Roelant meets ... Tomas Ross - BvdM

Donderdag, 31 maart, 2022

Geschreven door: Tomas Ross
Artikel door: Roelant De By

Tomas Ross is een begrip in de Nederlandse thrillerwereld. Hij is zo ongeveer de grondlegger van de Nederlandse variant van de Faction, een boek waarin feiten en fictie met elkaar versmolten zijn. Historische gebeurtenissen worden verweven met verzonnen personen die middenin al die verwikkelingen geraken. Al vanaf zijn eerste boek, De Honden van het Verraad, uit 1980 ben ik fan van Tomas Ross. Nu is zijn 47e thriller verschenen, De Man zonder Gezicht. Een spannend verhaal dat zich afspeelt in de tijd van de koude oorlog, 1966, met flashbacks naar 1944. Het is de tijd van het dreigende Oostblok, spionage en de zoektocht naar mensen die al die tijd onder de radar hebben kunnen blijven. Spionnen en dubbelspionnen die onvindbaar zijn, onherkenbaar omdat niemand die nog leeft hun gezicht heeft gezien. Vandaar de titel: De Man zonder Gezicht. We spreken elkaar in het pand van Ross’ uitgever, Cargo/de Bezige Bij, in Amsterdam-Zuid. Tomas Ross ziet er goed uit, hij is slank, oogt fit, is alert, praat snel en is heel erg geestig.

 width=
@Josia Brüggen

Tomas: ‘Ik woon al 30 jaar in Den Haag vlak bij het strand. Ik sta elke dag om zes uur op en begin met zwemmen in de zee. Daarna ga ik schrijven tot een uur of twaalf. En tussendoor laat ik de hond uit. [glimlachend] Ik geloof dat ik vrij veel geschreven heb. Soms sta ik voor mijn boekenkast en denk: sodemieters, dat zijn er veel. En dan ook nog heel wat voor de televisie. Maar tegenwoordig doe ik één boek per jaar. Vroeger heb ik een tijd drie boeken per jaar geschreven en had ik er een halve baan bij, zodat ik vooral ’s avonds schreef.’

Roelant: ‘Maar heb je dan nog wel tijd voor je gezin?’

Tomas: ‘Mijn vrouw was weggelopen. Ik woonde nog in Amsterdam en toen vertrok ik naar de Weesperzijde.’

Awater

Roelant: ‘Je besteedt ongetwijfeld veel tijd aan research voor jouw boeken, ga je ook op locatie bezoek?’

Tomas: ‘Zoveel mogelijk wel. Ik ben veel in Berlijn geweest, Oost-Duitsland, Suriname, de Antillen noem maar op. Maar het boek wat ik nu aan het schrijven ben, speelt zich af in Afghanistan. Daar ga ik niet naar toe.’

 width=
@Josia Brüggen

Roelant: ‘In een van je eerdere boeken, Koerier voor Sarajevo, komt een gruwelijke scène voor waar ik aan moest denken toen ik Ik ben Pelgrim van Terry Hayes las. Jij was jouw tijd ver vooruit denk ik dan.’

Tomas: ‘Koerier voor Sarajevo is het lievelingsboek van mijn vrouw. Ondanks al mijn research en aandacht voor details blijven er altijd wel wat dingetjes waar lezers mij op wijzen wat niet klopt. Bij dat boek kreeg ik een kort briefje van onze ambassadeur in Belgrado, dat hij het een heel fijn boek vond. Maar in een andere envelop zaten nog een paar aantekeningen en correcties. Vier bladzijden vol! Dit klopte niet en dat niet. Een bepaalde straat waar mijn hoofdpersoon door ging, kon je helemaal niet in, noem maar op. Dan ga je dat aanpassen voor een volgende druk, maar dat was heel veel werk. Als je er niet geweest bent, is dat erg lastig. Soms kun je mazzel hebben, zoals dat boek wat ik schreef over Nieuw-Zeeland. Daar heb ik veel complimenten over gekregen, hoewel ik daar nooit geweest ben. Maar ja, aan de andere kant kun je ook zeggen dat Dante nooit in de hel is geweest, maar er toch een geweldig boek over heeft geschreven. [we lachen uitgebreid]. Maar dat uitzoeken vind ik het leukste werk.’

