Veilige gebieden

Woensdag, 1 juli, 2015

Geschreven door: Joris Voorhoeve
Artikel door: Marnix Verplancke

Joris Voorhoeve over de val van Srebrenica

Op 11 juli zal het exact twintig jaar geleden zijn dat de Bosnische vluchtelingenenclave Srebrenica in Servische handen viel. In de dagen erna doodden de Serviërs meer dan 8000 Bosniërs, vooral mannen. Een gesprek met Joris Voorhoeve, destijds Nederlands minster van defensie en dus verantwoordelijk voor de uitzending van Dutchbat, de blauwhelmen die de bevolking van Srebrenica dienden te beschermen en schromelijk mislukten in hun opdracht: “Daar hadden nooit blauwhelmen moeten zitten, maar wel reguliere NAVO-soldaten”.

In 1991 keerde de oorlog terug naar Europa. Voor het eerst sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog werd er weer op grote schaal gevochten. De aanleiding was het autonomiestreven van de Joegoslavische deelstaten. Slovenië en Kroatië riepen op 25 juni de onafhankelijkheid uit. Voor Slovenië had dat geen gevolgen, maar Kroatië wou Servië niet laten gaan. Het oude Joegoslavische leger werd erop afgestuurd, maar na een korte strijd diende dit af te druipen. Toen Bosnië-Herzegovina een jaar later op zijn beurt uit het oude Joegoslavische keurslijf weg wou, sloeg de vlam pas echt in de pan. Onder de politieke leiding van de psychiater en dichter Radovan Karadzic en de militaire van Ratko Mladic begonnen de Bosnische Serviërs een bijzonder gewelddadige en vuile oorlog waarbij vooral het islamitische deel van de bevolking in het vizier werd genomen.

In februari 1992 zond de VN-Veiligheidsraad een vredesmacht naar Bosnië, UNPROFOR. De opdracht: neutraal tussen de strijdende partijen staan en de bevolking van de nodige humanitaire hulp voorzien. De troepen kregen slechts pantserwagens en lichte wapens mee. In geval van nood kon er beroep gedaan worden op luchtsteun, maar welke voorwaarden daar precies aan verbonden waren, was niet duidelijk. Vooral Rusland, een trouwe bondgenoot van Servië, hield iedere vorm van echt actie tegen. Om de moslimbevolking te beschermen stelde de VN zes ‘veilige gebieden’ in, Sarajevo, Srebrenica, Tuzla, Zepa, Bihac en Gorazde, enclaves binnen het door de Servische Bosniërs bezette gebied waar de blauwhelmen het in theorie voor het zeggen hadden. In de praktijk waren die gebieden echter helemaal niet veilig. Er waren massa’s wapens aanwezig en regelmatig deden de moslims uitvallen naar de omliggende Servische dorpen, waarbij naar lieve lust geplunderd en gemoord werd.

Dutchbat, zoals de Nederlandse blauwhelmen heetten, was de enige eenheid die Srebrenica wou beveiligen. In de lente van 1995 zaten er 420 soldaten die de veiligheid van 40.000 vluchtelingen dienden te garanderen. Bovendien lag Srebrenica in een dal en stonden de bergen er omheen vol Servisch artilleriegeschut. Eén woord van Mladic en een halve dag later bestond de enclave niet meer, beseften zowel Bosniërs als Nederlanders. Dat woord kwam er in juli 1995. De Serviërs trokken op naar Srebrenica en veroverden de enclave op de 11e. Dutchbat vroeg acht keer om luchtsteun. Steeds werd die geweigerd. Een negende keer stegen er vier vliegtuigen op, maar dat was too little too late. De enclave was al gevallen. Omringd door tot de tanden bewapende Serviërs kon Dutchbat niets anders dan onderhandelen met Mladic over het vrijgeven van de vluchtelingen. Dat gebeurde uiteindelijk, op de voorwaarden van de Serviër, die bussen liet aanrukken en de mannen van de vrouwen, kinderen en bejaarden scheidde. De Bosnische autoriteiten beschikken over een lijst van 8373 namen van mannen die sindsdien vermist of vermoord teruggevonden zijn. In 2004 oordeelde het in Den Haag gevestigde Joegoslavië-tribunaal dat sprake was van genocide.

