Roest

Vrijdag, 23 april, 2021

Geschreven door: Jakub Malecki
Artikel door: Alek Dabrowski

Poolse plattelandstragiek

[Recensie] Jakub Małecki is een talentvolle Poolse schrijver en vertaler. In Polen is hij vrij bekend en heeft hij al meerdere literaire prijzen ontvangen. Hij werd geboren in 1982 en debuteerde in 2007 met een verhaal in het tijdschrift Science Fiction, Fantasy i Horror. Małecki schrijft veel verhalen, onder andere voor tijdschriften met namen als Magazyn Fantastyczny en Nowa Fantastyka. Daarnaast schrijft hij romans. Rdza uit 2017 is het eerste boek van hem dat is vertaald in het Nederlands. De vertaler is Karol Lesman.

Roest vertelt het verhaal van een kleine gemeenschap in het gehucht Chojny in het midden van Polen. Hoofdpersoon is de Szymek, die in het eerste hoofdstuk (2002) zeven jaar is. Hij speelt met zijn vriendje Budzik bij het spoor. Zij leggen munten of ijzeren voorwerpen op de rails zodat de passerende trein er klonters van maakt. Wanneer hij naar het huis van zijn oma teruggaat hoort hij dat zijn ouders zijn omgekomen bij een auto-ongeluk. Małecki beschrijft uitvoerig het mateloze verdriet van Szymek en de onmacht van oma Tośka. De jongen bewaart zijn speelgoed in de wasmachine om te voorkomen dat Onze-Lieve-Heer het van hem afpakt. Om te voorkomen dat hijzelf wordt meegenomen bindt hij zich ‘s nachts met zijn voet vast aan de radiator.

Na het eerste hoofdstuk verspringt het verhaal naar het begin van de oorlog. Dit hoofdstuk heet Drieënzestig jaar eerder. Zo is het hele boek opgebouwd. Om en om schakelt de schrijver tussen het volwassen worden van Szymek en de naoorlogse geschiedenis in het gehucht. Deze verhalen draaien vooral om Tośka. Bij het uitbreken van de oorlog is zij een jong meisje. Bijna het gehele dorp moet verhuizen om plaats te maken voor de Duitsers. In vuile goederentreinen worden zij afgevoerd. Later keren de meeste bewoners stuk voor stuk terug. De oorlog heeft sporen nagelaten. Zo is er de Onzichtbare Man die getuige was van grootschalige moordpartijen in de bossen bij Chełmno, Hij zit opgesloten in een schuur of zwerft  door de velden. Net wanneer je denkt dat hij er overheen komt, gaat het totaal mis.

Het gaat sowieso niet goed met de bewoners. De een drinkt zich kapot, de ander raakt verlamd, wordt doofstom of pleegt zelfmoord. De volgende blijft wachten op haar toekomstige echtgenoot die op de dag van de bruiloft niet komt opdagen. Zij wordt halfgek en verwaarloosd daarna zichzelf. Het leven is vaak eentonig en rauw. Tośka geeft haar hele leven lang iedere dag haar konijnen en kwartels te eten. Het dorp verlaat zij zeer zelden. Wat er daarbuiten gebeurt, heeft zij nauwelijks weet van. Grof zijn de vechtpartijen. Meerdere keren wordt er iemand halfdood geschopt. Opvallend is dat niemand het heeft over opname in een ziekenhuis of het inschakelen van de politie.

Małecki is een echte verteller. De verhalen buitelen over elkaar heen. Hij heeft veel  weg van de manier van vertellen van Wiesław Myśliwski (Over het doppen van bonen). Bij Małecki wordt de tragiek van het Poolse platteland misschien meer dan bij Myśliwski vervlochten met humor en absurdisme. De vader van Szymek is een vreemde vogel. Hij is zoötechnicus en neemt voor zijn zoon tekeningen van koeien mee naar huis. Zijn zoon mag dan de vlakken inkleuren. Als hobby heeft de vader het opstellen van fictieve dienstregelingen voor treinen. Hij heeft er schriften vol mee geschreven.

Boekenkrant

In het boek komen alle grote thema’s voorbij: volwassen worden, vriendschap, liefde en het toeval. Prachtig beschrijft hij in grote stappen het gelukkige huwelijksleven van de ouders van Szymek. Het tragische is dat je al weet dat zij noodlottig aan hun einde zullen komen. Heel mooi is de vriendschap tussen Szymek en Budzik. Zij groeien uit elkaar, maar via een omweg blijven ze met elkaar verbonden. Een sleutelscène bij het spoor keert aan het eind van het boek gespiegeld terug. Dit zag ik van verre aankomen. Dat is de enige kritiek op dit prachtboek. De literaire middelen die Jakub Małecki in zet zijn soms nogal grof. Allerlei gebeurtenissen in het heden hebben een verwijzing in het verleden. Je kunt tal van verbindingen en spiegelingen zien in het verhaal, vaak wat clichématig. Het gekke is, je doorziet de afloop van een dramatische ontwikkeling en toch word je erdoor geraakt. Dat is knap. Het is als een snik in een mooi countrynummer. Je weet dat ie komt en toch ontroert het je.

Als kind krijgt Szymek van zijn grootmoeder vaak te horen: “alles komt goed”. Hetzelfde kreeg de grootmoeder haar leven lang te horen van mensen die het beste met haar voorhadden. Terugkijkend besef je dat er helemaal niets goed is gekomen. Een doorlopend thema in het boek is geborgenheid en de angst voor de boze buitenwereld. Tośka praat erover met haar kleinzoon en zegt het volgende: “Het is goed dat je bang bent. Toen ik klein was en ik in het donker van school naar huis moest was ik ook altijd bang dat er iets uit de struiken langs de kant van de weg op me zou springen. En dat is altijd zo gebleven. Een geluid is voldoende of ik spring al op. Maar het is goed, Szymus. Want wat is het voor kunst om in het donker te lopen zonder bang te zijn voor de duisternis? De kunst is om met een bibberend lijf in het donker te lopen. Het is een groot geluk, bang zijn, Szymus. Alleen dan kun je laten zien dat je dapper bent.”

Eerder verschenen op Uitgelezen boeken