Roelant meets... Loes Den Hollander - Boek van de Maand

Donderdag, 25 november, 2021

Geschreven door: Loes den Hollander
Artikel door: Roelant De By

 

Wanneer ik het huis van de kersverse winnares van de Gouden Veermuis 2021, Loes den Hollander, nader, valt meteen haar herdershond Thora op, die in de voortuin als een Cerberus het huis bewaakt. Hierop voorbereid heb ik een lekker bot voor haar bij me wat na een beetje gesnuffel aan de gever dankbaar aanvaard wordt. Loes is een charmante vrouw die gemakkelijk praat en geen enkel onderwerp uit de weg gaat. We gaan zitten aan de grote tafel in een fijne, lichte kamer die tot voor kort de muziekkamer van Loes’ onlangs overleden man Harry was. Aan de muur hangt een tekening van een groep mensen die allemaal een muziekinstrument bespelen. Thora nestelt zich op de bank in de woonkamer en bekijkt ons van een afstandje.

Loes: ‘Ik ben dol op die hond. Het is heerlijk om iets levends in huis te hebben.’

 width=

Roelant: ‘Voor een schrijver is een hond ideaal.’

Loes: ‘Ja, want ik móet eruit. Anders zou ik mij echt opsluiten en dat is niet goed voor me. En Thora is een heel makkelijke hond. Ik kan haar overal mee naar toe nemen. Dat die hond er is, is fantastisch. Ik praatte altijd al tegen die hond. Dan zei Harry tegen me: wat loop je allemaal te kletsen? Ik praat niet tegen jou, maar tegen die hond, zei ik dan. Kijk, in je uppie ga je niet hardop praten, maar wel als je het tegen een dier hebt.’

Roelant: ‘Jouw nieuwe boek, Je bent aan de beurt, heb je gebaseerd op een kort verhaal. Ontzettend leuk dat dit korte verhaal achterin je boek staat. Zo wordt het meteen een schoolvoorbeeld hoe je van een kort verhaal een heel boek kunt maken.’

Loes: ‘Ik heb dat verhaal voor de Flair geschreven en heb van het begin af aan gezegd: hier zit meer in. Ik was niet klaar. Maar omdat ik binnen een bepaald aantal woorden moest blijven, moest ik het afronden. Dat was helemaal goed, daar stond ik ook achter, maar toch bleef dat verhaal maar malen in mijn hoofd. Ik hoor van heel veel mensen dat ze het leuk vinden om dat oorspronkelijke verhaal nog terug te lezen. Ik heb de afloop veranderd en ben doorgegaan. Ik heb nog meer korte verhalen liggen waar ik nog niet mee klaar ben. Het gaat maar door. Bij dit boek heb ik niet alleen geschreven vanuit Tessa, zoals in mijn korte verhaal. Ik moest David, de man, ook een stem geven. Daar moest ik toen induiken. Ik heb geprobeerd om zo’n verknipte man te worden. Met Harry heb ik daar heel veel discussie over gehad. Toen ik hem had verteld hoe ik dat verhaal wilde laten aflopen, wou hij het niet meer lezen. Dat kan écht niet, zei hij. Wie ben jij dat je zoiets kunt bedenken? Dit is echt horror. Ook het taalgebruik van de man is heel grof. Dat heb ik in de uiteindelijke versie wel wat afgezwakt, iets minder erg gemaakt. Maar het is nog steeds een goorlap, die David.’

Roelant: ‘Veel inspiratie komt uit jouw werkzame verleden bij de psychiatrische instelling denk ik.’

Loes: ‘Ja, er zitten wel vaak gekke mensen in mijn boeken. Ik ben altijd gefascineerd geweest door de gekte in anderen en ook in jezelf. Want in de psychiatrie leer je ook hoe gek je zelf bent. Dat is soms heel confronterend. Ik weet nog dat wij de Neurosen leer van Kuiper moesten leren. En toen ik dat gelezen had, dacht ik dat het over mijzelf ging. Maar al mijn klasgenoten bleken datzelfde te denken.’