Boekenkrant

Had Nederland de opdracht om Srebrenica te beschermen wel moeten aanvaarden?

Joris Voorhoeve: ‘Het veilige gebieden-beleid was goed zoals het in 1993 op papier stond, maar buitengewoon slecht zoals het door de VN werd uitgevoerd. De Nederlandse regering had in januari 1994 met de VN en de NAVO bijkomende afspraken moeten maken. En het had hard kunnen onderhandelen aangezien niemand anders bereid was om te gaan. Het had moeten eisen dat er ook een veto-houdend lid van de Veiligheidsraad meeging, dat exact gespecificeerd werd hoe de luchtsteun zou worden verleend en dat wanneer de bevoorrading over de weg niet mogelijk was, die via een luchtbrug zou gebeuren. Als aan die drie voorwaarden voldaan was geweest, waren de Serviërs van Srebrenica afgebleven.’

Waarom was het belangrijk er een veto-houdend lid van de Veiligheidsraad bij te hebben?

Voorhoeve: ‘Bij het bestuderen van de gedeclassificeerde documenten van de CIA in de Clinton Library viel me op dat de discussies in de VS over het falende Bosnië-beleid ingingen op de Britse en Franse posities. Dutchbat werd nergens genoemd. Een klein land als Nederland was voor de Amerikanen niet belangrijk. En voor de Serviërs ook niet. Als de Britse of Franse vlag boven Srebrenica had gewapperd, ook al zaten er maar vijftig soldaten, zou die enclave veel meer opgevallen zijn. Dan stond immers het Britse of Franse prestige op het spel.’

Britten en Fransen hebben een grotere afschrikkingskracht dan Nederlanders?

Voorhoeve: ‘Het grote probleem met die term was dat hij na vijftig jaar Koude Oorlog geïdentificeerd werd met nucleaire afschrikking en daardoor extreem negatief werd gepercipieerd. Afschrikking is echter een eeuwenoud gebruik in de oorlogvoering. Het is zelfs het meest humane veiligheidsbeleid. Je toont dat je het vermogen en de besluitvaardigheid hebt om vreselijk hard toe te slaan, en zo intimideer je je tegenstander. Het probleem was dat afschrikking wel door de Serviërs, maar niet door de VN werd toegepast. De Serviërs dreigden er iedere keer mee de bevolking van Tuzla te beschieten met mortieren, en dan vielen er weer een paar honderd slachtoffers. Dat maakte de VN-leden ontzettend bang. Bovendien zaten de blauwhelmen door het hele land verspreid, in heel makkelijk te grijpen posities. Als Mladic niet tevreden was, gijzelde hij VN-militairen.’

Er schortte dus iets aan het ontwerp van de vredesoperatie?

Voorhoeve: ‘Dat was helemaal verkeerd. Het had geen blauwhelmenoperatie moeten zijn.

We hadden gewone NAVO-soldaten moeten sturen. Het opzet van UNPROFOR was fout en dat kwam wellicht door de omslag in het denken vanaf het einde van de Koude Oorlog. Men werd veel te soft. Theodore Roosevelt zei ooit: “Speak,softly and carry a big stick”. De Veiligheidsraad draaide dat in het begin van de jaren negentig om: “Speak stickingly and carry a big soft”. In feite is dat een samenvatting van het hele drama.’’

Waarom werden de Bosnische moslims niet geëvacueerd?

