Roelant meets... Ellen Lina - Boek van de Maand

Donderdag, 24 februari, 2022

Geschreven door: Ellen Lina
Artikel door: Roelant De By

 

Onlangs is Ellen Lina’s derde thriller verschenen, De Burgerwacht. Op de sociale pagina’s plaatst ze niet alleen boek gerelateerde onderwerpen, maar ook haar liefde voor voetbal, en dan met name Vitesse, komt uitgebreid aan de orde. Een mooi beginpunt voor een gesprek met haar. We hebben afgesproken in een uitspanning ergens in de bossen bij Arnhem. Ze is ontspannen en praat gemakkelijk.

 width=

Roelant: ‘Allereerst wil ik je vragen hoe jouw voorliefde voor voetbal gekomen is?’

Ellen: ‘Ik denk door mijn vader. Het is een familiedingetje. Ik heb twee zussen en we gingen een tijdje allemaal mee met onze vader naar het stadion en dronken daar een biertje met hem. Als hij zonen had gehad, zou dat niet veel anders zijn geweest. [lachend] Ook niet qua scheldpartijen. We zijn wel meisjes, maar daar werd nooit over geklaagd. Mijn opa was trouwens fan van Feyenoord.’

Roelant: ‘En jij van Vitesse.’

Ellen: ‘Ja, als je fan kunt zijn van een club uit je eigen woonplaats en je kunt er naar toe… Dat is natuurlijk het mooist en het leukst. Dat probeer ik ook aan mijn kinderen mee te geven. Je bent een geboren en getogen Arnhemmer, je kunt er naar toe, het is vlakbij, waarom zou je dan voor een andere club zijn? Omdat ze toevallig beter voetballen? Nou dan kun je in Nederland wel bijna ieder jaar van club veranderen. Ik vind het heel erg leuk om naar wedstrijden te gaan. Het is echt een uitje. Heel gezellig, ondanks dat het voetbal niet altijd even best is. Maar is het dan een keer wél goed, dan is het meteen feest. En bij jullie [ze bedoelt hiermee Ajax] is het redelijk standaard dat het goed gaat. En we werken nu met Vitesse samen, met school. Het is gewoon een groot deel van mijn leven, eigenlijk.’

Roelant: ‘Heb je zelf gevoetbald?’

Ellen: ‘Ja, maar niet op enig niveau. Ik zat in een samengeraapt zootje dat een team vormde. Aan het eind van het seizoen hadden we twee goals voor en meer dan honderd tegen. Toen ben ik er maar mee opgehouden. Dat was niet mijn ding. Maar om te kijken, vind ik heel leuk. Ik heb het voetballen alleen nog nooit in mijn boeken verwerkt, besef ik nu. Op zich zou het een mooie setting kunnen zijn. Ik denk dat daar genoeg thrillerachtig te schrijven valt.’

Roelant: ‘Welke opleiding heb je gedaan?’

Ellen: ‘Na mijn HAVO diploma in Arnhem heb ik de PABO gedaan. Maar ik weet niet of ik dat nog een keer zou doen. In mijn studentenjaren was er een campuscafé. Dat is eigenlijk het enige wat ik me nog goed kan herinneren uit die tijd. Daar was ik voorzitter, een heel belangrijke functie. [we lachen beide hartelijk] Maar van de PABO zelf kan ik me niet herinneren dat dat nou zo’n heel belangrijke opleiding was. Het zal vast, maar ik vond het niet bijzonder. Het basisonderwijs vond ik ook niet zo bijzonder. Ik heb ook nooit in het basisonderwijs gewerkt. Altijd in het speciaal onderwijs. In eerste instantie op het MBO, bij leerlingen met een laag niveau. En nu werk ik bij een instelling met kinderen die dáár graag naar toe zouden willen. Nog een stapje lager dus. Maar het zijn altijd leerlingen met issues of problemen. Dat vind ik interessant.’

 width=

Roelant: ‘Je bent een stoer wijf gewoon. Jij kan een stootje hebben.’