Roelant: ‘Een serie als Homeland is geweldig, toch?’

Tomas: ‘Zeker. Kijk, ik heb natuurlijk veel voor de televisie gedaan, maar ik merk dat ik van een andere generatie ben geworden. Mijn collega Rinus Ferdinandusse, met wie ik twee boeken heb geschreven, kan het eigenlijk niet verkroppen dat sinds hij geen hoofdredacteur van Vrij Nederland meer is en geen boeken meer schrijft, hij vergeten wordt.’

 width=
@Josia Brüggen

Roelant: ‘Dat kan ik me voorstellen. Die thrillergids van VN is zíjn geesteskind, zijn verdienste.’

Tomas: ‘Klopt. Maar wij zijn oude mannen geworden. Mijn boeken lopen nog altijd goed, maar voor een nieuwe Netflix serie vragen ze me niet meer. Er is een heel andere generatie gekomen. En dat is natuurlijk terecht. Ik kijk mijn eigen series nog wel eens terug, maar dat gaat me daarin toch een potje langzaam. Die serie over Bernhard, zo’n tien jaar oud, die gaat nog. Maar die series uit de jaren negentig die gaan zó traag. Destijds vond je dat heel leuk en mooi, maar nu… Ik heb een heel grote Nederlandse detectives verzameling van vóór de oorlog. Die lees ik wel, maar het is niet spannend. Ik lees ze omdat het leuk is om iets over die tijd te lezen, maar niet omdat ze nou zo goed in elkaar zitten.’

Roelant: ‘Wat in jouw boek opvalt is dat er stevig in wordt gerookt.’

Tomas: ‘Dat was ook een heerlijke tijd. [ik schiet in de lach] Dat zeggen die jonge redacteurs ook: waarom wordt er zoveel in gerookt? Nou ja, iedereen rookte toen toch? Overal waren er sigarettenautomaten. Tijdens het diner kon je roken. En ik rook nog steeds. Een beetje een paria geworden. Maar in de tijd waarin het boek zich afspeelt, studeerde ik in Amsterdam. Erg leuk om daar wat dingetjes van op te halen.’

Roelant: ‘Je hebt het wel ingewikkeld gemaakt.’

Tomas: ‘Dat krijg ik altijd te horen. Dat hangt van je schoolopleiding af, zeg ik dan. In faction werk je met bestaande mensen en zaken, dat moet je soms even uitleggen. Maar als je Frederick Forsyth leest of Robert Harris dan heb je precies hetzelfde. Het is niet Appie Baantjer. Deze zei vroeger tegen me [Tomas praat nu met onvervalst Amsterdams accent]: “Wat veel personen heb jij, zeg. Wat verkoop je nou?” Dat is natuurlijk een vileine vraag. Hij verkocht er 400.000 per jaar of zo van zijn boekjes. Het recept is simpel natuurlijk. De Cock en Vledder gaan op onderzoek uit, er ligt een lijk in de Egelantiersgracht, en er is een hoer met een gouden hartje (die niet bestaat trouwens) die aan het eind vertelt aan de Cock hoe het zit. Dan denk ik: zó. Ik kan dat niet hoor. Die Havanks vond ik leuk om te schrijven. Maar in mijn boeken komen veel personages voor en zijn er diverse verhaallijnen door elkaar.’

 width=
@Josia Brüggen

Roelant: ‘Erg fijn hoe jij in jouw boek schakelt van de oorlog naar 1966, de bloeitijd van de spionage en de koude oorlog.’

Tomas: ‘Die spionage wordt nu met Poetin weer heel actueel kun je zeggen. Want reken maar dat de AIVD actief is. Wat mijn vader vroeger deed met de Hongaarse opstand in 1956 toen hij naar Boedapest was gegaan, wat eigenlijk gek was voor iemand van de binnenlandse veiligheidsdienst – wat doen die in het buitenland?-, omdat de gevangenissen open werden gebroken vóórdat de Russen kwamen zodat de politieke gevangenen eruit waren. Een heleboel zijn toen naar Nederland gekomen. Maar je wist niet wie er nog meer mee kwamen. Criminelen? Infiltranten van de geheime dienst? Daarom gingen ze dáár naar toe om met goede Hongaren te praten om te vragen: wie zijn dit? Wie krijgen we binnen? Dat zal nu in Oekraïne ook gaan gebeuren. Want het is een corrupt land met grote invloeden van de Sovjet-Unie.’

