Roelant meets ... Jet van Vuuren

Maandag, 9 augustus, 2021

Geschreven door: Jet van Vuuren
Artikel door: Roelant De By

 

Voor de tweede keer ben ik bij Jet van Vuuren op bezoek voor een interview in haar schrijvershuisje. Dit keer heb ik mijn hondje meegenomen om met die van haar te spelen. Na een aftastend begin, rennen ze achter elkaar aan de hele tuin door. Een tuin vol prachtige bloemen en planten omgeven door een keurig bijgehouden haag. Ondanks de omheining weten de hondjes te ontsnappen naar de tuin van de buren.

Jet: [geschrokken] ‘Dat doet Duuk normaal nooit! Ze imiteren elkaar en proberen elkaar te domineren. Maar Duuk is wel erg macho naar andere honden toe. Ik zit hier echt in mijn kleine paradijsje, pal naast het bos. Op mijn wandelingen met Duuk kom ik weleens tekkels tegen, waar Duuk dan tegenop begint te rijen. Hun baasjes zijn vaak van die keurige dames, die denken dat het seksueel is en die vinden het vies. [lacht] Dan denk ik: heb je ooit weleens zélf een leuke man gehad?’

Roelant: ‘Dat brengt me meteen op jouw nieuwe boek, Vluchtweg. Daar heb je behoorlijk veel seks ingestopt deze keer.’

Jet: ‘Echt? Vind je? Valt wel mee toch?’

Roelant: ‘Voor jou doen wel.’ [we lachen uitgebreid]

Jet: ‘Ik doe zelf nauwelijks meer aan seks, maar ondertussen!’

 width=

Roelant: ‘En kun je het lekker in je boek kwijt. Zoals je in het begin beschrijft hoe Judy fantaseert over een etentje bij kaarslicht met als afsluiter een romantische suite van het Amstel hotel. En vervolgens neemt Pepijn haar in het magazijn waar de gebitsprotheses liggen. Erg grappig dat verschil tussen droom en realiteit.’

Jet: ‘Toch is erotische scènes schrijven best moeilijk. Ik zit mijn vroegere boeken nu te beluisteren via Storytel en dan kom ik bij een scène waar twee vrouwen sm-seks hebben met maskers en van alles. Dat had ik van iemand gehoord. Hoe ze dat allemaal deden. En ik dat maar alles opschrijven. Ik was toen heel onbevangen. Zoiets zou ik nu niet meer doen. Dat is te plat.’

Roelant: ‘En de passages met tante Lieke dan?’

Jet: ‘Ja, dat is naar aanleiding van het bericht in de krant vorig jaar dat er in die kleine dorpjes van alles gebeurt. Zoals met die kinderen die opgesloten zaten in Ruinerwold. Met dergelijke dingen wilde ik iets doen in mijn boek. Ook met zo’n scène waarin ze seks hebben in een auto waarin achterin de kinderzitjes staan. Heerlijk om op zo’n manier een lekkere foute man te typeren. Als Judy met Suus in die auto zit, laat ik haar eens goed kijken naar die vrouw.’

Roelant: ‘Een chaotisch, warrig type met spring haar en een buikje. Zo omschrijft Judy de vrouw van Pepijn, Suus.’

Jet: ‘Precies. Dan laat ik Judy denken: wanneer zou zij het voor het laatst gedaan hebben, in een auto met Pepijn? Die doen het waarschijnlijk één keer per maand, en dan ook nog met het licht uit want ze heeft een buikje, waarschijnlijk overgehouden van de laatste zwangerschap. Maar moet je horen. Dan is er tegenwoordig iets dat is overgewaaid uit Amerika. En dat is het fenomeen ‘sensitive reader’. Daar wordt iemand mee bedoeld die buiten de redacteur om kijkt of er scènes in het boek staan waar de lezers moeite mee zullen hebben. En deze scène werd eruit gepikt door een type als zo’n sensitive reader, omdat ‘dit de lezers die net een kind hebben gekregen niet zullen waarderen.’ Echt, het stond er! Jouw mond valt open, de mijne toen ook en ik begon te schateren. Ik dacht dit is echt té gek, jongens. Ga Wolkers lezen, ga Reve lezen.’

Roelant: ‘Maar zo’n beschrijving van jou is realistisch en herkenbaar. En daarom juist heel goed.’

