Reistijd, bedtijd, ijstijd

Dinsdag, 31 augustus, 2021

Geschreven door: Marjolijn van Heemstra
Artikel door: Vicky Francken

Hoop, ergens, waar dan ook 


[Recensie] Al in haar eerste bundel,

Van Heemstra thematiseert afstand en tijd in hun verschillende vormen: zoals ‘reistijd’ een tijdsduur aangeeft, ‘bedtijd’ een tijdstip en ‘ijstijd’ een era. Ze toont eveneens hoe de tijd onze kijk op de wereld, de maatschappij en onszelf kan veranderen; waar er in het gelijknamige gedicht eerst wordt gesproken over ‘universele weet-ik-veel’, kijkt het lyrisch ik nu terug in het volle besef dat het destijds niet zien van de verschillen juist het probleem vormde. Die blindheid was een privilege. Zo krijgen ook kwesties als racisme en (koloniale) geschiedenis binnen deze bundel een plaats. 

Van Heemstra schuwt de grote onderwerpen niet, noch de grote vragen. Al met al gebeurt er veel en wordt er ook veel gedácht, maar als lichtvoetig tegenwicht zijn daar het geschreeuwde wiegelied of Monoloog van de kwade alg en Suggestie van een oud matras, waarin we steeds van perspectief wisselen en het leven weer met frisse verwondering tegemoet zien. Zo lijkt ze met deze bundel zelf het antwoord te geven op de vraag die het motto, afkomstig uit de Mahabharata, het omvangrijke religieuze en filosofische epos uit India, ons indirect stelde: het grootste mysterie bestaat eruit “dat elke dag de dood toeslaat en wij leven alsof we onsterfelijk zijn,” hoe houden we dat vol? Zolang er tweeduizend jaar oude zaadjes zijn die plotseling ontkiemen – zoals in het gedicht Dadelpsalm: “dagverse dadels, tweeduizend jaar over datum” – moet er wel hoop zijn, ergens, waar dan ook.

Eerder verschenen op Poëzieclub

Geschiedenis Magazine