Ellen: [lachend] ‘Dat denk ik ook wel. Nadat we een paar jaar op Curaçao hebben gewoond, ben ik toen we terugkwamen in Nederland op de taalschool gaan werken met vluchtelingen. Daar waar er oorlog is, komen ze vandaan. In dit geval voornamelijk uit Syrië en Eritrea. Maar die verstonden mij niet echt. Het gevolg daarvan is dat je zelf de hele dag aan het praten bent en geen respons krijgt. Die mensen zitten daar braaf, maar er is geen interactie. Je checkt aan het eind van de dag of je alles behandeld had wat je wilde doen. En dat is het dan. Na twee jaar vond ik dat echt saai. Toen ging ik op een school werken, het Vierbeek college. Daar werd ik de hele dag ‘kankerhoer’ genoemd. Dat was ook weer niet fantastisch. Echt het andere uiterste. Dat hield ik ook niet vol. Nu werk ik als traject begeleider op individuele basis. En dat is wél heel erg leuk. Je hebt nog steeds met dezelfde doelgroep te maken, ze zijn nog steeds niet braaf, maar ze zijn alleen met mij. Je merkt dat groepsdruk heel veel doet met die leerlingen. De ervaringen die ik hier opgedaan heb, naast mijn werk op het MBO, heb ik meegenomen in mijn boek Gefaald.

Roelant: ‘Dat was je eerste thriller.’

Ellen: [aarzelend] ‘Ja, maar mijn boek daarvóór, Koningslaan, was ook een spannend boek. Had ook thriller genoemd kunnen worden, maar er zat ook wat romantiek in en daardoor durfde ik het niet aan om daar het etiket thriller erop te plakken.’

Roelant: ‘Romantiek?’

Ellen: ‘Ja, ik hou daarvan. Maar weet je, thrillerrecensenten die verwachten echt een thriller. Pas later kwam ik op dat romantic suspence pad. Onder die noemer had ik mijn eerdere boeken ook kunnen zetten.

Roelant: ‘Je nieuwe boek, De Burgerwacht, gaat zoals de titel zegt over een burgerwacht. Je schrijft er heel sympathiek over. Hoe kwam je op dat idee? Ken je mensen die zoiets doen?’

Ellen: ‘Nee, ik kwam pas met mensen van de burgerwacht in contact toen ik het boek al geschreven had. Dat was om te kijken of alles een beetje klopte wat ik daarover geschreven had. En ik vind zoiets een heel goed initiatief. Op geen enkele manier wilde ik dat negatief benaderen door in zo’n boek vervelend over ze te schrijven. We moeten dat juist promoten. Ga eens wat meer op elkaar letten, mensen. Ik zou willen dat we hier in ons dorp ook een burgerwacht zouden hebben.’

 width=

Roelant: ‘Je laat ze zeggen dat ze niet voor eigen rechter willen spelen. Want dat is natuurlijk het grote gevaar.’

Ellen: ‘Die jongens van de echte burgerwacht zeiden ook tegen me dat het wel een stigma is waartegen ze moeten vechten. Mensen zien hen snel als legale knokploeg en dat is niet altijd leuk. En ook zeker niet hun insteek.’

Roelant: ‘Paarden spelen ook een grote rol in jouw boek. Ben je dol op paarden?’

Ellen: ‘Ik ben een echt paardenmeisje geweest vroeger. Altijd met paarden in de weer geweest.’

Roelant: ‘Je laat een van de jongens verzuchten dat zelfs een baal hooi voor het paard meer aandacht van Kayleigh kreeg dan hij.’

Ellen: [lachend] ‘Ik heb twintig jaar paard gereden. Nog steeds zou ik graag een keer gaan rijden. Als je eenmaal paardenmeisje bent, ben je dat voor het leven.’

Roelant: ‘Inclusief abonnement op de Penny?’

Ellen: ‘Wij hadden zeker een abonnement op de Penny vroeger. Heerlijk.’

Roelant: ‘Jouw vorige boek, Semper Fi, ging over een studentendispuut. Heb je zelf op zo’n soort studentenvereniging gezeten?’

Ellen: ‘Nee, maar ik vind het een mooie setting voor een thriller. En er gebeuren nog steeds excessen in die wereld, kijk maar naar dat Gronings studentencorps. En dergelijke types vind ik des te gevaarlijker omdat zij ook het intellect hebben om hun daden te verbergen. Ik zie dat mijn type leerlingen niet doen. Die vallen door de mand. Maar al die universiteit jongens… Als die maar een klein beetje een verkeerde inslag hebben… En dat was een beetje de insteek van Semper Fi. Slimme psychopaten vind ik heel interessante types. Zo iemand zit ook weer in De Burgerwacht.’

 width=

Roelant: ‘Als lezer weet je eerder wie dat foute type is dan de hoofdpersoon. Alfred Hitchcock speelde op dezelfde manier met zijn publiek. Als kijker en als lezer zit je dan met gekromde tenen: doe dat toch niet meisje!’