Jet : ‘En er zit ook het venijn in van iemand die geen kinderen heeft gehad. Mijn commentaar tegen die ‘sensitive reader’ was kort: ik dacht het niet, dit laten we er lekker in. Kijk, als er nou heel erge dingen staan, bijvoorbeeld over kindermisbruik, dan kan ik me voorstellen dat je zoiets niet feitelijk opschrijft, want dat is voor mensen shocking. Dat kunnen ze niet aan. Dat zie je aan die journalist die er onderzoek naar heeft gedaan. Ik heb zijn boek als research gebruikt. Dat onderzoek was zo verschrikkelijk dat die man er een burn-out van kreeg Maar in zo’n scène waarin Judy de vrouw van haar lover beschrijft, moet je er vol ingaan met alles wat er maar te halen valt. En dan ben ik zó blij met Harold [de Croon, de redacteur van Jet bij Ambo-Anthos], die het helemaal met me eens is. De samenwerking met hem is supergoed. Hij bekijkt alles heel sec als we over het boek praten. Dan hoeft hij soms maar een klein dingetje te zeggen waardoor alles opeens op zijn plaats valt. En dan kan ik weer verder. Momenteel zitten we in de redactiefase van mijn volgende boek, dat in november uit zal komen.’

 width=

Roelant: ‘Je bent ongelooflijk productief. Minstens één boek per jaar, soms zelfs twee. De verkoopcijfers van jouw boeken zijn dermate dat je financieel onafhankelijk bent. Dat is fantastisch! Je hebt een grote schare fans. Daar mag je echt heel erg trots op zijn. En in november verschijnt de volgende al weer.’

Jet: ‘Ja, het gaat heel erg goed. Ik heb het verhaal al afgerond en zit nu in de herschrijf fase. Dat wordt mijn zestiende boek, mijn derde bij Ambo-Anthos.’

Roelant: ‘Hier op je schrijfplek zie ik geen grote vellen met tijdlijnen en schema’s aan de muur hangen.’

Jet: ‘Helemaal niet. Ik heb wel schriftjes waar ik aantekeningen in heb staan. Ook heb ik een foto van elk van mijn personages uitgekozen, die ik voor mijn neus zet. Dan heb ik een beeld van degene waar ik over aan het schrijven ben. Dat helpt mij om zo’n karakter voor mijzelf uit te tekenen. Mensen vragen mij wel eens hoe ik op een dergelijke manier over mannen kan schrijven, dat ik zulke slechte kerels neer kan zetten, terwijl ik zelf een vrouw ben.’

Roelant: ‘Vind je dat ook moeilijker?’

Jet: ‘Nee, helemaal niet! Ik verplaats me in die karakters. Daarom vind ik het ook niet moeilijk om bijvoorbeeld een hond laten doodgaan. Ik dood die hond niet, dat doet die persoon. Zo’n handeling past bij dat soort type. Het klinkt heel raar, maar als ik een verhaal schrijf dan gaan die personages op dat moment voor mij leven, met al hun gekkigheid en gedoe. Die kunnen van alles doen omdat ze zo zijn. Maar dat heeft niks met mij te maken, met mij persoonlijk. Dat heeft ook tot gevolg dat er soms dingen in het verhaal gebeuren die ik zelf van tevoren totaal niet bedacht had. De personages gaan als het ware op de loop met het verhaal. Maar dat maakt het voor mij ook erg interessant.’

Roelant: ‘Heb je dan wel eens bij zo’n afsplitsing, zo’n zijpad dat je inslaat, dat je dan het begin weer moet aanpassen?’

Jet: ‘Altijd. Natuurlijk. [we lachen beide] Maar dat is juist leuk. Als het einde opeens anders wordt, moet ik soms heel veel uit het begin veranderen. Omdat het anders niet meer zou kloppen, of logisch zou zijn. Het is fictie, maar het moet wel kunnen allemaal. Er moeten geen rare, tegenstrijdige dingen inzitten.’

 width=

Roelant: ’Je boek speelt zich af in het heden. Het begint in januari 2020 (met flashback naar zomer 2000). De Corona pandemie heb je er fijntjes doorheen geweven. In het begin van de uitbraak gaat Emma, een huisgenootje van Judy, op stage naar Hong Kong. Op de vraag of zij niet bang voor het virus is, reageert ze zoals zovelen van ons destijds deden: Wuhan ligt op het platteland, daar nemen ze het niet zo nauw met de hygiëne….dat griepje waait wel over… ‘

Jet: ‘Er zijn schrijvers die per se niet over Corona willen schrijven. Dan denk ik, dat kan wel zijn, maar als je een boek schrijft in deze tijd dan ontkom je er niet aan om het te benoemen. Je kunt niet meer zeggen we omhelzen elkaar. Het heeft een enorme impact op ons leven. En nu nog steeds. Wij zitten hier nu op ruime afstand van elkaar, we kussen niet en we hebben het over onze vaccinaties. Dat is toch een heel aparte conversatie? Zonder meteen een vervelend boek over Corona te schrijven, wil ik het wel erin meenemen. Jij hebt destijds tegen mij gezegd dat je gelukkig genoeg mondkapjes had ingekocht, omdat die ook schaars dreigden te worden.’

