Paradox van de marathon

Zaterdag, 26 februari, 2022

Geschreven door: Aart Stigter
Artikel door: Jef Abbeel

42 marathonlessen en avonturen

[Recensie] Aart Stigter (°1956) liep 34 marathons tussen 1984 en 2003. Zijn beste tijd was 2u15’14”(1989) en als veertiger liep hij nog 2u16’31”.

In zijn inleiding vertelt hij over de evolutie van de marathontijden in 25 jaar, de supersnelle schoenen die drie minuten winst opleveren, maar erg duur zijn en slechts 500 km meegaan. Dan volgt een chronologisch overzicht van zijn 34 marathons. Hij komt aan het symbolische getal van 42 hoofdstukken door er enkele van zijn partner Ellen Abbringh en van zijn zoon Bas bij te voegen.

Bij elke marathon krijgt de lezer ook enkele tips.

Zijn eerste marathon (1984) was een gedeeltelijk succes: hij won hem, maar het was in 2u28’’ in plaats van de gewenste tijd van 2u20’’. De laatste 19 km waren een lijdensweg. Hij trok zijn conclusies: tweemaal een halve is geen hele, dus meer lange trage duurlopen uitvoeren. Zijn tweede was al zes minuten sneller. Hij had in de winter crossen gelopen en in de zomer ook korte wedstrijden over 800 en 1.500 m om meer basissnelheid te krijgen. Zijn derde in 1986 was weer een stuk beter: 2u17’05”. Zijn advies: loop niet op kop bij tegenwind en zelfs bij rugwind loop je best achteraan in je groepje. Twee jaar later zat hij aan 2u16’51” en 2u16’49”. Hierbij (p. 36-37) toont hij ook zijn voorbereiding: weken van resp. 145, 160, 195, 185, 100, 205, 185, 210, 195, 125 en 145 km. Ook de tempo’s zijn pittig: 15 à 18 per uur en bij interval nog veel sneller (b.v. 6 x 1500 in 4’29” of 20 per uur).  Hij geeft ook tips om onvoorziene zaken uit te sluiten.

Schrijven Magazine

De volgende marathons leveren weer enkele seconden winst op: 2u16’39” en 2u15’14”, zijn record. Hij werd in Rotterdam ook nog wereldkampioen van de politie, maar hij betreurt dat hij de titel van Nederlands kampioen daardoor liet liggen omdat er in Helmond niets te verdienen viel. Hij adviseert dan ook: verkies altijd het sportieve (nationaal kampioen) boven het geld (Rotterdam).

Op het Nederlands kampioenschap van 1990 miste hij de titel door een verkeerde sportdrank, die voor darmkrampen zorgde. Zijn les: experimenteer niet met eten en drinken voor en tijdens de marathon, maar doe dat vooraf tijdens de trainingen.

Bij de Wintermarathon van Apeldoorn 1991 lezen we dat arme Oost-Europeanen kwamen meelopen, totdat de Afrikanen opdoken en de geldprijzen meepakten. Bij -3° won hij in 2u20’48”. Tegen de kou goot hij warme drank over zijn hoofd: dat vocht koelde snel af en daardoor kreeg hij het nog kouder, dus niet doen. In Rotterdam ondervond hij dat een te snelle start en eerste helft zich nadien wreken: het duurt langer voordat de spieren zich nadien herstellen. En in Enschede ondervond hij dat je beter geen marathon loopt als je moe en verkouden bent.

Rotterdam 1992 was dan weer zeer goed: 2u15’43”, met dank aan een ‘rustige’ eerste helft. Dat ‘rustig’ was dan nog wel 1u06’20”. Hij concludeerde: een rustige start zorgt voor een efficiënter energieverbruik en een beter einde. En als je bij een drukke start enkele seconden verliest, haal die dan niet in door een spurtje maar doe het geleidelijk. De marathon van Beijing miste hij door een administratieve fout van de KNAU. De volgende uitdaging werd Reykjavik (1993). Het parcoursrecord stond op 2u19’. Hij maakte er 2u17’50” van.

In 1994 werd hij in Rotterdam Nederlands kampioen voor favoriet Marti ten Kate in een zeer goede 2u15’38. Helsinki werd zijn derde marathon in een half jaar: hij moest uitstappen na 29 km en concludeerde: één marathon per jaar is voldoende, iets waar hij zich echter niet altijd aan hield. In dat jaar trouwde hij met Ellen Abbringh, met wie hij vanaf 1995 ook trainingsstages voor lopers organiseerde in Lanzarote.

In 1995 was enkel Frankfurt goed: 2u16’33”. Tot km 32 ging het schitterend, dan werd het een lijdensweg.