Ellen: ‘In eerste instantie heb ik geprobeerd om lang verwarring te zaaien wie het nu eigenlijk is.’

Roelant: ‘Dat klopt zeker in het begin.’

Ellen: ‘Precies, maar op een gegeven moment moest ik daar vanaf stappen, omdat ik anders in het schrijfproces vastliep.’

Roelant: ‘Het eerste personage uit het boek staat meteen in de ik-vorm. Je hebt dan niet door dat het een man is. Pas later is de ik-figuur een vrouw, de uiteindelijke hoofdrol Kayleigh.’

Ellen: ‘Ik schrijf altijd in de ik-vorm, vanuit de ik-persoon. In dit boek kom je pas bij het derde perspectief bij Kayleigh uit. Ook vanuit de psychopaat schrijf ik in de ik-vorm. In een eerdere versie ga ik dieper in hoe zijn vrouwenhaat ontstaan is. Maar de redacteur vond dat niet nodig: mag hij niet gewoon psychopaat zijn, zei ze? Dus die scènes zijn geschrapt. Kill your darlings. Dat is niet altijd leuk.’

 

Roelant: ‘In je boek heb je een passage waarin een personage zich voelt als El Professor. Dat is het hoofdpersonage uit die Netflix serie Casa di Papel. Daar ben je een fan van?’

Ellen: ‘Dat vind ik een leuke serie. Als je zo’n meesterbrein kunt zijn! Dat lijkt me heel gaaf. En dan zo’n team om je heen van domme gasten die het uitvoeren. Dat is heel tof. In mijn volgende boek, dat in de herfst zal uitkomen, Stockholm Syndroom, zit ook een groep die codenamen gaat gebruiken. Alleen dan niet van hoofdsteden, zoals in de serie, maar van Vikings. Nathalie Pagie heeft dat ook gedaan in Noordkaap. Die gebruikte toen ook Noorse goden. Ik vind dat tof.’

Roelant: ‘Je hebt het niet veel over seks in dit boek. Je laat Kayleigh verzuchten: Ik ben nooit zo’n wilde, misschien ben ik op het saaie af.’

Ellen: ‘Ze vindt zichzelf heel dozerig. Ze ziet zichzelf niet als een heel sensueel wezen.’

 width=

Roelant: ‘Maar ze wordt ontzettend begeerd door die mannen.’

Ellen: ‘Ja, maar ik denk dat het juist een kwaliteit is van een vrouw als je daar nuchter onder blijft en je er niet naar gaat gedragen. Arrogantie is nooit een fijne karaktereigenschap. Ik ben geen schrijver die alles van tevoren uitdenkt. Op het eind heb ik een wending die ik zelf ook niet zag aankomen. Ik vind het heerlijk om op die manier te schrijven. Ergens heb ik gehoord van iemand dat wanneer je het even niet meer weet, je dan iemand plotseling voor de deur moet laten staan.’

Roelant: ‘Dat is een oude wet van Raymond Chandler [Amerikaans thriller auteur midden vorige eeuw, wiens boeken veel zijn verfilmd met Humphrey Bogart]. Hij maakte het soms zo ingewikkeld in zijn boeken dat hij er zelf niet meer uitkwam. Dan liet hij een man met een pistool de kamer binnenkomen.’

Ellen: [lachend] ‘Ja, dan heb je weer een hele nieuwe situatie. In mijn volgende boek, Stockholm Syndroom, was ik zó ingewikkeld aan het schrijven dat ik wel aan één stuk door moest schrijven omdat ik anders zelf de draad kwijt zou raken. Ik moest doorgaan in de flow. Ik denk dat zoiets toch ten goede komt aan een verhaal. Je zit er dan zó in, dat het eruit knalt.’

Roelant: ‘Tot die tijd kunnen we genieten van dit boek, De Burgerwacht. Dank je wel voor dit fijne gesprek.

Roelant
Perfecte Buren

Eerder verschenen op Perfecte Buren.