpbaar-transcendente schoonheid, en Korins even vertwijfelde als wanhopig-verlangende reacties erop, worden naar mijn smaak echt onnavolgbaar prachtig verwoord. Al die ellenlange Krasznahorkai-zinnen beproeven ons tot het uiterste, ontsnappen aan onze ratio en de greep van ons verstand, tasten naar ‘iets’ voorbij ons verstand en ons rationele begrip, naar ‘iets’ wat zich totaal aan onze voorstelling onttrekt en blijft onttrekken, naar ‘iets’ wat wellicht onmogelijk is en niet bestaat. Vaak is dat de voor ons onvoorstelbare zinloosheid in het hart van de chaos. Maar vaak is het ook de eveneens onvoorstelbare, ultieme schoonheid waar Korin en de vier personages uit het hermetische manuscript zo naarstig naar zoeken. De taal verbetert bij Krasznahorkai voortdurend zijn eigen record, tast voortdurend voorbij zijn eigen grenzen. Ook wanneer hij, net als Korin en de vier personages uit het hermetische manuscript, op zoek is naar sublieme schoonheid of onvoorstelbare grootsheid.

Daardoor leef je helemaal mee met een van die personages, als hij spreekt over “[…] de ontdekking van de heiligheid, van de onzichtbare ruimte en tijd, van God en het goddelijke, want niets was grootser […] dan de mens die al ontwakend ontdekte dat hij een God had, de mens die het betoverende feit van de heiligheid had herkend en die dat alles door die ontdekking zelf had geschapen, want er waren grote momenten en enorme prestaties, maar daarboven, op de top van alle momenten en prestaties schitterde de enige God […], en ook weer de mens die hem aanschouwde, die in zichzelf een heel universum had gebouwd als een kathedraal die naar de hemel reikte […]”. En zeker zo imponerend is een eerdere passage, waarin de vier raadselachtige personages helemaal begeesterd raken van een zonsondergang in het Kreta van 1600 jaar voor onze jaartelling. Een begeestering die Korin als volgt tastend parafraseert: “[…] maar toen die stilte dan toch verbroken werd, ging het gesprek al over iets anders, namelijk dat er niets mooiers bestond dan zo’n zonsondergang boven de bergen en de zee, een zonsondergang, zei Kasser, dit buitengewone schouwspel, die schitterende schijn van transitie en continuïteit, het grandioze drama van alle transitie en continuïteit, zei Falke, een weergaloze voorstelling van iets wat niet bestond, maar tegelijk een bijzondere parabel van vervluchtigen, van teloorgaan, van wegsterven en uitdoven en een plechtige voorstelronde van de kleuren, zei Kasser, een adembenemende verheerlijking van rood en paars, van geel en bruin, van blauw en wit, een demonische presentatie van een geschilderde hemel, dit allemaal, zei Kasser, en wat allemaal nog meer, zei ook Falke, want dan hadden ze het nog niet gehad over die duizenden vibraties die een zonsondergang bij de toeschouwer opwekte en de hevige ontroering waardoor die toeschouwer bij het kijken beslist werd bevangen; er was dus niets mooiers dan een zonsondergang, zei Kasser, die schoonheid van een afscheid dat vervuld was van hoop […]”. Prachtig, hoe Kasser en Falke samen proberen de niet in taal te vatten schoonheid toch te vatten in taal, en elkaar daarbij meer en meer opzwepen. En hoe Korin dat dan weer poogt te vatten in zijn eigen woorden, die eveneens onder hoogspanning staan.

Ik bewonder Oorlog en oorlog vanwege de indringende wijze waarop het de chaos en zinloosheid voelbaar maakt, in een werkelijk adembenemende stijl en vorm. Maar de wijze waarop sublieme schoonheid gestalte krijgt, en ook het onmogelijk intense verlangen daarnaar, bewonder ik nog meer. De geschakeerdheid en rijkdom van Krasznahorkais historische taferelen vond ik adembenemend. Korin vond ik bovendien een van de meest aandoenlijke Quichottekse antihelden die ik ooit in een roman heb zien rondlopen. Zelden heb ik kortom met zo veel plezier een boek herlezen. En ik hoop dat er nog veel meer van Krasznahorkai zal worden vertaald, liefst door Mari Alföldi.

TijdvoorTijdschriften

Eerder verschenen op Hebban


Laat hier je reactie achter:

2 reacties op “Oorlog en oorlog

  1. Hoi Nico, een indrukwekkende recensie! Ik las dit boek in het Engels en vond de stijl fascinerend, maar uiteindelijk sprak het boek mij toch niet zo aan. Ik ben ook begonnen in “Satantango”, in 2012 ook door Mari Alföldy vertaald, maar dat boek heb ik na 40 bladzijden weggelegd.

    Krasznahorkai heeft ook filmscripts geschreven voor de Hongaarse regisseur Bela Tarr, die ook een heel eigenzinnige stijl heeft met in zwart-wit gefilmde films met lange shots, weinig of geen dialogen en veel atmosferische muziek. Tarr’s verfilming van “Satantango” met een lengte van ruim 6 uur waarin vrijwel niets gebeurt is mijn favoriete film allertijden. Groetjes, Erik

  2. Sorry dat ik pas op je reactie reageer, Erik Scheffers, maar bedankt voor je compliment! En ja, Bela Tarr….. “The Turin Horse” heb ik ooit gezien, met veel genoegen, maar “Satanstango” nog niet. Een film die ik toch eens moet opsnorren ergens….. Al was het maar omdat hij vast heel anders is dan het boek, want dat boek is niet heel dik terwijl de film ruim zes uur duurt, en in het boek gebeurt van alles maar in de film kennelijk niet!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.