Roelant: ‘Die ouderwetse spionage met gecodeerde boodschappen en geheime afleverplekken blijft heel erg boeiend.’

Tomas: ‘Ondanks al onze technologie blijven die dingen bestaan. Osama-Bin-Laden, dat is niet zo lang geleden, gebruikte nooit internet en dat soort zaken. Hij deed alles met briefjes, per kameel. Daarom was het voor de CIA verdomd moeilijk om die jongen op te sporen. Hij zat in de bergen tegen Pakistan aan in enorme grottencomplexen. Ook in mijn volgende boek laat ik de berichtgeving onderling doen via ansichtkaarten. Ze kunnen zo’n boodschapper wel volgen, maar als hij een ansichtkaart in de brievenbus stopt, is dat onmogelijk na te trekken. De afzender staat er niet op. De boodschap is iets als ‘morgen schijnt de zon’ of zo. Ze kunnen alles wel gaan lezen, maar ze weten niet waar ze naar moeten zoeken. Hartstikke safe om gewoon een ansichtkaart te sturen, in plaats van te mailen of te appen.’

 width=
@Josia Brüggen

Roelant: ‘Opvallend is het betrekkelijk goede einde van jouw boek.’

Tomas: ‘Ik hou van een happy end. Ik weet nog wel van een van mijn woordenwisselingen met Theo van Gogh dat hij zich afvroeg waarom er niemand naar zijn films ging kijken. Omdat ze allemaal zo rottig eindigen, zei ik dan tegen hem. Het mag best zo zijn dat de held of heldin er met kleerscheuren vanaf komt, maar er moet toch een soort feelgood/happy end zijn. Ik schuw geen clichés wat dat betreft. Na alle ellende en toestanden mag er toch een beetje iets van verlichting komen. Ik heb dat van Ken Follett. Hij vertelde over het verschil tussen John Le Carré en hemzelf. Dat is dat ik meer verkoop zei hij dan. Die boeken van Follett en Le Carré zijn beide goed geschreven en zitten goed in elkaar, maar bij Follett heb je dat je zó mee gaat leven met de hoofdpersonen dat je blij bent wanneer die het aan het einde er goed vanaf komen. Noem het feelgood of hoe je wilt, maar dat is fijn voor een lezer. Niet eindigen in mineur. En dat vind ik zelf ook wel prettig.’

Roelant: ‘Net als jouw vader was ook de vader van John Le Carré werkzaam bij de geheime dienst, net als John zelf trouwens. Hij heeft daar een prachtig boek over geschreven A Perfect Spy, Een volmaakte Spion.’

Tomas: ‘Een van zijn allerbeste boeken, zeker.’

Roelant: ‘In jouw voorwoord citeer je Churchill die zegt: ‘De waarheid (in oorlogstijd) is zó kostbaar dat je die altijd moet verpakken in een hele deken van leugens.’ In Een volmaakte Spion liegt die vader ook constant tegen zijn zoon.’

Tomas: ‘Nou weet ik niet of mijn vader loog, dat zal hij ongetwijfeld gedaan hebben, maar hij vertelde thuis gewoon niets. Ik raakte in contact met Arthur Docters van Leeuwen, de vroegere baas van de BVD. Hij kwam bij ons in de buurt wonen en las mijn boeken. In die tijd begon de Dienst alles te digitaliseren. Mijn vader was daar begonnen in 1945, maar we hebben niks van hem. Ik was ontzettend benieuwd naar zijn dossier. En ik vroeg aan Docters van Leeuwen om mij het papieren dossier van mijn vader te geven, nadat het gedigitaliseerd was. Haal maar door wat nog steeds geheim is, maar ik wil het graag hebben. Dat dossier liep van 1945 tot aan 1971, zijn dood. Ik kan me niet voorstellen dat daar nú nog iets instaat over de Oost-Duitsers, de Russen, noem maar op dat niet openbaar kan worden. Hij zei tegen me dat hij dat absoluut niet kon doen. Maar de volgende dag lag er bij ons op de deurmat een grote, bruine envelop aan mij gericht, zonder afzender, met het dossier van mijn vader erin, maar heel veel doorgehaald.’

 width=
@Josia Brüggen

Roelant: ‘Dat noemen ze de Italiaanse methode, zeggen dat iets echt niet kan, maar ondertussen liggen de gevraagde stukken voor je klaar, zonder iemand officieel weet hoe ze daar gekomen zijn. Erg leuk.’

