Verzameldrift. Biografie van Nanne Ottema (1874-1955)

Donderdag, 22 september, 2022

Geschreven door: Antoon Ott
Artikel door: Chris Reinewald

‘O sjuch ris!’ [O kijk ‘es]

[Recensie] Of de Friese notaris en cultuurdrager Nanne Ottema (1874-1955) blij zou zijn geweest met deze biografie valt te betwijfelen. Dankzij zijn betrokkenheid bij de invloedrijke Ottema-Kingma Stichting promoveerde bijna-naamgenoot Antoon Ott (1972), jurist/kunsthistoricus, begin juli op Ottema. Zijn kloeke maar vlot leesbare biografie – met twee leeslinten – is opgebouwd volgens de literaire wetten op universitair niveau.

Waar nodig bewandelde Ott zijwegen en trok anekdotes na om het imagobepalende ‘Nachleben’ van Ottema helder te krijgen.

Tijdens jaarvergaderingen van de Ottema-Kingma Stichting (OKS), de grote financier van het Fries Museum en haar tweelingzus Keramiekmuseum Princessehof, beiden in Leeuwarden, kan het er hard aan toe gaan. Geheel in de ‘Frieszinnige’ geest van hun naamgever Nanne Ottema (en zijn vrouw Grietje Kingma) staat men pal voor zijn nalatenschap: Oosterse keramiek, Friese objecten en – niet onbelangrijk – het nagelaten kapitaal. Daaruit werd ook deze biografie gefinancierd.

In de wandelgangen klinken nog steeds sterke verhalen over Ottema zoals dat over het dure studieboek. Ottema vond dat dit net verschenen werk thuishoorde in de bibliotheek van het Princessehof – waarvan hij directeur van was.

Kookboeken Nieuws

Als niet-kunsthistorisch geschoold liefhebber schaafde Ottema zijn leven lang zijn kennis met vakliteratuur bij. Wat hij las vatte hij in schriftjes samen. En zo werd dit boek onverwijld uit het museumbudget aangeschaft. Direct nadat het in de museumbibliotheek stond kwam Ottema het lenen om het boek vervolgens jaren niet meer terug te brengen.

Dit ‘sterke verhaal’ las ik trouwens niet terug in de biografie.  

Dwingende demon 
Ott onderbouwt de biografie met controleerbare feiten om Ottema’s karakter te typeren. In het begin domineren diens ietwat karikaturale trekken. Ottema, autodidact op cultuurgebied, verzamelde “heterogeen om daarmee een homogene collectie op te bouwen.” Ott merkt op dat de onrustige Ottema zich moeilijk kon concentreren om tot een doortimmerde cultuurbeschouwelijke classificatie te komen.

Aanvankelijk interesseerde hem alleen antieke Chinese keramiek. Ottema negeerde die uit Japan tot hij van een oudere collega-verzamelaar diens Japonica-collectie kon verwerven. Grote musea in de Randstad hadden het nakijken.

Een antiekhandelaar, waar Ottema vaak kocht, herinnerde hem als “eenzaam mens, opgejaagd door een demon die hem dwong almaar meer te verzamelen.”

Om te ontspannen van de werkweek op het notariskantoor struinde Ottema op de vrijdagmiddag een aantal Leeuwardense antiekwinkels af. Hij koos uit wat men hem aanbood. Dus kon een antiquair altijd wel iets aan Ottema kwijt. Ook Friese voorwerpen: kinder- en volksprenten, textiel, gebruiksgoed zoals mesheften. Daarvoor liet men de koopgrage notaris wel de hoofdprijs betalen. Ottema onderhandelde als het handjeklap-spel als op de veemarkt. Zo verwierf hij de weinig vleiende reputatie als ‘neringzieke laatbetaler’.

In zijn jongere jaren – hij begon al op zijn 13e met verzamelen – had Ottema nog weinig te besteden. Pas door een huwelijk met de rijke Friese boerendochter Grietje Kingma, verwierf hij meer kapitaal. Zij erfde veel van haar vader, die jong aan de Spaanse griep was gestorven. Omdat zijzelf ook ziekelijk was overwinterde Kingma meestal in Ajaccio op Corsica om er te kuren. Haar afwezigheid bood Ottema de mogelijkheid ongestoord naar hartenlust te kopen, exposities en veilingen te bezoeken en te studeren. Van alles maakte hij aantekeningen, zoals dat een notaris betaamt. Door zijn praktijk met boeren-nalatenschappen wist hij hoe je behendig erfgoed verwerft – zelfs als de andere partij het Rijksmuseum heet. Maar, eerlijk is eerlijk, zonder Ottema’s eigen nalatenschappen hadden Fries Museum en Keramiekmuseum Princessehof nooit de statuur gekregen die zij nu hebben.

Uranist?
Tijdens zijn leven was Ottema’s geaardheid een taboe. Tegenwoordig moet een biograaf ook dit aspect uitspitten. Kortom: hoogstwaarschijnlijk hadden Nanne en Grietje een verstandshuwelijk. Maar harde bewijzen dat Ottema een ‘praktizerend uranist’ (om de 19e eeuwse benaming voor homoseksualiteit te bezigen) zou zijn kon Ott niet vinden.

Zijn verzamelwoede en zijn latere betrokkenheid als ‘cultuurpaus’ bij stichtingen en musea doen denken aan de tussen 1960 en 1997 alom aanwezige Benno Premsela, vormgever-verzamelaar, die overigens wel openlijk homo was. Ottema hield zijn privéleven verborgen achter de deuren van zijn eenvoudige, maar steeds voller rakende woonhuis in Leeuwarden. Op hogere leeftijd beperkte Ottema zich meer tot lokale contacten.

Ott sluit af met schema’s en lijsten als statistische weerslag van Ottema’s  verzameldrift en functies in het Fryske en landelijke cultuurleven. Tussen de vele regels door lees je dat Ott eigenlijk weinig warme gevoelens voor Ottema koestert. Diens vriendschappen vloeiden veelal voort uit verzamelaarscontacten. Treurig en veelzeggend is een advertentie die Ottema vanaf zijn ziekenhuisbed in de krant liet plaatsen. Daarin riep hij ‘oude vrienden’ op om herinneringen te delen

Hoe Ottema zelf – met een mensenleven afstand – herinnerd wordt, hangt samen met zijn naoorlogse jaren. Hij was er niet aardiger op geworden, verloor zijn greep op de tijd en andere verhoudingen waarin zijn gemarchandeer en dubbele agenda’s onacceptabel waren.

Ottema werd uit het ziekenhuis ontslagen en roerde zich weer in het publieke leven. Blijkbaar voelde hij dat zijn tijd gekomen was. Ottema koos een methode waarbij hij ook zelf de regie voerde. Het besef dat conservatoren na zijn dood hún neus in zíjn verzamelingen, musea en leven zouden steken vond hij afschuwelijk. En zo vernietigde hij alle privécorrespondentie, waar ook Ott dus geen toegang toe kreeg.

Het maakt zijn biografie er niet minder indrukwekkend om.

In kortere vorm verschenen in: Museumtijdschrift