Uit de doeken

Donderdag, 26 juli, 2018

Geschreven door: Frits Duparc
Artikel door: Vera Weterings

Een biografie van het Maurtishuis

[Recensie] Het Maurtishuis is een van omvang klein museum, maar heeft toch een grote naam in de internationale museumwereld. Kunsthistoricus Frits Duparc was in de periode van 1991 tot 2008 directeur van het Maurtishuis. In die periode speelden zich achter de schermen interessante zaken af in de internationale kunstwereld. Duparc was in zijn periode als museumdirecteur verantwoordelijk voor de verwerving van ruim dertig meesterwerken, en grote tentoonstellingen over onder andere Vermeer, Rembrandt en Holbein. In het boek Uit de doeken. Een biografie van het Maurtishuis neemt Duparc de lezer mee op een ontdekkingstocht aan de hand van verschillende (pogingen tot) aanwinsten voor het museum. In het boek wordt aandacht geschonken aan de vaak langdurige onderhandelingen die voorafgaan aan nieuwe aanwinsten. Aanwinsten hebben vaak een rijke historie aan interessante en soms onverwachte gebeurtenissen met verzamelaars, schenkers, vrienden, bestuurders van fondsen en stichtingen, kunsthandelaren, veilinghouders, collega’s en vrijwilligers. Het zijn vaak bijzondere verhalen over bijzondere mensen.

“Zowel die mensen als die verhalen verdienen het om herinnerd te worden.” (p. 7)

In Uit de doeken worden verschillende voorgeschiedenissen van aanwinsten voor het Mauritshuis beschreven. Zo doet Duparc een boekje open over de meest aansprekende verhalen van succesvolle aanwinsten en mislukte pogingen. De meeste verhalen kon hij putten uit eigen herinneringen, maar voor enkele verhalen heeft hij zich gebaseerd op gesprekken met de vroegere directeur van het Mauritshuis, dr. A.B. de Vries en zijn vader, dr. Mr. F.J. Duparc, die als Raadsadviseur voor Culturele Zaken op het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk nauw betrokken was bij de toenmalige Rijksmusea.

Hoewel collectievorming niet de primaire taak van een museum is, heeft Duparc het altijd als een van de kerntaken beschouwd. Hij vindt het immers een misvatting dat een collectie van welk museum ook, ooit afgerond of voltooid zou zijn, hierbij sluit hij aan bij de afscheidsrede van hoofddirecteur van het Rijksmuseum dr. Simon Levie. Die stelde immers in zijn afscheidsrede op 18 september 1989 dat “nimmer uit het oog [dient] te worden verloren dat ‘pas op de plaats’ stilstand betekent, dat stilstand achteruitgang is en dat derhalve een statische collectie gedoemd is geleidelijk aan belangstelling in te boeten.” Oftewel, een museum dat zijn collectie niet aanvult en uitbreidt, zal snel een gedateerde indruk maken en daardoor een deel van zijn functies niet meer naar behoren kunnen vervullen.

Yoga Magazine

Het Mauritshuis heeft als doelstelling de bezoeker een overzicht te tonen van de Hollandse en Vlaamse schilderkunst van de vijftiende tot het midden van de achttiende eeuw. Het aankoopbeleid van het museum is er op gericht om de belangrijkste lacunes in de verzameling op te vullen, hierbij wordt gekeken naar de eigen collectie, maar ook naar de zogenoemde ‘collectie Nederland’. Toch is collectievorming met de huidige prijzen en de schaarste van topstukken tegenwoordig niet eenvoudig. Hierbij is het een schrale troost dat het verlanglijstje van het Mauritshuis betrekkelijk kort is.

“De beperkte tentoonstellingsruimte in het Mauritshuis, is daarbij niet zozeer een belemmering maar veeleer een stimulans om te bezinnen over wat wel of niet in aanmerking komt voor verwerving.” (p. 9-10)

In Uit de doeken vertelt Duparc in zijn woord vooraf over het verzamelbeleid van het Mauritshuis en de geschiedenis van de totstandkoming van de collectie. Hoewel de vaste collectie voor het grootste deel rijkseigendom is, is de overheidsbijdrage aan de totstandkoming van deze collectie betrekkelijk bescheiden geweest. Hiermee maakt hij het voor de lezer duidelijk dat de huidige collectie met name te danken is aan particulieren. Denk hierbij aan het schilderijenkabinet van stadhouder Willem V en de nalatenschap van vijfentwintig schilderijen van oud-directeur Abraham Bredius.