Roelant: ‘Dat herken ik helemaal. Dat boek heb ik ook bij mijn studie gehad. De kandidatenziekte noemen ze dat wel.’

Loes: ‘Dat vond ik van de psychiatrie wel mooi, om achter gedrag te leren. Ook achter je eigen gedrag. Als je je daar tenminste voor open stelt. En dat is zonder meer een verrijking van je leven. Het geeft je veel meer inzicht. Je eigen valkuilen kennen is heerlijk. En ja, dat zit heel veel in mijn boeken. Dat fascineert me nog steeds. Vanaf dat ik een klein kind was, hebben mensen altijd heel veel aan mij verteld. Dat vond ik vroeger best lastig, al die geheimen die mij werden toevertrouwd. En dan zei mijn moeder: Kind, moet je luisteren, dat heb ik ook. Dat is iets wat in óns zit. Je moet gewoon netjes luisteren, maar laat het je ene oor in en je andere oor uit gaan. Gewoon weer vergeten. En dat deed ik, althans dat dacht ik, tot ik jaren later die verhalenwedstrijd won. Vanaf dat moment gingen al die luiken open. En bleek ik alles te hebben opgeslagen. Ik ben nooit bang geweest voor de dood. En zeker nu, na de dood van Harry, helemaal niet meer. Het is zo bewust verlopen allemaal. Wij hebben daar ook zó goed over kunnen praten. Je kunt het leven verlaten als het zover is, verlost worden. De dood is ook een troost. Ik kan me getroost voelen door het feit dat Harry niet meer hoeft te lijden. Ik ben altijd een ras-optimist geweest. Dat zit in mijn karakter. Gelukkig is het mijn tijd nog niet, ik ben zeker niet levensmoe, maar ik vind het een geruststellende gedachte dat we op een gegeven moment niet meer hoeven.’

 width=

Roelant: ‘Maar tot die tijd kun jij heerlijk verder schrijven aan nog meer prachtige boeken.’

Loes: ‘Ik ben nu met een boek over mijn rouw bezig en ik moet zeggen dat ik nog nooit zo blij ben geweest met mijn talent als nu. Dat ik het woorden kan geven.’

Roelant: Er schiet mij opeens een quote van jou te binnen: “Ik heb mijzelf kunnen ontwikkelen, omdat ik van tevoren niet alles wist.”

Loes: ‘Ja, ik vind dat nog steeds. Ook als je ouder wordt is het mooi om dat te blijven zoeken. Om nieuwsgierig te blijven naar wat het leven nog meer te bieden heeft. En dat merk ik nu ook. Ik moet weer leren om in mijn eentje te leven. Dat kon ik al want ik heb tussen mijn twee huwelijken tien jaar alleen gewoond, maar het is ook leuk om dingen te herontdekken of nieuw te ontdekken. Zo denk ik dat je in alle fasen van je leven weer wat kunt toevoegen.’

Roelant: ‘Als je je daarvoor open stelt.’

Loes: ‘Ja, je moet niet denken: ik weet het allemaal wel. Maar zo zit ik niet in elkaar.’

Roelant: ‘Je bent niet gelovig, maar je hebt het wel over betekenis geven aan het leven. Je vindt God een beetje ingewikkeld laat je een van je personages zeggen.’

Loes: ‘Ik ben helemaal niet gelovig, maar ik ben er wel van overtuigd dat op een gegeven moment lichaam en geest van elkaar gescheiden worden. Ik geloof in een collectief bewustzijn waar je uit voortkomt en naar terugkeert.’

Roelant: ‘Is dat troostrijk?’