Roelant: ‘En dat heb je gebruikt in je boek. Je laat tandarts Pepijn dat zeggen. Grappig is dat.’

Jet: ‘Ik wilde Corona en de effecten op ons leven daarvan benoemen, maar niet meer dan dat. Het boek eindigt in augustus 2020. Toen gingen we er nog met z’n allen vanuit dat het met de Kerst wel over zou zijn. We weten nu dat het anders gelopen is.’

Roelant: ‘De flashbacks gaan terug naar de zomer van 2000. De zomer waarin Femke, de zus van Judy, omgekomen is. Judy heeft een heel andere herinnering over die tijd dan alle andere mensen in het boek.’

Jet: ‘Ze was een kind van acht. Kinderen worden sowieso vaak niet geloofd. Die tellen gewoon niet mee. Dat gebeurt echt. Ik heb dat als kind zelf meegemaakt. Ik was een jaar of twaalf, dertien en omdat ik enig kind was, namen mijn ouders mij overal mee naartoe, naar vrienden, familie enzo. Als je als kind opgroeit tussen alleen maar volwassenen, ben je waarschijnlijk eerder volwassen. Maar ik zat wel bij die gesprekken en dan werd er over mij gepraat in de trend van: ‘Nee, nu zit dat kind erbij. Daar kunnen we het niet over hebben.’ Dat woord ‘kind’. Ik weet nog dat ik toen dacht: ik ben geen kind. Ik wist best waar ze het over hadden. Je hebt als kind een heel andere blik en zie je andere dingen, die volwassenen dan niet direct opvallen. Maar ik was een soort Cassandra. Ik kon roepen wat ik wilde, maar niemand geloofde mij. En dat is heel pijnlijk als je dat ervaart als kind. Dat heb ik in mijn boek gestopt bij Judy als achtjarige. Het kind wat niet geloofd wordt.’

Roelant: ‘Daar komt bij dat de tijd je herinnering misvormt, verandert.’

Jet: ‘Klopt. Dat is heel interessant hoe dat werkt, zo’n mechanisme. Het kan zo ver doorslaan dat je als mens in je eigen leugens gaat geloven. Je gaat dingen verzinnen en je gaat erin geloven. Ik heb zelf een super saaie jeugd gehad met mijn ouders. Omdat het zo saai was, ging ik dingen verzinnen en vertellen op school. Zoals dat we thuis pony’s hadden. In de stad, in de tuin! Dan kwamen er kinderen bij ons aan de deur of ze de pony’s mochten aaien. Mijn moeder boos en dan kreeg ik straf. Ik mocht van haar niet liegen. Alleen een leugentje om bestwil mocht wel. Dat deed zijzelf natuurlijk voortdurend. Maar dat is een heel rekbaar begrip.’

 width=

Roelant: ‘De titel van je boek ,Vluchtweg, komt pas op bladzijde 290.’

Jet: [lachend] ‘Dan staat dat woord er letterlijk, maar ze vlucht het hele boek door. Ze vlucht van haar huisgenoten weg, ze vlucht van Pepijn weg, uit Amsterdam, van haar werk enzovoorts. Eigenlijk is ze voortdurend op de vlucht.’

Roelant: ‘Op een gegeven moment belt Judy Pepijn op voor hulp. Het eerste wat deze vraagt is of ze geld nodig heeft. Dat vind ik erg grappig.’

Jet: ‘Zulke mensen bestaan echt! Die denken dat je elk probleem met geld kunt oplossen. Die denken puur in geld. Ongelooflijk zoiets. Als iemand dat als eerste aan je vraagt als je het moeilijk hebt, hoe denkt die persoon dan wel niet?’

Dank je wel, Jet, voor dit ontzettend gezellige gesprek.

Roelant
Perfecte Buren

 

 

Eerder verschenen op Perfecte Buren.