Voorhoeve: ‘Dat is een heel terechte vraag. De inwoners van Srebrenica verkeerden in zo’n kwetsbare positie dat ze daar eigenlijk weg moesten. Een van de eerste dingen die ik deed toen ik op 22 augustus 1994 minister van defensie werd, was Mohammed Sacirbey, ambassadeur van Bosnië bij de VN, voorstellen dat de moslims met de Serviërs zouden onderhandelen om een stuk grond te ruilen. Srebrenica in ruil voor een Servisch stuk land palend aan centraal Bosnië. De bevolking zou dan veilig gehuisvest kunnen worden in een aaneengesloten gebied. Voor Sacirbey was dat onbespreekbaar omdat dit meewerken was aan etnische zuivering. Ik heb me daar bij neer moeten leggen.’

Wellicht de belangrijkste vraag wanneer het over Srebrenica gaat: Dutchbat vroeg in totaal negen keer om luchtsteun. Waarom kreeg het die pas de laatste keer?

Voorhoeve: ‘In mei had Generaal Rupert Smith opdracht gegeven om Servische munitie-opslagplaatsen te bombarderen. Mladic reageerde daar fel op. Hij beschoot Tuzla, waarbij een paar honderd slachtoffers vielen, en hij gijzelde 340 Franse en Britse blauwhelmen. President Chirac was razend. Nooit worden er nog luchtaanvallen uitgevoerd zonder dat ik ze heb goedgekeurd, zei hij. Op 27 mei overlegden Chirac en de Britse premier Major met Clinton. Schoorvoetend ging de VS akkoord met de twee andere partijen dat er geen luchtmacht meer mocht ingezet worden. Wat opvalt is dat Dutchbat en Srebrenica toen niet ter sprake zijn gekomen. Men heeft niet stilgestaan bij de belofte die VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali aan het Nederlandse kabinet had gedaan in januari 1994, dat er indien nodig binnen de twee uur luchtsteun zou komen. Bovendien zei men dat Srebrenica niet te verdedigen was.’

Maar u niet?

Voorhoeve: ‘Op de grond was Srebrenica inderdaad niet te verdedigen, maar wel vanuit de lucht. Een paar flinke klappen hadden Mladic op andere ideeën kunnen brengen. Om zijn wegblokkades te omzeilen was ik er vanaf januari 1995 voorstander van om de enclave met helicopters te bevoorraden, denkend aan de West-Berlijn-problematiek van 1948. Het was een manier om onze solidariteit met die mensen te tonen. De Franse UNPROFOR-bevelhebber, generaal Bernard Janvier wou dat echter niet. Stel dat er een helicopter neergeschoten wordt, zei hij, dan moeten we terugslaan en zo komt het vredesproces in het gedrang. Dat was typisch Janvier, die voorzichtigheid. Hij hield rekening met de 30 – en later 56 – Dutchbatters die in handen waren van de Serviërs en die geëxecuteerd konden worden.’

Wat zou u gedaan hebben?

Voorhoeve: ‘Op 9 juli werd ik gebeld namens de UNPROFOR-bevelhebber in Zagreb met de vraag hoe ik tegenover luchtaanvallen stond in het licht van die Nederlandse gijzelaars. Toen heb ik letterlijk gezegd dat de VN het niet kon maken om geen luchtsteun te geven, ook al wist ik dat dit Nederlandse levens kon kosten. De volgende dag werd mij ’s avonds door UNPROFOR vanuit Tuzla gemeld dat er veertig tot zestig NAVO-vliegtuigen Servische doelen omheen Srebrenica gingen bestoken. De ochtend nadien was natuurlijk mijn eerste vraag: “En?” Het antwoord: “Niets”. Waarom niet? Omdat er slecht zicht was. Maar dat heb je natuurlijk altijd ’s nachts. Vliegtuigen beschikken over elektronica om daaraan te verhelpen. Dutchbat had de exacte coördinaten van 32 artilleriestukken doorgegeven aan UNPROFOR. Op 11 juli werd er opnieuw om luchtsteun gevraagd. Die werd afgewezen. De Serviërs waren de enclave toen al binnengereden. Pas toen zij de pantserwagens voorbij waren gereden die de weg blokkeerden naar het stadje zelf, besloot Janvier luchtsteun goed te keuren. Dat was rond de middag. De NAVO heeft toen vier vliegtuigen laten opstijgen. De twee Amerikaanse zeiden geen doel te kunnen vinden. Een van de twee Nederlandse liet een bom vallen op een Servische tank. Het was dan vier uur en de NAVO besliste dat de vliegtuigen moesten terugkeren. Om half vijf liep het bericht binnen dat Mladic dreigde met het executeren van Dutchbatters en het beschieten van de vluchtelingen met mortieren. Premier Wim Kok, minister van Buitenlandse Zaken Hans Van Mierlo en ik reageerden meteen dat het waanzin was om ermee door te gaan. De enclave was immers al gevallen. We hebben daarop de NAVO en de VN gebeld, maar de actie was inmiddels al afgeblazen door die eerste, door UNPROFOR in Sarajevo en door generaal Janvier zelf.’