Tomas: ‘Ik heb mijn vader nooit echt gebruikt in een van mijn boeken, simpelweg omdat ik er te weinig van weet. Maar ik vind het ook moeilijk om over mijn vader te schrijven. Dan zou ik literatuur moeten gaan schrijven over mijn gereformeerde jeugd of zoiets, zoals Jan Siebelink en Maarten ’t Hart. Die mannen verdienen goud geld met hun gereformeerde jeugdherinneringen. En ik ben net zo opgevoed als Maarten ’t Hart. Ik heb wel eens tegen hem gezegd: Maarten, zo erg was het toch allemaal niet? Welnee, zei hij dan, maar dit verkoopt veel beter. Tegen Jan Siebelink [schrijver van Knielend op een Bed vol Violen] zei ik dat ik een boek ging schrijven met als titel Knielend op een Bed vol Hoeren. Grapje natuurlijk, maar hij was woedend. Dat zie je in de Nederlandse literatuur heel vaak, dat kleine binnenhuisje, steeds weer die vreselijke jeugd. Maar goed, dat verhaal, dat grote epische verhaal wat Amerikanen zo goed kunnen, dat zie je bij ons niet of nauwelijks in de literatuur. Alleen Hermans kon dat.’

Roelant: ‘En je hebt ook niet veel op met die succesvolle, blonde, witte wijn thrillerschrijfsters.’

Tomas: ‘Daar gaan we het niet over hebben. Daar heb ik zoveel gedonder over gehad. En mensen als Esther Verhoef en Marion Pauw kunnen echt goed schrijven, hoor. Maar er is heel veel troep onder, net als bij de mannen.’

Roelant: ‘Jij helpt veel collega auteurs bij Cargo heb ik gehoord.’

Tomas: ‘Ik geef wel eens advies, ja. Eens per week ga ik zitten en praten met een auteur over zijn manuscript. Er komt bijvoorbeeld een nieuwe debutant aan, John Kuipers. Hij had al tien manuscripten geschreven zonder dat ze uitgegeven waren. Dan ben je een doorzetter. Ik ging er eentje lezen en dacht meteen: dit is erg goed! Er moest nog wel het een en ander aan gebeuren, maar dat is normaal. Zijn boek, Musserts Schaduw, verschijnt nu eind april. Dat zijn heel leuke dingen.’

Roelant: ‘Anya Niewierra heeft een mooie quote van jou op haar boek Het Dossier staan.’

Tomas: ‘Anya stuurde mij het manuscript toe en ik dacht meteen wat is dít goed. Zij kán het. Maar ze had al een uitgever, helaas.’

Roelant: ‘Hoe was jouw jeugd in een gereformeerd milieu met een vader als spion?’

 width=
@Josia Brüggen

Tomas: ‘ Ik heb geen onaardige jeugd gehad. Ik mocht alleen niet op zondag voetballen. Verder heb ik nergens last van gehad. Jammer eigenlijk, anders had ik me daar heerlijk tegen af kunnen zetten in mijn boeken.’

Roelant: ‘Tomas Ross is een pseudoniem. Is die naam afkomstig van de Amerikaanse thriller schrijver Ross Thomas (1926-1995)?’

Tomas: ‘Nee, want in 1980 kende ik hem nog niet. Veel later heb ik hem ontmoet en hebben we boeken uitgewisseld. Mijn eerste vrouw, een Schotse, heette Ross. Indertijd was ze in verwachting en als het een jongetje zou worden zouden we die Thomas noemen. Het werd een meisje. Toen besloot ik om die naam voor mijn pseudoniem te nemen. De H liet ik weg en het werd: Tomas Ross.’

Dank je wel voor dit bijzondere interview, Tomas.

Roelant
Perfecte Buren

Eerder verschenen op Perfecte Buren.