Op het NK van 1996 in Rotterdam werd hij eerste Nederlander, na twee asielzoekers. Op het podium moest hij tevreden zijn met brons. Zijn tijd was matig: 2u21’07” en zijn les hieruit was: de hartslag liegt nooit; als die boven het omslagpunt komt, volgt de afstraffing.

Het jaar daarop verbeterde hij het Nederlands record voor 40-plussers met 6 minuten en bracht het op 2u16’31” en dit ondanks blessures en een hartritmestoornis tijdens de voorbereiding. Zijn les: combineer de looptraining met mountainbike en met lichte krachttraining voor rompstabiliteit : dan versterk je het lichaam en belast je het minder.

De marathon in Minneapolis eindigde met een opgave door de warmte en een onaangepast tempo. Zijn les hieruit: doe aan sightseeing na de wedstrijd, niet ervoor.

In 1998 trainde hij minder en rustte hij onvoldoende doordat hij van politieambtenaar overstapte naar ondernemer: hij startte een sport- en gezondheidscentrum. In Rotterdam werd hij nog wel eerste master in 2u18’52”. Zijn les: als je niet voldoende rust neemt, gaat het effect van de training verloren. Nadien won hij nog de zware marathon van Terschelling  door bossen en duinen in 2u31’01”. In 1999 vestigde hij daar een nieuw parcoursrecord met 2u28’50”.

In Rotterdam 1999 moest hij uitstappen na 37 km. Oorzaak: te weinig rust door het succes van zijn bedrijf. En zijn les: als het niet goed gaat, stap dan op tijd uit om de fysieke schade te beperken.

In 2000 liep hij nog 2u20’02” en 2u23’30” en stond hij voor de zevende keer op het podium van het NK. In 2001 haalde hij in Rotterdam 2u25’45”. Zijn les: voor een goede marathon moet je voldoende kilometers getraind hebben en de zwaarste week plan je best drie weken ervoor.

De Jungfrau Marathon van 2002 liep hij in 3u36’04”. Hij was pas 51ste terwijl hij lang bij de top vijf had gelopen. Zijn energievoorraad was op. En voor deze bergmarathon moet je vooral oefenen op snelwandelen.

In 2003 liep hij zijn laatste in Amsterdam: 2u26’58”. Zijn lichaam en geest zeiden dat zijn beste jaren voorbij waren.

Hij volgde dan nog wel zijn zoon Bas, die in 2014 zijn eerste marathon liep in 2u51’31”, de volgende in 2u34’ en 2u32’ en in 2019 in 2u24’59” of 25 minuten sneller dan zijn eerste. Verklaring: erfelijk talent en de juiste indeling van de race.

In het laatste en kortste hoofdstukje vat Stigter zijn tips nog eens samen in 195 symbolische woorden. Sinds 2003 droomt hij nog vaak van een marathon, maar zijn verstand zegt hem het niet te doen. Verstand en gevoel blijven voor hem de paradox van de marathon.

Aart Stigter heeft op basis van zijn uitgebreide logboeken een autobiografie geschreven van zijn levenslang lopen. Zijn motto zou kunnen zijn: ‘Curro, ergo sum’ of ‘Ik ren, dus ik ben’.

Elk van de 42 hoofdstukken heeft een duidelijke structuur: de voorbereiding, het verloop, zijn bedenkingen nadien. De lezer beleeft dus niet enkel de wedstrijd, maar ook het mentale aspect daarvan: de pijn, het succes, de voldoening bij het bereiken van de eindmeet en van het podium, de vreugde om een nieuw record. Als loper herken je veel van deze gevoelens en apprecieer je de nuttige tips die hij na elke race geeft. Tussendoor vertelt hij ook over zijn mooie crossuitslagen en zijn even mooie tijden op de piste. Het boek blijft boeien tot op het einde. Soms staat er een druk- of spelfoutje in.

Eén detail: het was mij niet duidelijk welke paradox hij in de marathon ziet: in het begin is de paradox dat records verbroken worden dankzij de technische vooruitgang en de geavanceerde sporthorloges. Dat geldt toch ook voor de baanatletiek, het wielrennen en vele andere sporten? En op het einde zegt hij dat verstand en gevoel de paradox zijn.

De meeste atleten die genoemd worden, hebben een kortere carrière gehad dan de auteur, die zijn krachten goed gespaard heeft. Actieve marathonlopers kunnen er heel wat wijsheden uithalen.

Eerder verschenen op Jef Abbeel

Te bestellen bij: aart@hardloopcentrumstigter.nl, voor € 19,90 + verzendkosten

Paradox van de marathon