Over de rol van generaal Janvier doen de wildste geruchten de ronde, dat hij Mladic beloofd had geen luchtsteun te geven aan Dutchbat in ruil voor het leven van 20 gegijzelde Franse soldaten bijvoorbeeld. Wat is daar van waar?

Voorhoeve: ‘Janvier is niet beschikbaar voor de pers. Na zijn periode in Bosnië is hij hoofd van een militaire school geworden. Ik heb hem een keer ontmoet en ik vond het een plichts- en gewetensvolle militair die bezweek onder de druk die op hem werd uitgeoefend. Janvier heeft anderhalve maand voor de val van Srebrenica met Mladic onderhandeld over het vrij krijgen van de Franse en Britse blauwhelmen. Er is voortdurend gespeculeerd dat toen afspraken zijn gemaakt dat er geen luchtwapens meer ingezet zouden worden. Bewijs van een dergelijke afspraak heb ik niet kunnen vinden. Ook het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie heeft zich op dit vraagstuk geworpen en zegt geen bewijs te hebben dat er een afspraak bestond tussen Janvier en Mladic. Ik kan niet anders dan van deze feiten uitgaan.’

Gaven de VN-troepen zich niet al te makkelijk gewonnen omdat Mladic een aantal van hun soldaten gegijzeld hield? Stel je voor dat dit tijdens WO II gebeurd was, dan leefden we nog steeds onder de nazi’s.

Voorhoeve: ‘WO II was een reguliere oorlog, terwijl dit een blauwhelmenoperatie was. De – voltrekt foute – gedachte was dat men neutraal tussen de oorlogspartijen in kon staan. Niemand had de Serviërs de oorlog verklaard. UNPROFOR vond dat men geen oorlog kon voeren tegen de oorlogvoerende partijen. Het enige wat het wou was de eigen militairen beschermen.’

Waarom verdedigde Dutchbat zich niet tegen de binnentrekkende Serviërs?

Voorhoeve: ‘Dutchbat heeft zijn opdrachten uitgevoerd: een blokkeerpositie innemen en vuur geven. Maar de Serviërs trokken er omheen. Die positie beschikte over 50 infanteristen met pantserwagens en licht geschut. De Serviërs hadden tussen de 1000 en 1500 man, tanks en zwaar geschut. Bovendien zaten ze op de heuvels en konden ze makkelijk naar beneden schieten. Een gevecht op de grond was door Dutchbat onder alle omstandigheden verloren.’

Nadat de Serviërs Srebrenica hadden ingenomen kreeg Dutchbat de zorg over 27.000 vluchtelingen. Op Youtube staat een filmpje waarop te zien is hoe Dutchbat-overste Karremans met Mladic onderhandelt over hun lot. Karremans lijkt geen partij voor de Serviër. Hij is duidelijk doodsbang. Hadden de onderhandelingen niet door iemand anders gevoerd moeten worden?