Loes: ‘Jazeker. Ik denk dat het stoffelijke leven een ervaringsgeheel is. Als kind realiseerde ik me al dat ik dingen wist die ik gezien mijn leeftijd niet kon weten. Dan zei ik soms iets wat mijn moeder te wijs vond en daar reageerde ze afwijzend op. Dat vond ik lastig. Ik sta ook wel open voor het gevoel dat je terug zou kunnen keren, maar dat weet ik niet.’

 width=

Roelant: ‘Je bent geboren in Nijmegen. Was het leuk opgroeien daar?’

Loes: ‘Ja, ik heb een heel veilige jeugd gehad. Met een moeder die altijd thuis was. Dat was toen nog, hè. Veel bescherming, ook toen ik ouder werd en daaruit wilde breken. Maar ik heb daar altijd fijn gewoond. Ik hoef niet meer terug, want ik woon liever in de buurt van de zee. Lekker met de hond op het strand lopen. Ik vind de zeelucht heerlijk.’

Roelant: ‘Je bent bewust kinderloos gebleven zeg je. Waarom heb je nooit kinderen gewild?’

Loes: ‘Ik werd panisch bij de gedachte alleen al. Dat ik thuis moest blijven en voor dat kind moest zorgen. Kijk, toen ik nog met mijn eerste man getrouwd was, was het een heel andere tijd. Hij werkte bij de politie en kon dat niet parttime doen zodat de verzorging op mij zou neerkomen. En ik had een enorme drang tot ontwikkeling en ontplooiing.’

Roelant: Je schrijft, ik citeer: “Ik voel me zo dom. Ik ben echt te oud om nog op de prins op het witte paard te geloven.”

Loes: ‘Dat zegt Tessa, ja. Ik denk dat wanneer je overkomt wat Tessa is overkomen, hoe oud je ook bent, je altijd dom voelt. Dat je daar intrapt. Dat is vrouwen eigen om de schuld bij zichzelf te zoeken. En ze willen er zo graag in geloven. En je kunt je niet voorstellen dat mensen zo slecht zijn. Niemand wordt slecht geboren. Maar de omstandigheden kunnen iemand echt slecht maken.’

Roelant: ‘Komen we bij de vraag in hoeverre je je eigen partner kent, of andersom. Moeten we alles van elkaar weten of kunnen we ook bepaalde dingen voor onszelf houden?’

Loes: ‘Ik vind dat we juist iets van dat mysterie moeten houden voor elkaar. Ik vond het leuk dat Harry toen bij dit laatste boek tegen mij zei: Wie ben jij? Dat vond ik leuk, dat je na zoveel jaren nog steeds verrast kunt zijn van de ander. Dat vind ik verfrissend. Als ik om me heen kijk, zie ik veel stellen die een bepaalde gelatenheid hebben. Dat is bij ons nooit gebeurd. En zou ik nog iemand tegenkomen, zou dat ook niet gebeuren. Zo wil ik niet met iemand leven. Blijf elkaar verrassen. Harry en ik hadden een sterke afspraak om nooit met anderen te gaan. Dat hebben we ook nooit gedaan. Maar een paar maanden voor hij stierf zei hij ineens tegen mij: Denk eraan, Loesje, als ik er niet meer ben en er komt een aardige man langs, dat je hem binnen laat. Dat was groots van hem. Ik vertelde hem dat als hij er niet meer zou zijn ik heus niet met mannen bezig zou zijn. Nee, zei hij, maar zij wel met jou. Dat is toch geweldig! Daar moet ik zó vaak aan denken. Destijds vond ik het al een groots gebaar van hem, maar ik waardeer het nu pas. Ik ben niet op zoek, maar ik zou het ook niet uit de weg gaan. En helemaal zonder schuldgevoel. Dat is heerlijk, dat je elkaar zo achterlaat. Dat is het grote voordeel dat we van alles met elkaar hebben kunnen bespreken. Daar kan ik mij getroost door voelen.’

 width=

Dank je wel voor dit bijzondere gesprek, Loes.

Roelant
Perfecte Buren

Eerder verschenen op Perfecte Buren.