Hoewel de ondertitel Een biografie van het Mauritshuis de indruk wekt dat het werk een complete geschiedenis van het museum biedt, is dat niet het geval. De lezer komt echter niet bedrogen uit. Wie de achterflap leest, weet immers meteen dat het boek gaat over het verwerven van nieuwe meesterwerken voor de museumcollectie en het inzamelen van genoeg geld. Die belofte maakt Duparc waar door per hoofdstuk een object centraal te stellen. Over het algemeen worden schilderijen gekozen, maar Duparc maakt ook een uitstapje naar de schoorstenen van het museum. Het Maurtishuis is immers niet alleen een museum met een unieke collectie Hollandse en Vlaamse kunstwerken, maar ook het gebouw is een kunstwerk op zich. De zeventiende-eeuwse Hollandse architect Jacob van Campen ontwierp het Mauritshuis als stadspaleis. Als rechterhand van Van Campen en uitvoerder werkte architect en schilder Pieter Post aan het gebouw. Dankzij een serie van negenendertig gekleurde tekeningen van Post weten we hoe zowel het interieur als het exterieur van het gebouw er toentertijd uitzagen. In 1704 verwoestte een grote brand het gehele interieur en ook vier monumentale schoorstenen op het dak. Het herstellen van die schoorstenen heeft veel voeten in de aarde gehad. Toen het Mauritshuis tussen 1982 en 1987 werd gerestaureerd wilde de toenmalige directeur Hans Hoetink de zeventiende-eeuwse schoorstenen reconstrueren, na een felle discussie met de Rijksgebouwendienst en restauratiearchitect Hans Mol werd dit afgewezen onder het mom van geschiedvervalsing. Toen ruim tien jaar later het restauratieatelier van het museum verplaatst werd van een externe locatie naar de museumzolder was het nodig twee afzuigkappen te plaatsen. Om de afvoerpijpen van de afzuiging te camoufleren werd door Duparc opnieuw voorgesteld om de zeventiende-eeuwse schoorstenen te reconstrueren. De Rijksgebouwendienst ging na enig gesteggel akkoord om twee schoorstenen te betalen, er waren immers maar twee afvoerpijpen nodig. De andere twee schoorstenen werden gefinancierd door de Stichting Levi Lassen en de Amerikaanse Vriendenstichting.

Duparc vertelt echter niet alleen succesverhalen in Uit de doeken, ook vertelt hij over het treurige verhaal van het gestolen bloemstilleven van Savery uit 1609. Dit schilderij zou in 1939 uit de verzameling van De Stuers zijn verkocht. Dit was echter opvallend gezien de opvatting van De Stuers en diens dochter omtrent het behoud van het Nederlandse culturele erfgoed. Na een telefoongesprek met de kleinzoon van De Stuers kwam Duparc er achter dat het schilderij in de Tweede Wereldoorlog was gestolen. Toen een veilinghuis in Bremen de veiling van het schilderij aankondigde, bleven zij volhouden dat het schilderij al in 1939 van Nederlandse in Duitse handen was overgegaan en de Rijksdienst van Beeldende Kunst en het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie beschikten niet over relevante gegevens. De familie De Stuers nam een advocaat in handen en Duparc nam contact op met bevriende kunsthandelaren om hen op de hoogte te brengen van de geschiedenis van het schilderij. Op de veiling bood geen van de aanwezige kunsthandelaren en verzamelaars op het schilderij, er was echter een bieder via de telefoon aan wie het schilderij uiteindelijk werd verkocht. De Duitse advocaten die de kleinzoon van De Stuers had ingeschakeld, concludeerden dat een proces in Duitsland minder dan vijftig procent kans van slagen had. Volgens het Nederlands recht is het verboden om in oorlogstijd kunst te verkopen aan de vijand. De Staat der Nederlanden kan zulke kunstwerken dus opeisen, in 1993 wilde het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen echter geen medewerking verlenen aan de pogingen van het Mauritshuis om het schilderij naar Nederland terug te halen. Sterker nog, Duparc werd op het matje geroepen omdat de minister als gevolg van zijn interventie ‘lastige kamervragen’ en ook vragen van journalisten over de zaak had gekregen. Tegenwoordig is de houding van de regering gelukkig veranderd, waar het stuk zich heden ten dage bevindt is echter nog steeds onduidelijk.

Een ander markant verhaal is dat van het Boslandschap met boerenhoeven van Meindert Hobbema. Dit werd met hulp van het Rijk via de minister van Financiën en de president van de Nederlandsche Bank aangekocht doordat Duparc hen wees op de ereschuld die ingelost diende te worden. In de jaren vijftig had de overheid immers een ander werk van Hobbema als gift gegeven aan Canada als dank voor de heldhaftigheid van Canadese soldaten in de Tweede Wereldoorlog en de rol die zij speelden in de bevrijding van Nederland. Hoewel een blijk van dankbaarheid aan Canada op zijn plaats was, was de gift niet zuiver. Het schilderij was weliswaar Rijkseigendom, maar aangekocht door het Mauritshuis met particuliere gelden.

De wervingsverhalen die Duparc in Uit de doeken met de lezer deelt zijn fascinerend, daarbij is het boek vlot geschreven waardoor het heerlijk weg leest. Duparc deelt zestien succesvolle en minder succesvolle verhalen over de pogingen de collectie van het Mauritshuis completer te maken. De verhalen geven een inkijkje in de bijzonder genereuze beweegredenen van enkele particuliere schenkingen, opmerkelijke wervingsgeschiedenissen van schilderijen en uitgebreide onderhandelingen die voorafgaan om de miljoengelden bij elkaar te krijgen. Uit de doeken is dan ook bijzonder interessant voor een ieder die geïnteresseerd is in hoe de collectie van het Mauritshuis de afgelopen jaren is aangevuld en wat hieraan vooraf is gegaan.

Eerder verschenen op Hereditas Nexus