Voorhoeve: ‘De UNPROFOR-opdracht om die burgers te evacueren uit Srebrenica had natuurlijk door een hoge VN-generaal met Mladic besproken moeten worden. De Nederlandse chef defensie-staff was op dat moment in Zagreb. Hij vroeg Janvier of hij akkoord ging met de evacuatie. Janvier heeft toen toegezegd dat hij zelf met Mladic zou gaan onderhandelen. Hij heeft dit echter niet gedaan. Waarom weten we niet. Voor de groep van 27.000 had Dutchbat maar één dag voedsel. De UNPROFOR-leiding in Sarajevo gaf Karremans de opdracht Mladic te zeggen dat die van de mensen moest afblijven en hen allemaal samen diende te evacueren. Karremans herhaalt dat negen keer tegen Mladic, kun je op Youtube zien. Nadat Mladic hem eerst flink heeft uitgescholden, zegt hij op het einde dat het tijd is om er een glas op te drinken. Karremans weigert dat. Mladic herhaalt nog eens dat officieren drinken en Karremans weigert weer. Dan krijgt hij een glas in de handen geduwd en wordt de indruk gewekt dat hij met Mladic aan het toasten is op diens overwinning, alsof hij de enclave had overgeleverd aan de Serviërs. Hier zie je de macht van het videobeeld. Iedereen krijgt dat te zien en wat men niet ziet, schijnt niet gebeurd. Mladic verscheen de volgende dag met honderd bussen, terwijl de VN die evacuatie natuurlijk zelf had moeten uitvoeren. Zelf had ik gewild dat het Belgisch-Nederlands transportbataljon dit had gedaan. Dat men toen Mladic zijn gang heeft laten gaan is buitengewoon pijnlijk.’

Er wordt beweerd dat Dutchbat wist wat er met de moslimmannen zou gebeuren en dat het zelfs heeft meegeholpen om de vrouwen van de mannen te scheiden.

Voorhoeve: ‘De Dutchbat-leiding was ervan overtuigd dat iedereen naar centraal Bosnië zou worden gebracht. De deportatie door de Serviërs ging razendsnel. Die bussen arriveerden. Mensen werden erin gepropt. Er werd met geweerkolven geslagen. Een aantal Dutchbatters kwam tussenbeide om dit geweld te stoppen. Daarop maakten zij een sluis waardoor de mensen netjes naar de bus konden lopen. Karremans vertrouwde het niet en stond erop dat er Dutchbatters zouden meegaan op de bussen. Met de weinige voertuigen waarvoor hij nog diesel had wou hij ook meerijden met de bussen. De Serviërs weigerden dat. Niemand weet wat er zou gebeurd zijn wanneer de Dutchbat-leiding zou gezegd hebben: “die mannen blijven hier, schiet ons maar dood”. Maar mag je dat van militairen vragen? Op dat moment vermoedde niemand trouwens dat er een massamoord ging plaatsvinden.’

Dutchbatters maakten foto’s van de geëxecuteerde moslims die ze vonden. Bij de ontwikkeling van het filmpje werd een verkeerd product gebruikt waardoor het verloren ging. Geef toe dat dit verdacht lijkt.

Voorhoeve: ‘Heel verdacht, maar het is een non-issue. Alleen de ooggetuigenverslagen van de militairen die die lijken hebben gezien zijn van belang. Hun verklaringen zijn opgenomen: hoe die lijken erbij lagen, waar er schotwonden waren, wanneer ze ze hebben gezien en ga zo maar door. Ik heb die verslagen overhandigd aan Justice Goldstone van het Oorlogstribunaal. Voor de juridische rechtsgang is dat filmpje irrelevant. Het mislukken van het ontwikkelen van dat fotorolletje is naderhand een symbool geworden van het knoeien met informatie aan de kant van de Nederlandse landmacht. En daardoor is het natuurlijk weer wel relevant. Ik heb het twee keer juridisch laten onderzoeken en beide keren kwam met tot dezelfde conclusie: het was een oenige fout van de ontwikkelaar die twee flessen heeft verwisseld.’

Lag u als minister wakker van de slechte afloop?

