Tractatus: Logisch-filosofische verhandeling

Zondag, 6 maart, 2022

Geschreven door: Ludwig Wittgenstein
Artikel door: Karl van Heijster

Waarover men niet spreken kan

[Recensie] Toen de Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein stierf in 1951 had hij één publicatie op zijn naam staan. Dat was de Tractatus Logico-Philosophicus uit 1922. (Strikt genomen verscheen het werk voor het eerst een jaar eerder in het tijdschrift Annalen der Naturphilosophie onder de titel Logisch-Philosophische Abhandlung, maar Wittgenstein beschouwde deze uitgave zelf als roofdruk.) Het maakte hem één van de beroemdste filosofen van de twintigste eeuw. Wittgensteins baanbrekende opvattingen over taal en zijn innovaties in de logica, waaronder het gebruik van waarheidstabellen, zijn vandaag de dag nog steeds voer voor filosofisch debat.

Zegbaar, onzegbaar
De inzet van de Tractatus was niet mild: de grens aangeven tussen dat wat gedacht kan worden en dat wat ondenkbaar is. Maar die opgave is onmogelijk, want daarvoor moet je voorbij de grens kunnen denken – wat ex hypothesi onmogelijk is. Daarom probeert Wittgenstein een andere grens te trekken: tussen zinnig en onzinnig taalgebruik, dat wat zegbaar en onzegbaar is. Immers, als we weten waarover we kunnen spreken, dan weten we ook waar we over zullen moeten zwijgen. Die opvatting heeft interessante implicaties voor de filosofie en de ethiek. 

De filosofie blijkt namelijk in één klap naar het domein van de onzin te kunnen worden verwezen. Precies om die reden zei Wittgenstein met zijn boek alle filosofische problemen te hebben opgelost. Niet omdat hij een antwoord had gegeven op filosofische vragen, maar omdat hij meende te hebben aangetoond dat de vragen geen betekenis hadden. Filosofie produceert geen kennis, volgens Wittgenstein. Het is een praktijk, namelijk de praktijk van het aangeven welk taalgebruik zinnig en welke onzinnig. 

De ethiek, op haar beurt, valt een misschien wel even tragisch lot ten deel: ze blijkt in het rijk van het onzegbare te liggen. Maar let op: anders dan van het gros van de filosofie, is daarmee is niet gezegd dat Wittgenstein ethiek onzin vond. Integendeel, er is weinig belangrijker dan dat. Ethiek ontstijgt het toevallige – en precies daarom kan er niets over gezegd worden.

TijdvoorTijdschriften

Vorm
Maar minstens zo interessant als Wittgensteins ideeën, was de vorm waarin hij zijn gedachten had gegoten. De Tractatus is namelijk allesbehalve een normaal filosofisch werk. Het boek bestaat uit 525 genummerde stellingen, die zijn onderverdeeld in zeven hoofdstellingen. De eerste en de laatste daarvan zijn het bekendst: “De wereld is alles wat het geval is” en “Waarvan men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Waarschijnlijk is met name deze bijzondere vorm verantwoordelijk voor het feit dat de Tractatus, in hoofdzaak een logische verhandeling, ook een publiek vond buiten de filosofie, in modernistische kunstzinnige kringen.

Al zou de paradoxale aard van Wittgensteins gedachten ook een rol kunnen spelen. Na 523 stellingen trekt de filosoof namelijk een conclusie: als je zijn stellingen serieus neemt, dan volgt daaruit dat ze onzinnig zijn. Wie zich zijn ideeën eigen maakt, ziet dat ze niet in taal uit te drukken zijn, en dat ze daarom verworpen moeten worden. Maar als ze verworpen moeten worden, hoe kunnen ze dan tot inzicht leiden – ja zelfs alle filosofische problemen oplossen? Over die vraag wordt honderd jaar na dato nog steeds druk gediscussieerd in de Wittgenstein-literatuur.

Honderd jaar
Dit jaar bestaat de Tractatus honderd jaar, en dat is een reden voor een nieuwe uitgave. Dat dachten niet één, maar twee uitgeverijen. Zowel bij Boom als Octavio verscheen een nieuwe vertaling van Wittgensteins beroemdste werk. Beide uitgaven zijn tweetalig, met het Duitse origineel op de linker- en de Nederlandse vertaling op de rechterpagina. Hoewel de vertalingen uiteraard niet identiek zijn, heb ik geen significante verschillen tussen beide kunnen ontdekken. Omdat er een redelijke consensus bestaat over de Nederlandse vertaling van de belangrijkste begrippen in de Tractatus – een “Tatsache” is een “feit”, bijvoorbeeld, en een “Sachverhalt” een “stand van zaken” -, lopen de vertalingen op hoofdlijnen niet uiteen.

Welke uitgave verdient dan de voorkeur? Dat hangt ervan af. Wie minder bekend is met Wittgensteins vroege gedachtengoed, heeft een goede aan de uitstekende inleiding van Victor Gijsbers bij Boom. De vertaler heeft zich daarin voorgenomen om Wittgensteins taalfilosofie op een luchtige manier toegankelijk te maken voor het grote publiek. Ook zijn verklaring van de gehanteerde logische notatie, aan het eind van het boek, is een welkome toevoeging.

Wie daarentegen al wat meer kennis van de inhoud van de Tractatus heeft genomen, kan goed bij Octavio terecht. De inleiding van hoogleraar taalfilosofie Martin Stokhof focust meer op Wittgensteins ethische overwegingen, en neemt wat meer ruimte voor interpretaties van diens werk buiten de filosofie. Daarmee opent hij interessante nieuwe perspectieven. Bovendien kent deze uitgave een glossarium van de belangrijkste begrippen en een index, wat het beter geschikt maakt als naslagwerk. Ten slotte is deze uitgave op pocketformaat, wat je in staat stelt om dit filosofisch meesterwerk altijd bij je te dragen (maar misschien neemt mijn Wittgensteinliefhebberij nu de overhand!).

Welke uitgave je ook kiest, één ding staat als een paal boven water: de Tractatus is een filosofisch meesterwerk dat het verdient om gelezen en besproken te worden – of de inhoud nu in het domein van het zegbare valt of niet. 

Voor het eerst gepubliceerd op De Leesclub van Alles