Pity the Nation

Vrijdag, 4 januari, 2013

Geschreven door: Robert Fisk
Artikel door: Jona Lendering

De laatste weken heb ik gelezen in Pity the Nation. Lebanon at War, het persoonlijke verslag van de Libanese burgeroorlogen van de Britse journalist Robert Fisk. Zoals te verwachten viel, is Pity the Nation een nogal schokkend boek. Fisk heeft niet de ambitie een geschiedenis te schrijven van de diverse burgeroorlogen die Libanon tussen 1975 en 1990 verscheurden. Het meervoud “burgeroorlogen” is belangrijk, want er zijn in feite verschillende conflicten geweest:

1.De burgeroorlog van de maronitische christenen tegen de soennieten, die, toen de laatsten de steun kregen van de PLO, in 1976 leidde tot de Syrische bezetting;

2.De korte Israëlische invasie van 1978;

3.De grootschalige Israëlische invasie in 1982;

Kookboeken Nieuws

4.De burgeroorlog tussen de maronitische christenen en de druzen (1983-1990);

5.De oorlog van de sji’ieten tegen Israël (vanaf 1983);

6.De burgeroorlog om de vluchtelingenkampen (1984-1988);

7.De burgeroorlog tussen de twee regeringen, die uiteindelijk leidde tot de Taif-akkoorden (1988-1990).

In een tweetal hoofdstukken dat later aan het boek is toegevoegd, gaat Fisk nog in op de periode na de Taif-akkoorden, waarin de wederopbouw begon en die een Israëlische actie zag tegen de Hezbollah, eindigend met het drama in Qana.

In feite heeft deze operatie niet zoveel te maken met de burgeroorlogen, en het zegt iets over Fisks visie op de gebeurtenissen dat hij er aandacht aan besteedt: hij ziet de burgeroorlogen als gevolg van de interventies door buitenlandse mogendheden (de PLO, Syrië, Israël en de internationale vredesmacht die in 1983 actief was in Beiroet), en dus hoort ook de volgende buitenlandse interventie bij zijn stof. Daar wringt volgens mij iets, want waar het bovenstaande lijstje een periode van aanhoudend geweld was, is de Israëlische aanval op de Hezbollah beter te beschouwen als een gewelddadig intermezzo in een tijd van aanhoudende rust. De Taif-akkoorden maakten echt een einde aan een reeks conflicten en het is niet helemaal eerlijk een nieuw incident, hoe afschuwelijk ook, tot die reeks te rekenen.

Pity the Nation is dus eerder een relaas van Fisks persoonlijke wederwaardigheden en opvattingen dan een echt verslag van de burgeroorlogen. Dat betekent dat sommige belangrijke kwesties onderbelicht blijven. De moord op president Bashir Gemayel is een voorbeeld: Fisk vertelt hoe hij alles in het werk stelde om van zijn vakantie in Ierland terug te keren naar Libanon, maar legt niet uit wie achter de aanslag zat. Een ander voorbeeld is de vendetta tussen de families Gemayel en Franjieh: Fisk noemt haar één keer, maar beschrijft de beruchtste gevechten niet – hij was in Beiroet en niet in de Kadisha-vallei, waar de families hun oorlog uitvochten. Of nog een voorbeeld: de zesde fase, die ruim vier jaar duurde, wordt in één hoofdstuk samengevat, waarbij de aandacht geheel ligt bij het lot van de gegijzelde westerlingen. Laatste voorbeeld: Fisk geeft voortdurend aan hoe zijn verslaggeving tekortschoot. Eén hoofdstuk is zelfs speciaal gewijd aan de problemen van de oorlogsverslaggeving. Het is alsof Fisk verantwoording wil afleggen voor wat hij als ooggetuige heeft geschreven in 1975-1990.

Fisk bedoelt het eerder als ego-document dan als geschiedwerk. Daar is niks mis mee. Wat wél jammer is, is dat hij soms nogal ver gaat in het tonen van zijn persoonlijke betrokkenheid. Zo gaat hij meer dan eens in op de kritiek die hij kreeg over zijn verslaggeving en citeert hij, bij wijze van antwoord, de complimenten die hij kreeg voor zijn stukken in The Times en The Independent. Mij stoorde het een beetje: dat hij gekrenkt was door onterechte kritiek is één ding, maar onterechte kritiek hoort bij het journalistieke vak en daar moet je, althans in je publicaties, niet moeilijk over doen. Een journalist, om Nijhoff te parafraseren, schreit niet.

Dit alles laat onverlet dat Pity the Nation een heel, heel erg boeiend boek is. Fisk heeft veel strijdtonelen persoonlijk bezocht, raakte bij één gelegenheid gewond en riskeerde te worden gegijzeld, zoals zijn vriend Terry Anderson overkwam. Fisk heeft werkelijk iets te vertellen, en het siert hem dat hij niet méér pretendeert te weten dan hij heeft meegemaakt. Ik heb geen ervaring met oorlog, maar weet dat het een chaotische bedoening is. Voor echte geschiedschrijving is het nog te vroeg. Fisk concentreert zich op het weinige waarover hij zeker is: datgene wat hij persoonlijk heeft ervaren. Niet meer, niet minder.

Het resultaat is een van de schokkendste boeken die ik ooit las – minder door wát Fisk schrijft over bijvoorbeeld het bloedbad in Sabra en Shatila, dan doordat je even veel of weinig weet als iemand aan het front. Het is geen boek over de oorlog, het voert je binnen in de oorlog


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.