Voorhoeve: ‘Ja, dat is afgrijselijk. Sommige Dutchbatters hebben toen ze op 15 en 16 juli werden weggebracht vanuit de Servische posities waar ze zaten honderden lijken zien liggen. Dat was zwaar, maar eens thuis werd het voor sommigen nog zwaarder. Uit de laatste groep van 420 Dutchbatters die in Srebrenica zaten hebben inmiddels vijf mannen zelfmoord gepleegd. Ik denk dat zij het gevoel hadden in de steek gelaten te zijn. Sommigen konden hun verhaal niet kwijt aan hun familie of vrienden.’

Voelt u zich daar verantwoordelijk voor?

Voorhoeve: ‘Louter formeel is het zo dat het land dat troepen levert aan de VN niet verantwoordelijk is voor wat er tijdens een missie gebeurt. De VN neemt immers het bevel over, al kan het land in kwestie altijd beslissen dat het genoeg is geweest en de troepen terugroepen. Als je minister wordt, teken je voor de ministeriële verantwoordelijkheid, dus ook voor de verantwoordelijkheid voor besluiten die anderen voordien hebben genomen. Het is zoals bij het kopen van een huis. Je tekent de eigendomsakte en dan ben je verantwoordelijk voor de verborgen gebreken.’

Waarom bent u niet opgestapt?

Voorhoeve: ‘Ik heb twee keer mijn ontslag willen aanbieden. Na Srebrenica ben ik naar premier Kok gegaan met de vraag of ik niet beter kon aftreden. Zijn reactie was dat ik door af te treden de schuld voor het vallen van de enclave naar Nederland toe zou trekken. Dat moet je niet doen, zei hij, want dat strookt niet met de waarheid. Later ben ik samen met mijn toenmalige fractievoorzitter nog eens naar Kok gegaan om hem te melden dat ik ermee ophield. De directe aanleiding daarvoor was het vreselijke ongeluk met een Belgische C-130 Hercules op de vliegbasis Eindhoven, op 15 juli 1996, waarbij de vier Belgische bemanningsleden en dertig Nederlandse militairen omkwamen. Mijn indruk was toen dat defensiepersoneel daarbij niet snel genoeg levensreddend had opgetreden. Kok wou mijn ontslag ook toen niet aanvaarden. Als je dit doet, wek je de indruk dat je in feite dit vreselijke ongeluk gebruikt om alsnog van de blaam van Srebrenica af te komen, zei hij.’

Heeft u spijt dat u naar Kok heeft geluisterd?

Voorhoeve: ‘Over wat er in Srebrenica is gebeurd, ben ik in de Kamer uitgebreid gehoord. Zowel regering als oppositie aanvaardden het gevoerde beleid. Die hoorzittingen werden afgesloten op 19 december 1995. Wat ik mezelf verwijt is dat ik de ochtend nadien niet naar premier Kok ben gestapt om mijn opdracht neer te leggen. Dat was voor het departement, voor Dutchbat en uiteindelijk ook voor mezelf beter geweest. De critici die zeiden dat ik moest aftreden, geef ik achteraf dus gelijk. Maar wel pas nadat ik verantwoording had afgelegd. Wie te vroeg aftreedt wekt immers de indruk te willen vluchten, en dat is niet goed. Na een ramp moet je niet aftreden, maar wel optreden.’

Toonde de val van Srebrenica niet aan hoe machteloos Europa is zonder de VS?

Voorhoeve: ‘Er was geen regie in UNPROFOR. Keer op keer vroegen we ons in het Nederlandse kabinet af wie de leiding had in die operatie. Dit sloeg om na de moordpartijen in Srebrenica. Voor de Amerikaanse politiek kon het zo niet langer, waarna Boutros-Ghali, diens adviseur Yasushi Akashi en Janvier feitelijk aan de kant werden geschoven. Op het moment dat Janvier naar een bruiloft ging en het besluit over eventuele bombardementen bij Rupert Smith kwam te liggen, schoot men in actie. “Dit zijn de doelen,” zei hij, “We gaan nu bombarderen. Het is al laat. Ik ga naar bed. Doe de groeten aan meneer Karadzic.” Die nacht gingen de munitie-opslagplaatsen in Pale eruit en de artilleriestellingen op de berg Igman bij Sarajevo. En ik ben er nog steeds heel trots op dat die allemaal door Nederlandse mariniers zijn vernietigd. De boodschap die uitging van Amerikaanse bombardementen werd door de Serviërs begrepen. Het werd tijd om te onderhandelen, met het Verdrag van Dayton van eind 1995 als resultaat.’

Wat hebben we geleerd uit de val van Srebrenica?

Voorhoeve: ‘De Duitse filosoof Johann Gottlieb Fichte zei ooit: “Wat we uit de geschiedenis leren is dat we er niet uit leren”. Zo hoeft het niet te zijn. De fouten van UNPROFOR hoeven niet te worden herhaald. Het veilige gebieden-beleid wordt volgens mij steeds belangrijker in onze woelige wereld. De voornaamste voorwaarde is een behoorlijke luchtmacht ter beschikking te hebben, zowel voor de aanvoer van goederen als ter afschrikking van de oorlogvoerende partijen. Er moet een no-fly-zone en een artillerievrije zone komen. Belangrijk is ook het gebied onder internationaal gezag te stellen en het zo eigenlijk uit de oorlog te halen. Naderhand zit je wel met het dilemma wat je met dat veilige gebied gaat doen. Komt er een fatsoenlijke regering in dat land, dan kun je daar afspraken mee maken. Als dit niet kan en de oorlog blijft woeden of er een criminele regering komt die de eigen bevolking bedreigt, rest altijd de optie dat het gebied zich onafhankelijk verklaart.’

Tot zo ver de theorie. Heeft de VN haar acties ook werkelijk veranderd in die zin?

Voorhoeve: ‘Het denken is er alleszins op vooruitgegaan. Sinds 2005 eren we de responsibility to protect-doctrine, al hebben we die in Libië niet goed toegepast. President Hollande zei dat hij geen Srebrenica wou in Bengazi. We gingen dus de bevolking beschermen, wat leidde tot het omverwerpen van het Khadaffi-regime. Alleen is Libië geen staat. Het is een gebied. Er zijn geen stevige staatsinstellingen. De bestaande strijdgroepen wilden niet ontwapend worden en de nieuwe Libische regering kon er geen greep op krijgen. Er had een forse internationale hulpoperatie opgezet moeten worden om Libië op de been te helpen, om het land te ontwapenen, de strijdende jongelui te herintegreren door ze een baan te bezorgen en te investeren in het land. Dat is niet gebeurd. Vandaar de chaos vandaag. Naast een responsibility to protect hebben we volgens mij dus ook een responsibility to rebuild. Wat we nu doen is de chirurg spelen, het gezwel verwijderen en daarna tegen de patiënt zeggen dat hij zichzelf maar dicht moet naaien. Geen wonder dat die daarna doodziek wordt.’

Wie is Joris Voorhoeve (°1945, ’s-Gravenhage)

* 1979: Hoogleraar Internationale Betrekkingen en Ontwikkelingen aan de universiteit van Wageningen

* 1982 – 1991: Lid van de Tweede kamerfractie van de liberale VVD

* 1986 – 1990: Partijleider en fractieleider van de VVD in de Tweede kamer

* 1991: Verlaat het parlement en wordt directeur van het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael

* 1994 – 1998: Minister van Defensie

* 2007: Voorzitter van de raad van toezicht van Oxfam Novib en vanaf 2013 van Oxfam International.

* 2010: Stapt uit de VVD omwille van ethische bezwaren tegen een eventuele samenwerking met de PVV van Geert Wilders. Sindsdien is hij lid van het links-liberale D66

Verschenen in Knack


Laat hier je reactie achter:

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Alleen inhoudelijke reacties die gaan over het besproken boek en/of de recensie worden geplaatst.